Nummer 1: Januari 2014 - 'O allerschoonst Amsterdam'

dichters

Stedenlof in de Gouden Eeuw klonk wel héél anders dan nu

Amsterdam krijgt weer een nieuwe stadsdichter.
Menno Wigman taait deze maand na twee jaar af. De huidige gesalarieerde aanstelling dateert van het laatste decennium, maar dichters die de stad tegen betaling berijmden waren er ook al in de 16de en 17de eeuw. Anders dan de moderne stadsdichters, staken zij allemaal de loftrompet. Nou ja, bíjna allemaal. 

O wijtberoemde Stadt, ô! parel van Europen,
Daer d’Amstel en het Y’ om strijdt te samen loopen.
Als geboren Amsterdammer voelde Petrus Scriverius (1576-1660) zich verplicht om zijn stad te bewieroken. Met deze beroemde regels opende hij het lofdicht dat hij schreef voor een van de mooiste kaarten die ooit van Amsterdam is gemaakt, die van Balthasar Florisz. van Berckenrode uit 1625.
Stedenlof is letterlijk zo oud als de weg naar Rome. In de klassieke oudheid was het een populair genre: in hoogdravende taal bezong de stedendichter een geliefde stad, haar ligging, geschiedenis, naam, economie, instellingen en het karakter van de inwoners. Helmers was lang niet de eerst die Amsterdam bezong. De vroegste lofzang – en meteen ook de bondigste – is vastgelegd op een reep perkament in een 15de-eeuws manuscript. “Amsterdam pulcherrime” (O allerschoonst Amsterdam) schreef een naamloze broeder van het Paulusconvent aan de Oudezijds Achterburgwal. Een uitgebreider stedendicht stamt uit de late 15de eeuw. Een eveneens anonieme dichter schreef toen een serie verzen op Amsterdam en vijf ander steden. Van Amsterdam roemde hij de uitstekende zangkoren.
Laatmiddeleeuwse stedelijke dichters waren georganiseerd in rederijkerskamers. Zij leverden teksten bij feestelijke gebeurtenissen, zoals processies en vorstelijke intochten. Ook schreven rederijkers gelegenheidsgedichten over nieuwe gebouwen, branden of andere actualiteiten. Na 1578 raakten de rederijkerskamers hun subsidie van de stad kwijt, maar individuele auteurs ontvingen nog wel financiële compensatie. De bekende rederijker Gerbrand Adriaensz Bredero dichtte frequent over zijn geboortestad Amsterdam. In een sonnet voorspelde hij de stad een grootse toekomst:
Tot sulcken grootheydt sal Amstelredam noch komen,
Dat sy in treff'lijckheyd sal overwinnen Romen.
In zijn van stedentrots doorspekte liedboeken profileerde Bredero zich nadrukkelijk als stadsdichter: het titelblad kondigde hem aan als ‘Bredero, Amsteldammer’. Hij kreeg echter niet betaald uit de stadskas, maar van een particuliere mecenas, de diplomaat Jacob van Dijck. Wel hadden de Amsterdamse burgemeesters een eigen budget om kleine bedragen uit te keren, bijvoorbeeld aan lofdichters.

Vondel versus Vos
In de Gouden Eeuw nam het stedendichten een grote vlucht. Er was natuurlijk ook wat om over op te scheppen: Amsterdam overvleugelde de gehele Republiek en speelde zelfs een hoofdrol op het wereldtoneel. De rederijker Hendrick Laurensz Spiegel (1549-1612) schetste de handelsbloei en de drukte in de stad rond 1600, die bijna letterlijk uit zijn muren barst. Daarbij haalde hij de befaamde heipalen van stal:
Met sterk verbonden hout gij hoge huizen spant,
Niet vast gegrond op zand, maar op geheide palen.
Ware omgekeerd de grond, men zou in ’t bos verdwalen.
Halverwege de 17de eeuw wierpen enkele auteurs zich op als ‘stadsdichters’: nog niet in dienst maar wel ten dienste van de stad. Zij hadden geen officiële aanstelling of vast dienstverband, maar ieder talent kon een bijdrage leveren. Onderling beconcurreerden ze elkaar om opdrachten te krijgen van het stadsbestuur. Berucht is de rivaliteit tussen Joost van den Vondel (1587-1679) en Jan Vos (1610-1667). Beiden schreven gelegenheidsgedichten bij belangrijke lokale gebeurtenissen en lofzangen op regenten. Vondels fraaiste reclamecampagne in dienst van de stad was zijn gedicht bij de opening van het nieuwe stadhuis in 1655. Naar klassiek voorbeeld prees de dichter hierin het gebouw, de stad en vooral de voortreffelijkheid van haar bestuurders en de bevolking.
Vos en Vondel hadden een eigen aanpak als stadsdichters. Vondel bewierookte de stad en de regenten, maar niet tegen iedere prijs: hij liet zich vaak verleiden tot publieke polemieken. Vos zou niet gauw een rel veroorzaken, hij vertolkte liever de stem van de burgemeesters. Vrede, welvaart en de bloei van de koophandel en kunsten waren de voornaamste thema’s van deze productieve stadsdichter. Met zijn lofdichten droeg Vos bij aan het positieve imago van Amsterdam, maar financieel schoot hij weinig op met zijn ‘stadsdichterschap’. Zijn contacten met regenten waren wel nuttig voor zijn andere baantjes als toneeldichter, glazenmaker en schouwburgdirecteur. Het mes sneed aan twee kanten: de regenten hadden hun rijmende propagandist en Vos profiteerde van de patronageverhouding.

