Nummer 1: Januari 2016

 Dienst-1-havenbeeldWonen op het werk

'Je gaat het pas zien als je het doorhebt': op talloze plekken in de stad zijn dienstwoningen min of meer verborgen in of bij bedrijfspanden. De meeste zijn in de 19de eeuw gebouwd, daarna veel minder. Maar wonen bij het werk wint nu weer aan populariteit. Verrassende ontdekking: de huidige 'woonwerkwoningen' zijn nauw verwant aan de middeleeuwse huisnijverheid.

Op de kop van de Oostelijke Handelskade, waar nu Muziekgebouw aan 't IJ staat, verrees in 1886 een groot verzamelgebouw voor havendiensten, met loodsen, douane, post en een meteorologisch station. Dit Gebouw van de Algemene Dienst stond later bekend als het Meteorologisch Instituut. Dankzij z'n markante positie en drie torens was het een welkomstbaken van het destijds nieuwe Oostelijk Havengebied.
Wat vrijwel niemand weet is dat het een bedrijfspand leek, maar voor twee derde uit woonruimte bestond. Er zaten vijf riante woningen in. Vier met eigen entree en trappenhuis aan de binnenplaats: voor de Inspecteur, de Commissaris, de Ondercommissaris en de Ontvanger. De woning van de Inspecteur was het grootst; die strekte zich uit over drie etages en telde zeven ruime kamers, een keuken en een bergzolder. De andere drie functionarissen hadden het niet veel minder getroffen, al moesten de Ondercommissaris en de Ontvanger het doen met woningen aan de noordzijde. Op de kop zat op éénhoog Café Restaurant Handelskade, dat zich aanprees met het "prachtigste vergezicht van Amsterdam". In werkelijkheid had de kastelein zelf vanuit zijn woning boven de zaak een nog mooier panorama.
Het gebouw is in 1922 flink verbouwd toen het KNMI de kantoorruimte wilde uitbreiden, maar toch bleven er nog twee dienstwoningen bestaan, voor de Directeur en de Observator. Het werd gesloopt in 1974, en daarmee raakte de stad een bijzonder woon-werkgebouw kwijt.

Wijdverbreid
Met vijf woningen zat het havendienstengebouw boven het gemiddelde, maar verder was het destijds niet uitzonderlijk om wonen en werken in een gebouw te combineren. Sterker, bijna geen groot bouwwerk uit de late 19de eeuw heeft géén in- of aangebouwde dienstwoning. De meeste zijn nu niet meer als zodanig in gebruik, maar ze bestaan nog wel. Wie er eenmaal op let, ontdekt ze overal.
Een kleine greep. De Stadsschouwburg had zijn conciërgewoning achter in de hoek aan de Marnixstraat. Het warenhuis Metz in de Leidsestraat had een bedrijfswoning bovenin. Bij het Schoolkinderbad in de Frederik Hendrikstraat zit-ie op de bovenverdieping aan de straat. De verbandfabriek Utermöhlen aan de Weesperzijde (later hoofdkantoor van de brandweer en nu in verbouwing tot appartementen) beschikte over een directeurswoning met zeven kamers en een ligbad. De directeur van het Zeemanshuis op het Kadijksplein keek vanuit zijn woonvertrekken uit over het IJ. Bij de Graansilo Korthals Altes hoorden twee woningen. Ook de paardentramremise in de Linnaeusstraat (nu een Wibra-vestiging) had er twee, terwijl de tramremise aan de Tollensstraat (De Hallen) volstond met een bovenwoning voor de chef-monteur. Het Vondelparkpaviljoen had een kasteleinswoning en het Vondelpark zelf natuurlijk een opzichtershuis. In de huidige kantoorruimte van Paradiso woonde ooit de koster van de Vrije Gemeente boven de Kleine Zaal.

