Nummer 4: April 2016

Knap-1-redactiebezoek

'Foei ouders, onderhoudt uw lieverdjes'

'Doe het niet', zei zijn vader tegen de 19-jarige Henry Knap. 'Wordt geen journalist. Dat is geen vak, dat is een bezigheid.' Hij deed het wél en hij werd er groot mee. Bijna 40 jaar lang had hij in Het Parool zijn eigen plek: het Amsterdams dagboek, enorm geliefd bij de lezers. Portret van een ijdele zedenmeester, die het goed voorhad met de stad en met zichzelf.

In februari 1989 stuurt luisteraar Ida Vos-Verbrugge een brief naar de VPRO-radio. Ze wil zo graag nog eens een stukje terughoren van een van de vele 'causerieën' die Henri Knap, inmiddels drie jaar overleden, voor de radio had gehouden. Hij kon zo "keurig netjes" situaties beschrijven. In zeer beschaafd Nederlands horen wij de Parool-redacteur even later verhalen over de inbreker Manus Olie en zijn trawant Revolver Henkie, die in Amsterdam zijn gearresteerd. We schrijven 1949 en volgens Knap steekt "ons landje" Chicago inmiddels naar de kroon op het gebied van "brutale bendevorming en revolverromantiek." Ida Vos-Verbrugge is ontroerd. De radioverslaggever brengt nog even in herinnering dat Knap voor veel mensen symbool stond voor alles wat maar verkeerd en reactionair was en door jong Nederland op "de brandstapel" was gegooid. "Maar wellicht is het tijd voor een Henri Knap-revival."
Van zo'n revival is het nooit gekomen. Knap combineerde in zijn dagboekstukjes het "argeloze fatsoen" van de jaren vijftig met de nu wat oubollig aandoende olijkheid van "het Lieverdje, oom-agent, en de Krantine", zoals Jan Blokker het in De Volkskrant verwoordde – en die onschuld is de tegenwoordige krantenlezer voorbij. Dat columnist Hugo Brandt Corstius met een schoonheidsfoutje uit Knaps oorlogsverleden aan de haal ging, wierp bovendien een schaduw over zijn laatste levensjaren. Mogelijk zat ook zijn eigen karakter in de weg, want hij was een man van twee gezichten, vertelt oud-collega en oud-redactiechef van Het Parool Nico van der Maat. "Naar buiten toe leek het een vriendelijke man. Tegen zijn publiek en in hogere kringen, waarin hij graag verkeerde, was hij aardig. Zo'n uitstraling had hij ook op radio en televisie. Maar op de redactie was hij norsig, moeilijk in de omgang. Hij liet zich op zijn positie voorstaan en werd vooral door jongeren op de redactie gehaat."

Kinderverlamming
Henri Alexis Anne Reinier Knap ('Han' voor vrienden) werd op 8 januari 1911 in Amsterdam geboren in een kunstzinnig milieu. De 'Amsterdamse Joffer' Lizzy Ansingh was een zus van zijn moeder. Hij bracht vele uren door in het atelier van 'tante Lizzy' en leerde er kijken en luisteren. Hij kwam ook regelmatig op het atelier van zijn oudtante de societyschilderes Thérèse Schwartze aan de Prinsengracht 1091. Daar viel hem in 1914 – niet geheel vrijwillig – de eer te beurt om voor Juliana in te vallen; het koningshuis liet zich graag door Schwartze portretteren. Het jonge prinsesje wilde nog wel poseren voor haar gezicht en handen, maar voor het jurkje niet. Henri kreeg het aangetrokken, want hij "had hetzelfde postuur als Juliana (nog trouwens)", zo noteerde collega Nico Scheepmaker vele jaren later.
Vanwege de carrière van vader Knap, die accountant was, verhuisde het gezin nogal eens naar elders. De jonge Henri hield veel van zijn vader, een harde werker die ervoor zorgde dat het zijn gezin aan niets ontbrak. Maar een geheel onbezorgde jeugd was het niet. Knap kreeg kinderverlamming – hij zou altijd moeilijk blijven lopen – en tuberculose, waardoor hij vaak in sanatoria vertoefde. Toch keek hij met warmte en voldoening op zijn kindertijd terug, vertelde hij in 1981 aan de Leidse Courant. Er waren altijd vriendjes die met hem wilden schaken of discussiëren en hij had ruimschoots de tijd om heel veel boeken te lezen. Al zou hij later volgens collega Louis Vrooland net zo makkelijk citeren uit boeken die hij níet gelezen had.
In 1930 werd zijn vader directeur van Uitgeversmaatschappij De Vlijt in Arnhem en in die hoedanigheid ook hoofdredacteur van de Arnhemsche Courant. Een frustrerende functie die hem noopte zijn zoon te waarschuwen voor de journalistiek. "'Dat is geen vak', zei hij, en na een lange stilte, 'dat is een bezigheid.'" De negentienjarige Knap was toen net aangetreden als verslaggever van die krant. Hij bleef.

