Nummer 2: Februari 2006

022006_Cover


Op het omslag: De herdenking van de Februaristaking op 25 februari 1958: met bloemen op weg naar de Dokwerker. Kors van Bennekom.

- Rivierbodemschatten uit het Damrak
- Sier maken met de Februaristaking
- Ariana Nozeman, een vergeten ster
- Vastgoedtycoon Maup Caransa
- De twee werelden van Wyers
- Schotse slechterik vlucht naar Amsterdam




Rivierbodemschatten uit het Damrak
Duizenden vondsten ‘boven water’ gebracht
Tekst: Peter-Paul de Baar

022006_OpgravingEind november 2005 beëindigden stadsarcheoloog dr. Jerzy Gawronski en zijn team de eerste fase van hun archeologisch onderzoek onder de Noord-Zuidlijn in aanleg. Ze groeven ónder het water aan de kop van het Damrak, oftewel de middeleeuwse monding van het Damrak. Dat was (pal onder het zakkende metrocaisson) een nogal hachelijke onderneming, maar Gawronski kijkt er met grote tevredenheid op terug. “We hebben er werkelijk uitgehaald wat erin zat!”

Wat heeft dit onderzoek nu voor nieuwe inzichten opgeleverd in de geschiedenis van Amsterdam? Dáárover laat Jerzy Gawronski zich nu nog heel voorzichtig uit. En met goede redenen: in deze met bijna militaire discipline uitgevoerde operatie ging het erom in korte tijd, vóórdat het zakkende caisson alle sporen zou verwoesten, zo veel mogelijk materiaal veilig te stellen. En al dat spul, triviaal of heel bijzonder, wacht nou in 700 vuilniszakken op nader onderzoek. Nou ja, een aantal heel mooie vondsten is al meteen terzijde gelegd voor nadere inspectie, maar toch moet er nog heel veel nauwkeurig worden bekeken. Dan hebben we het niet alleen over voorwerpen van menselijke makelij, maar ook over grondmonsters, die iets kunnen leren over de ouderdom van diverse bodemlagen, en planten en dieren langs of in de rivier. Dat soort spul moet eerst naar het laboratorium om onder de microscoop te worden gelegd. Intussen pakken de archeologen zelf hun zakken vol losse voorwerpen uit, en proberen die te sorteren, determineren en dateren. Daar hebben ze nog járen werk aan!
En uit al dat onderzoek te zamen rijst geleidelijk een nieuw beeld op, al blijven in veel gevallen uiteenlopende interpretaties mogelijk. Naar daarover straks méér.
Eerst wil Gawronski dolgraag vertellen hoe het onderzoek werd uitgevoerd, want zelden kwam daar zoveel ‘jongensromantiek’ bij kijken.