Geldzuchtige stad?
Ten tijde van Vos en Vondel stond Amsterdam op de top van zijn roem. Handel en bevolking groeiden tot ongekende hoogte en in stadsgeschiedenissen en reisbeschrijvingen werd luid de loftrompet geblazen. Later in de eeuw nam de dynamiek wat af. In 1668 klonken er dissonanten door in de letterkunde. Van Willem Godschalck van Focquenbroch verscheen dat jaar een omkering van de stedenlof: de Amsterdamse rijkdom was ontaard in gierigheid. Volgens de armenarts en dichter telden eer, liefde en deugd in de grote stad niet meer mee.
t Gelt-suchtigh Amsterdam met al haer soete keyers,
Stoft al te moedigh op haer opgevulde tas;
De maegre gierigheydt die steets hare Af-god was,
Maeckt dat dit hoen niet leydt, dan stront in plaats van eyers.
Onverminderd positief was Joannes Antonides van der Goes. In zijn wijdlopige Ystroom (1671) eerde hij de wereldhandelsstad met een fictieve reis langs de oevers van het IJ.
Het elan van de Gouden Eeuw pieterde weg en in de 18de en vroege 19de eeuw was er nog maar weinig van over. Een echte stadsdichter aan te wijzen, is dan lastig, hoewel de regenten zelden te beroerd waren een lofdicht te belonen. Ook de opkomende genootschappen stimuleerden de poëzieproductie door voordrachtsprijzen uit te loven. Daniël Willink (1676-1722) schreef de lijvige topografische gedichten Amstelstroom, Buitensingel en Amstellandsche Arkadia, waarin hij zowel de stad als haar omgeving roemde. Ook Willem Bilderdijk (1756-1831) waagde zich aan het stedendicht. Na het vertrek van de Fransen schreef hij Aan Amsterdam, tegen het verval waarin de stad was geraakt:
Ruk los uw vlecht, verarmde Stad
En werp de parels uit uw hairen!

Zelfbenoemde stadsdichters
Auteurs als de 19de-eeuwers Everhardus Potgieter, Jan ten Kate en Willem Hofdijk keken vooral verlangend terug naar de vergane glorie van de Gouden Eeuw. Ook de Tachtiger Albert Verwey (1865-1937) dichtte met enige regelmaat over de glorie van zijn geboortestad, die nu een ‘tweede Gouden Eeuw’ beleefde. Een betaalde stadsdichter werd hij toen architect Hendrik Berlage hem rond de eeuwwisseling vroeg het decoratieprogramma van de nieuwe Koopmansbeurs te coördineren. Verwey’s dichtregels waren een lofzang op de handelsstad, maar tegelijkertijd een pleidooi voor een klasseloze maatschappij waarin geld geen rol meer speelt.
Na de Tweede Wereldoorlog bleef Amsterdam een dankbaar onderwerp voor dichters. Van officiële stadsdichters was nog geen sprake. In de jaren tachtig wierp Annetje Dia Huizinga zichzelf op als stadsdichter. In het communistische dagblad De Waarheid dichtte zij over het grootstedelijke leven, politieke onderwerpen en incidenten als een zware najaarsstorm. Kort voor de val van de Berlijnse Muur in 1989, vroeg zij zich af: “Hoe klinkt de poëzie uit de binnenstad van Amsterdam? Grote stadspoëzie, losgebroken uit lawaai.”
In 2000 werd Gerrit Komrij uitgeroepen tot Dichter des Vaderlands, de Nederlandse evenknie van de Britse Poet Laureate. Vervolgens benoemde Groningen, opnieuw naar Brits voorbeeld, als eerste stad een gesalarieerde dichter, die bij belangrijke gebeurtenissen een passende tekst leverde. De hoofdstad kon niet achterblijven, meende columnist Adriaan Jaeggi in Het Parool –  stadsdeel Centrum benoemde hem terstond.
Jaeggi wilde zich niet beperken tot het stadsdeel en riep zichzelf uit tot ‘stadsdichter’. In zijn eerste bijdrage trok hij stevig van leer:
Ik zocht een rijke gastvrije doorwaadbare plaats met drie kruizen:
kankerfiets, kuttoerist, keizerskroon.
Niet Jaeggi’s rauwe woordkeuze maar zijn ondemocratische benoeming leidde tot gemor in de republiek der letteren. Collega-dichter Frank Starik pleitte voor de aanstelling van dertien dichters: één per stadsdeel. Hij droeg alvast geschikte kandidaten voor, onder wie hijzelf, “vermits tegen een acceptabele vergoeding”. Maar de andere stadsdelen hadden lagere gages in gedachten dan Centrum, dat Jaeggi een jaarwedde verschafte van € 6000,-.