Doktersassistent
Hij stapte pas weer op toen het dagblad in 1943 een NSB-hoofdredacteur kreeg. Inmiddels had hij ook andere besognes aan zijn hooft. Knap hield zich bezig met hulp aan onderduikers en verzamelde voor de ondergrondse inlichtingendienst onder meer gegevens over Duitse (troepen)bewegingen in de omgeving. Zijn horrelvoet maakte hem minder verdacht. Later vertelde hij aan Cornelius Ryan (voor diens boek A bridge too far) dat hij als 'doktersassistent' hoofdkwartier had gehouden in een huisartsenpraktijk. Koeriers konden daar als 'patiënt' ongemerkt in en uit lopen. Bang was hij ondertussen ook, doodsbang soms.
Bij kennissen in Wageningen had hij de ondergedoken medeoprichter van Het Parool Jaap Nunes Vaz ontmoet. Af en toe deed hij klusjes voor het illegale blad en ondertussen peinsde hij over manieren waarop een dagblad kon bijdragen aan de betere wereld die hij na de bevrijding in het verschiet zag liggen. Hij dacht aan een rubriek waarin hij de "naamloze mens" een stem kon geven, want "de gewone mens wordt nooit genoemd". Hij wilde dat de lezer zich kon identificeren met zijn medemensen "van welke aard of klasse ook". Kort na de bevrijding greep hij zijn kans en nam een baan aan bij Het Vrije Volk in Amsterdam.
Aan het Hekelveld verliepen de dingen echter niet zoals Knap zich had voorgesteld. Zijn hoofdredacteur zat op een andere golflengte. De steile Klaas Voskuil was in tegenstelling tot zijn nieuwe redacteur gespeend van elk greintje humor en een gezagsgetrouw sociaaldemocraat bovendien. Het was dan ook schrikken toen Knap op 1 april 1946 een nepkrant had laten drukken met de strekking 'Weg met het kabinet Drees'. Voskuil voelde geen nattigheid en wilde Knap op staande voet ontslaan. Totdat deze hem op de datum wees. "Knap", moet Voskuil toen gezegd hebben, "ik kan dit níet waarderen." Ook had hij geen oren naar de rubriek die Knap voor ogen stond. Nog in 1946 vertrok Knap naar Het Parool, waar hij redactiechef kon worden. Een functie overigens die hij "tot ieders verdriet, ook het zijne", uitoefende, zoals Vrooland in Het knapste uit het dagboek schreef.