Wroeten onder het caisson
Vooraf stond vast dat het onderzoek naadloos moest worden ingepast in de werkzaamheden voor de Noord-Zuidlijn. Hier ging het om het afzinken van het caisson dat zal dienen als ‘startschacht’ voor het boren van de metrotunnel. In feite is het betonnen bak van 60 x 20 x 15 meter, waarbinnen de reusachtige boor in elkaar gaat worden gezet, die de komende jaren een tunnel onder de stad door gaat graven. Dat caisson verdween stukje bij beetje in de bodem van het Damrak-water, ter plekke van de middeleeuwse Nieuwebrug. Dat is de (naar huidige maatstaven) vrij smalle brug pal tegenover het Victoria Hotel, naast de veel bredere brug in het verlengde van de rijweg van de Prins Hendrikkade. De Nieuwebrug is voor deze gelegenheid tijdelijk gedemonteerd.
Gawronski: “Het uitgangspunt was: het afzinken moest continu doorgaan. Ons archeologische vond dus plaats tussen de bedrijven door. Dat caisson zakte door zijn eigen gewicht (15.000 ton!) en doordat de grond eronder met waterkanonnen werd losgespoten en vervolgens werd opgezogen. Dat spuit- en wroetwerk gebeurde in een ruimte tussen twee zijwanden die nog een stukje verder naar onderen doorliepen dan de bodem van de caissonbak. Om te zorgen dat dat vochtige hol niet volstroomde met grondwater, werd de lucht daar permanent onder overdruk gehouden. Hoe dieper we kwamen, hoe hoger de overdruk werd. Op den duur geeft dat een duizelig gevoel en als je er te lang achter elkaar werkt, kan je de gevreesde caissonziekte krijgen. Dus moesten de bouwvakkers én wij archeologen eerst medisch worden gekeurd; en we mochten maar een paar uur achtereen daar beneden werken. De weg naar beneden leidde door een smalle koker met een decompressietank, een soort schutsluis waarin je geleidelijk kon wennen aan de veranderende luchtdruk. Alléén werken was in die ondergrondse ruimte taboe en zes mensen was het maximum.”
Overdag werkten de archeologen bovengronds, in ploegen van ongeveer tien mensen. Pal naast het caisson stond op een stellage in de buitenlucht een grote industriële zeef, in het verlengde van een lopende band. Daarop braakte een pompmachine continu de modder uit, die van onder het caisson werd opgezogen. Die drab zakte door de zeef en erop bleven alle losse voorwerpen liggen: spijkers, scherven, messen, plaatjes, schelpen, noem maar op. De bijzonderste dingen werden meteen al veilig gesteld; de rest verdween in talloze genummerde en gedateerde zakken, voor nader onderzoek in een later stadium. In totaal werden zo ruim 700 vuilniszakken gevuld.
’s Avonds trad de tweede ploeg aan. Hun werk was nog veel zwaarder en absoluut onmisbaar, legt Gawronski uit: “Kijk, bij een gewone opgraving wordt meteen precies opgetekend uit welke grondlaag een bepaalde vondst afkomstig is. Maar dat ging hier niet. Door het geweld waarmee de grond wordt losgespoten, opgezogen en boven op de band gespuugd raakte natuurlijk alles door elkaar. Juist daarom hadden we afgesproken dat als tegen zessen de metrobouwers naar huis waren, wij archeologen op onze beurt naar beneden gingen. Daar brachten we de bodemprofielen die de volgende dag zouden worden weggespoten in kaart en groeven alvast de grotere voorwerpen die we konden vinden op voorzichtig op uit de bodem en de aarden wanden. Zo konden we toch redelijk vaststellen van welke diepte de voorwerpen afkomstig waren die de volgende dat bovengronds zouden worden gepompt, en dus ook bij benadering uit welke periode ze dateerden. Op zeven meter diepte vonden we bijvoorbeeld voorwerpen uit de 17de eeuw, op negen meter uit de 15de en 14de eeuw en weer twee meter dieper kwamen we op het niveau dat de Amstelbodem had in de 13de eeuw, toen Amsterdam zijn eerste bewoners kreeg. Toen het karwei eind november gestaakt werd, zaten we op veertien onder NAP, op een bodemlaag die dateerde van het begin van onze jaartelling. Ook namen we er bodemmonsters: dan schraap je een heel stuk zijwand over een hoogte van 50 cm in een metalen ‘pollenbak’, om later te kunnen onderzoeken wat voor plantenresten, schelpen, steentjes en wieren er allemaal in zitten.’