Buitenbeentje
En dan vergeet ik bijna de bekendere dienstwoningen, zoals de directeursvilla van het Rijksmuseum, de dienstwoningen van Artis en de ambtswoning van de burgemeester. Het Stedelijk Museum is een buitenbeentje als een van de zeldzame grote gebouwen uit de late 19de eeuw zónder inpandige dienstwoning. Ze waren zo wijdverbreid dat niemand de moeite hoefde te nemen om te verantwoorden waarom in een theater, een fabriek of een remise moest worden gewoond. Veel nieuwbouw ging gepaard met gekrakeel, maar nooit over de woonfunctie. Die was zo vanzelfsprekend dat er slechts woorden aan werden besteed als er in een gebouw een ontbrak, maar er wel moest komen.
Zo was de 'hydraulische inrichting' verderop aan de Oostelijke Handelskade in het huidige Panamagebouw in 1885 zonder dienstwoning gebouwd. Mogelijk is de behuizing eenvoudigweg vergeten. De hydraulische inrichting zou de eerste energiecentrale van de haven worden en vooraf was er grote ophef over het feit dat de gemeente voor de levering van de machines alleen ervaren buitenlandse firma's benaderde. In de controverse over de aanbesteding moet het meest voor de hand liggende over het hoofd zijn gezien.
Tien jaar later corrigeerde de gemeenteraad dit manco, nadat de directeur van Publieke Werken had betoogd "dat het belang van den dienst medebrengt, dat de chef-machinist bij de hydraulische inrichting op de Handelskade woont bij het machinegebouw". De raad trok f 6000,- uit om alsnog een keurig vakwerkhuisje voor de chef-machinist te bouwen, die f 200,- huur per jaar ging betalen.

Behoorlijk bestaan
Over het motief voor één type dienstwoning is meer bekend, namelijk de onderwijzerswoning. "Aan de openbare onderwijzers zal, zoo veel mogelijk, toegewezen worden: het genot van eene woning en hof", aldus het Koninklijk Besluit over het onderwijs uit 1830. Woning en hof keerden een kwart eeuw later terug toen de Tweede Kamer zich over een nieuwe Onderwijswet boog. "Verder behoort den hoofdonderwijzer eene vrije woning te worden verschaft", schreef de minister. De tuin was niet langer verplicht.
De onderwijzerswoning werd gezien als een belangrijke voorwaarde voor het onderwijs, net als voldoende salaris voor een behoorlijk bestaan, fatsoenlijke schoollokalen en hulpmiddelen. Pragmatisme en waardering voor het onderwijzersvak, misschien zelfs een lichte bezieling met beschavingsidealen, vallen hier samen. Een onderwijzer is noodzakelijk voor goed onderwijs, een woning is noodzakelijk voor de onderwijzer, dus is de onderwijzerswoning noodzakelijk voor het onderwijs – even onontbeerlijk als leerboeken, krijtjes en kachelturf.
Soortgelijke instrumentele argumenten zullen ook voor andere dienstwoningen gegolden hebben. De dienstwoning floreerde in een tijd dat vrijwel alle werk door mensen of dieren werd gedaan. Nog vrijwel niets was gemechaniseerd of geautomatiseerd. Bedrijfsgebouwen hadden geen beveiligingscamera's of intercom, maar een portier of conciërge. Burgerwoningen hadden geen huishoudelijke apparaten maar huishoudelijk personeel. Koetsen werden niet voortbewogen door een benzinemotor, maar door paarden, gemend en verzorgd door koetsiers, palfreniers en stalknechten, die op ieder moment beschikbaar moesten zijn (net als nu autosleutels op ieder moment beschikbaar zijn). Wat lag er meer voor de hand dan ze in of naast het koetshuis te laten wonen? Een dienstwoning was een noodzakelijke voorziening, vergelijkbaar met hedendaagse voorzieningen als een meterkast, een cv-ketel en een intern communicatienetwerk.
Eind 19de eeuw kampte de stad bovendien met een grillige woningmarkt en een onvolkomen infrastructuur als gevolg van de onstuimige groei. Een werkgever die zijn werknemer een woning bij het werk verschafte, verloste hem van huizenjacht en reistijd, en verzekerde zichzelf van een altijd aanwezige kundige persoon. De dienstwoning versterkte de onderlinge band en diende tot wederzijds profijt. Alle aandacht kon zich op het werk richten en de continuïteit was gegarandeerd.