Spion West
Omstreeks deze tijd werd hij lid van de vrijmetselaarsloge Concordia Vincit Animos, waarvan de rituelen nog steeds worden uitgevoerd op basis van zijn teksten. Hij staat er te boek als extravert en ijdel (een bijvoeglijk naamwoord waarop Knap een zeker patent heeft) en hij kon broeders scherp in de hoek zetten, vertelt vrijmetselaar Jan Treffers. "Hij wilde mensen helpen en wakker schudden. Knap ging mee in het naoorlogse ethisch reveille en hij vond dat de vrijmetselarij daarin ook moest meegaan." Dat uitte zich onder meer in de oprichting van een stichting voor hulp aan jongeren in nood, waarvan scouting de Teil in het Amsterdamse Bos (voor gehandicapte kinderen) een uitvloeisel is. Ook via de krant zette hij zich in voor het kind.
Op 21 april 1947 verscheen het eerste Dagboek in Het Parool, volgens Knap zonder medeweten van hoofdredacteur G.J. van Heuven Goedhart. Het ironische stukje was gewijd aan hoofdinspecteur van politie Leo Cohen, die vreesde dat er in de toekomst geen auto's meer zouden kunnen rijden in de binnenstad. Knap werd direct op het matje geroepen; Goedhart ging ervan uit dat Cohen niet gediend zou zijn van die "grappenmakerij" en zijn beklag zou komen doen. De hoofdinspecteur kwam die dag inderdaad langs op de Nieuwezijds Voorburgwal. Hij kwam beneden aan het loket twee losse nummers kopen. Het Dagboek kreeg een kans.
Het idee achter de rubriek, schreven Paul Koedijk en Gerard Mulder in Léés die krant!, was even briljant als eenvoudig. Amsterdammers konden zelf bellen, schrijven of op de redactie langskomen om te vertellen wat voor treurigs, vrolijks, ergerlijks of grappigs ze nu weer hadden meegemaakt. Knap brouwde er dan stukjes van. Bijvoorbeeld in de categorie heel klein leed: "Spion West seint: Boven mij woont dame met hondje. Hondje was jarig en daarom verjaarsvisite met heleboel andere hondjes. Werden gebracht door eigenaressen en om 6 uur gehaald. Kregen (hondjes dan) rijst met paardevlees + lekkere kluiven van slager. Verschrikkelijk geblaf en gestoei. Spion nu nog hoofdpijn en rapport beetje spottend en bitter."

Zedenmeester
In telegramstijl (het 'Dagboekanees') vulde de Dagboekanier zo vier kolommen met Amsterdamse belevenissen en observaties ("Opschrift bord Oosterpark: Deze speelweide niet te bespelen."). In de categorie 'Foei!' deelde hij tikken uit ("Ouders in Noord, buurt van Retiefstraat*, onderhoudt uw lieverdjes eens over afschuwelijke gewoonte alle vuilnisvaten om te trappen!") en iemand die iets goeds had gedaan voor zijn medemens werd gerangschikt onder het kopje 'Goed Zo!' Voor bijzondere prestaties als het redden van een drenkeling had hij het Iepenloof-met-rupsen-speldje bedacht, een ironische variant op het nazi-Duitse Ritterkreuz mit Eichenlaub. De altijd gesoigneerde Knap met zijn karakteristieke vlinderstrikje en wandelstok verwierf er de reputatie van 'zedenmeester' mee. Knap was in zijn element. "Hij heeft bij ons weten", schreef Vrooland, "nooit gestreefd naar de carrière van de parlementaire redacteur, de wereld an-dweilende reporter, de persconferentie is beneden zijn stand (...). Maar in dat dagboek was hij een meneer." Niet altijd gehinderd door kennis van zaken, soms "eigenwijs en pedant", had hij de lezer actief bij de krant betrokken en die lezer waardeerde dat: het Dagboek werd een overweldigend succes. Zoals ook bleek uit het enthousiasme voor de door hem op touw gezette Witte Bedjes-actie, waarbij geld werd ingezameld voor Sinterklaascadeautjes voor zieke kinderen. En het beeld van het gipsen straatschoffie dat op 2 mei 1959 op het Spui werd onthuld, kreeg de naam Het Lieverdje, zoals Knap 'de' straatjongen placht te noemen: vol kattenkwaad maar met een hart van goud. Overigens kwam de bronzen versie er op 10 september 1960 vooral mede dankzij hem – voor de financiering had hij een Rotaryrelatie aangesproken.