Groot steigerdoek
Ze kwamen er wel, andere stadsdeeldichters. In Westerpark won Hans Kloos de verkiezing, volgens afvaller Wim Brands mede omdat hij “zijn naam mee had”. Voor het eind van het jaar volgden Noord, Osdorp en Zuideramstel. Tot 2011 was Adri Slomp, in het dagelijks leven onderwijzeres, stadsdeeldichteres van Noord. Gedurende haar vierjarige ambtsperiode schreef zij dertien gedichten met als credo: “Elke strofe was een stomp / uit de pen van Adri Slomp.”
Stadsdeel Zuideramstel had tijdelijk een beroemdheid in dienst: Karel N.L. Grazell (1928). Deze dichter is ooit ‘ontdekt’ door W.F. Hermans en was het brein achter de reclameslogan “Liever Kips leverworst dan gewone leverworst”. Grazell leverde fraaie bijdragen, zoals een historisch stroomdicht op de Amstel langs Buitenveldert. Als stadsdeeldichter is hij nooit opgevolgd, aangezien het stadsdeel de subsidiëring staakte. Ook de andere stadsdeeldichters verdwenen uit beeld, behoudens die van Noord. Momenteel is Ibrahim Selman daar in dienst, die in zijn debuut mijmerde over het pontje:
Als bromfietsers hun symfonie opvoeren
de frisse lucht zijn longen uithoest
ontsnap ik uit mijn dromen
de waarheid danst
naakt.
De bijdragen van de stadsdichters verschijnen op de website van stadsdeel Centrum en in Het Parool. Om zijn gedichten onder een groter publiek te verspreidden, stelde Jaeggi indertijd voor om een gedicht op een steigerdoek te zetten. Ook Starik had dergelijke ambities: hij wilde een gedicht aan het Rijksmuseum hangen. Tijdens het stadsdichterschap van Menno Wigman kwam het er eindelijk van: op een druilerige dag in oktober 2012 verscheen een gedicht van tien bij dertig vierkante meter op de ramen van het voormalige ABN Amrogebouw in Zuidoost. De tekst (“Over de toekomst wil ik schrijven, / hoe dit onbemande pand / straks weer in mensenhand belandt”) moest de aandacht vestigen op de omvorming van lege kantoorruimte tot woningen. Wigman was weinig tevreden met dit “grootste gedicht van Amsterdam” – niet met zijn eigen tekst, niet met de uitvoering in vage witte plakletters.

Geen leeghoofdige lofzangen
Vóór zijn aanstelling was Wigman ook gepolst als Dichter des Vaderlands. Hij koos echter bewust voor het stadsdichterschap. Wel bleef hij kritisch, zoals in een gedicht over ‘het dievengilde’ op lijn vijf.  “Ik voel me innig verbonden met Amsterdam, maar sta er wel eens van te kijken hoe laks we met crimineel gedrag omgaan”, verheldert Wigman. “Vanaf het begin heb ik gewaarschuwd dat ik niet in staat ben allerlei leeghoofdige lofzangen te schrijven. Als ik dorpsdichter van Beetsterzwaag was geweest en niet onophoudelijk net geopende slagerijen had bezongen, was dat vast een probleem geweest. Maar Amsterdam kan het hebben.”
Tijdens zijn aanstelling heeft hij geprobeerd zijn poëzie aan de man te brengen, maar dat viel niet mee: “Daarom bedacht ik een aantal ongewone poëzieavonden. Het meest succesvol was een avond waarop volstrekt vergeten dichters voorlazen. Ook kwamen er veel mensen op ‘Poëzie in de Slegte’ af. Er werden zelfs heel wat bundels verkocht. In maart en april gaf ik poëzielessen in de Bijlmerbajes, afgesloten met een middag waarop gedetineerden voorlazen. Publiek van buiten was helaas verboden. Ik wil graag een Bijlmerbajes Poëzieprijs in het leven roepen, maar de gevangenisdirecteur die mij daar bij wilde helpen, zwijgt in alle talen. Er waren überhaupt heel wat projecten die bij ideeën bleven. Dat brak me gaandeweg een beetje op.”
Deze maand wordt Wigmans opvolger bekendgemaakt. Zelf vindt hij het “wel eens tijd voor een dame.”

Maarten Hell
Januari 2014