Rangen en standen
Dienstwoningen waren er in vele verschijningsvormen en ze weerspiegelden nauwkeurig de rangen en standen van het arbeidsbestel. De statigste dienstwoning van Amsterdam was zonder twijfel de directeurswoning van het Rijksmuseum, waarin tot 1945 daadwerkelijk museumdirecteuren onderdak vonden. Aan het nederige andere uiteinde van het scala vinden we in dezelfde jaren twee piepkleine opzichtershuisjes in de Houthavens "voor de ambtenaren der Westelijke doksluizen" van elk 36 vierkante meter plus een zoldertje.
Voornaam en gerieflijk was ook de vrijstaande villa voor de hoofdingenieur van de Westergasfabriek. Twee van zijn ondergeschikten, de adjunct-ingenieur en de assistent-ingenieur, woonden minder prominent in het naastgelegen verzamelgebouw met werkplaatsen en kantoren, het latere stadsdeelkantoor van Westerpark. Het verschil in rang was evident.
De hiërarchie is ook goed te zien in de Kweekschool voor Machinisten uit 1886, nu een universiteitsgebouw aan de Plantage Muidergracht. Dat gebouw was toch al een soort microkosmos, met theorie- en praktijklokalen en een slaapzolder waar de 'kribben' van de 50 interne leerlingen stonden. Aan de ene kant van het langgerekte pand had de directeur een ruime inpandige woning, voor de belangrijkste technische functionaris, de machinist, zat een half zo grote woning helemaal aan de andere kant. De drie inwonende dienstboden, twee voor de directeur en één voor de machinist, beschikten ieder slechts over een zolderkamer.
Maar de samenleving stond niet stil. Dat illustreert het hoofdrioleringsgemaal aan de Zeeburgerdijk (nu een restaurant) van ruim twintig jaar later: de chef-machinist woonde beneden en de hulp-machinist moest de trap op, maar het verschil in woonoppervlakte was hoogstens 10%.
Ook de onderwijzerswoningen die de Amsterdamse stadsarchitecten Willem Springer en Bastiaan de Greef op basis van de Onderwijswet van 1857 ontwierpen, zijn veelzeggend over het maatschappelijk aanzien van de onderwijzer. Keurige huizen zijn het, nauw verwant aan de 'stadswoonhuizen' die Springer ook ontwierp en hooguit een fractie kleiner. Veel van die woningen bestaan nog altijd, terwijl de aanpalende scholen allang zijn verbouwd of gesloopt. Hetzelfde geldt voor 19de-eeuwse pastorieën, zoals in de Spaarndammerstraat, die hun kerk hebben verloren.

Geheim
De dienstwoning kwijnde weg in de loop van de 20ste eeuw. Enkele kwamen er nog bij, zoals de Olympische portierswoning (1928), de stationchefswoning van het Muiderpoortstation (1936), de dienstwoning bij de Apollohal (1969) en de woningen bij de Opel-garage op een bedrijventerrein bij de Spaklerweg begin jaren zeventig.
Maar door veranderingen in de techniek, de mobiliteit, de arbeidsmarkt, de wooncultuur en het ruimtelijk beleid verschrompelde de bestaansgrond van de dienstwoning. Veel taken die inwonende werknemers verrichtten, zijn inmiddels gemechaniseerd en geautomatiseerd. Dankzij onze mobiliteit en communicatiemiddelen kunnen we ook op afstand dichtbij het werk zijn. Op de hedendaagse, vluchtige arbeidsmarkt ligt het niet voor de hand dat een werkgever tevens huisbaas is. En onze woningen ervaren we tegenwoordig als de uitdrukking van een eigen smaak, wat wringt met de neutraliteit van de dienstwoning. Ook heeft de overheid de band tussen werk en woning lange tijd ontmoedigd met een ruimtelijk beleid dat streefde naar grootschalige functiescheiding. Mengvormen als de dienstwoning pasten daar niet goed in. Hooguit werden ze gedoogd en huurbescherming is een effectief middel om ze te ontmoedigen. Het gemiddelde bestemmingsplan heeft nog altijd moeite met werkgebouwen in een woonwijk of woningen op een bedrijventerrein.
Het fenomeen van de dienstwoning is uitgestorven, maar de woningen zelf zijn stilletjes gebleven. Sommige hebben al zo lang een andere functie dat niemand die er nu werkt nog weet dat er ooit is gewoond. Andere worden nog altijd bewoond maar hebben hun wederhelft verloren – een school, een kerk, het Juliana Ziekenhuis – zodat ze eveneens onherkenbaar zijn geworden. De dienstwoning, met haar bonte geschiedenis, is een geheim geworden. Tot je door de stad fietst en ze ineens ziet.


FRED FEDDES IS JOURNALIST EN PUBLICIST.