Vele bijverdiensten
Het Dagboek groeide al snel uit tot een volwaardige onderneming; de Dagboekanier kreeg een eigen secretaresse om alle routineklussen af te handelen. Én een eigen kamer, waarin hij zich opsloot, memoreert Van der Maat. "Hij bemoeide zich niet met de redactie. Hij voelde zich verheven boven de rest." Dankzij de secretaresse was Knap volgens zijn oud-collega niet zozeer druk met het Dagboek, maar met zijn vele bijverdiensten. Hij schreef een aantal moralistisch getinte boekjes met titels als Rijdt u ook zo auto? en Bent u ook zo'n vader?, die als warme broodjes over de toonbank vlogen. Hij liep cocktailparty's af, schoof aan bij televisieprogramma's als de Berend Boudewijn Kwis en hield overal in het land praatjes. Parool-collega Gerrit Overdijkink vond na Knaps vertrek in diens bureaula een lading formulieren die hij "als BN'er door zijn secretaresse had laten rondsturen aan clubs, sociëteiten en dameskransjes met voorstellen voor lezingen. Compleet met prijzen, hoogte van de kilometervergoedingen en soms zelfs de eisen voor de standaard van het hotel als de reis hem wat te lang leek voor een retourtje op dezelfde dag."
Op zaterdagmiddag gaf Knap les in praktische journalistiek op het Instituut voor Perswetenschap, Keizersgracht 604. "Sommige jonge journalisten kwamen daar overstuur vandaan", herinnert Van der Maat zich. "Hij kon mensen publiekelijk helemaal afbranden." Onder het aanstormend talent gold hij veelal als reactionair. Jip Golsteijn (De Telegraaf) leerde van Knap om 'inspuiting' in plaats van 'injectie' te schrijven. "En dat je altijd een blauw of grijs pak aan moest hebben, zodat je op stel en sprong naar begrafenissen of huwelijken kon afreizen. Flauwekul, niets van geleerd. Toen ik bij De Telegraaf een keer het woord 'inspuiting' schreef, keek men mij boos aan en zei: 'Jij bent toch niet naar het Instituut voor Perswetenschap geweest hè?'" Collega-leerling Lambert van Beers had juist wél veel te danken aan Knap. Hij raakte door hem besmet met het 'Japan-virus' en werd daar correspondent. Het eerste jaar betaalden De Telegraaf en Elseviers Magazine zijn verblijf- en studiekosten. Daar had Knap voor gelobbyd.

Boekenweekgeschenk
In 1973 werd Knap afgekeurd. Hij was inmiddels van Weesperzijde 3 naar een dubbele flat in Amstelveen (Meander 1105-1107) verhuisd. Er stond hem nog een pijnlijke affaire te wachten. Toen uitgever Wim Hazeu hem in 1981 vroeg het boekenweekgeschenk te schrijven – eerdere schrijfsels van Gerard Reve en Herman Pieter de Boer waren door het CPNB afgewezen – zei hij ja. Hij had ook al een idee: op een servetje schreef hij De ronde van '43. Een maand later lag er een manuscript. Hazeu vond het uitstekend. "Ik wist als een van de weinigen dat het een autobiografisch verhaal was. Tijdens de oorlog heeft Knap in de omgeving van Arnhem geprobeerd Joodse kinderen aan onderdak te helpen. Zijn tocht langs Nederlandse burgermanshuizen is uitmuntend en dramatisch in zijn verhaal beschreven."
Maar de kritieken op het boek waren keihard. En Hugo Brandt Corstius, zo vertelt Hazeu, "haalde in Vrij Nederland ongegeneerd en schofterig naar Knap uit". Het boekje was Brandt Corstius "in het verkeerde keelgat geschoten", omdat Knap tijdens de oorlog enige tijd voor de Nederlandse Omroep tegen betaling hoorspelen had geschreven, en dus voor de bezetter had gewerkt. Dick Verkijk had dit jaren eerder in Radio-Hilversum 1940-1945. De omroep in oorlog onthuld, maar er ook bij geschreven dat Knap Joodse onderduikers had gehad en een belangrijke rol had gespeeld in de informatievoorziening voor de geallieerden. Brandt Corstius liet deze informatie achterwege.
Knap vond een bevlogen verdediger in de (Joodse) journalist Philip Mok, die Brandt Corstius 'voosheid' verweet en een Joodse vrouw citeerde die bij de Knaps ondergedoken had gezeten: "Ze waren schatten. Knap wilde geen cent hebben. Als zijn vrouw geld voor de kapper kreeg dan gaf hij mij hetzelfde bedrag, omdat hij vond dat ik daar als huisgenote recht op had." Maar het kwaad was al geschied. Knap had zich verdedigd met het fabeltje dat hij codetelegrammen voor de Engelsen in de hoorspelen had verwerkt en daarmee als nationaal zedenpreker het onheil over zichzelf afgeroepen. Dat was niet verdiend, oordeelde Parool-journalist Paul Arnoldussen in 1999. Knap leed zeer onder de affaire. Hazeu zag hem geestelijk en fysiek aftakelen en nam het zichzelf kwalijk dat hij hem ooit voor het boekenweekgeschenk had gevraagd.
Henri Knap overleed in 1986.


MARCELLA VAN DER WEG IS JOURNALISTE EN PUBLICISTE.