Stuifmeel en keizelwieren
“Archeologisch onderzoek gaat niet alleen over cultuur, maar ook over natuur,” beklemtoont Jerzy Gawronski. Aan de hand van de aangetroffen kiezelwieren en schelpen of het stuifmeel kan antwoord worden gegeven op vragen als hoe zout en hoe warm in een bepaalde periode en hoe sterk de stroom. Met die gegevens kunnen weer andere vragen worden beantwoord: een scherpe overgang van zout naar zoet water duidt bijvoorbeeld op de bouw van een dam ter plekke. Maar dat onderzoek van de bodemmonsters zal nog wel een hele tijd duren, denkt de stadsarcheoloog.
Daarnaast is de rivierbodem een fantastische verzamelplaats van de meest diverse overblijfselen van het dagelijks leven in vroeger tijd. Sommige dingen komen uit beerputten die in verbinding stonden met de Amstel, andere dingen hebben wandelaars wellicht per ongeluk in het water hebben laten vallen. Soms werd ook de rivieroever opgehoogd met afval van elders in de stad. Daarom is er zo veel uiteenlopend spul te vinden op de bodem van het Damrak, maar om de zelfde reden is het ook moeilijk vast te stellen wie het er heeft achtergelaten en waarom. “Wat we al niet vonden!”, zegt Gawronski. “Veel aardewerk en afgekloven botjes. Maar ook kinderrammelaars en hellebaarden, muntjes en schaakstukken, mantelspelden en moderne mobieltjes! En natuuurlijk veel sporen van de scheepvaart: dissels, hamers, bouten, bootshaken, krammen van scheepswanden, scheepsinstrumenten en dergelijke.”
Een opvallende constatering was dat in de bodemlaag onder die van omstreeks het jaar 1300 het aantal voorwerpen ineens spectaculair afnam. Dat kan komen doordat de IJoever en dus de kop van de Nieuwendijk (toen nog echt de rivierdijk) toen waarschijnlijk nog een stuk zuidelijker lag dan de Nieuwe Brug, die van omstreeks 1360 zal dateren. Maar een andere reden kan zijn dat de Amstelmonding in de 13de eeuw nog zó breed was dat voorwerpen vanaf de oever niet snel terecht kwamen in het midden van de stroom, waar nu de startschacht wordt gebouwd.
Zoals te verwachten was, stuitte men op heel wat restanten van oude versies van die Nieuwe Brug, vooral paalwerk. Daarom was het des te prettiger dat de avondploeg van drie, vier archeologen onder het caisson steeds steeds twee metrobouwers méékreeg. Die hadden onder meer veel werk aan het wegzagen van oude paalfunderingen van de Nieuwe Brug.
Andersom hadden de werklieden die overdag de grond onder het caisson wegspoten altijd gezelschap van één archeologische waarnemer, die spontane vondsten meteen kon determineren en veilig stellen. Die brug had zeker in de Middeleeuwen een militaire functie: ze was in zekere zijn een sluitstuk in de stadswal. “We troffen er dan ook veel wapens aan: zwaarden, dolken, speren, hellebaarden. Maar ik was toch wel verbaasd over de gigantische hoeveelheid messen die we vonden. Je zou bijna denken dat er een messenfabriekje of messenwinkel in de buurt zat, of een depot. Daar weten we nog niet het fijne van.”
In april 2006 zakt het caisson nog dieper: tot 25 meter onder NAP. Sporen van menselijk activiteit zullen niet meer worden aangetroffen, maar wel zal het daarbij plaatsvindende onderzoek ons wellicht wijzer kunnen maken over de alleroudste geschiedenis van de Amstel en het Oer-IJ. Gawronski kan nauwelijks wachten. Mar intussen hoeft hij zich niet te vervelen: die 700 vuilniszakken staren hem verwijtend aan.




Koude Oorlog op het Jonas Daniël Meijerplein
Politieke twisten rond de herdenking van de Februaristaking
Tekst: Annet Mooij

022006_FebruaristakingHeldhaftig, Vastberaden, Barmhartig. Dat deze woorden na de oorlog aan het wapen van Amsterdam zijn toegevoegd, dankt de stad aan de Februaristaking van 1941, een massaal protest van de Amsterdammers tegen de vervolging van hun joodse stadgenoten. Terecht wilde men na de oorlog deze daad in de herinnering bewaren, maar binnen een paar jaar tijd was de jaarlijkse herdenking de inzet geworden van een onverzoenlijke politieke strijd tussen de gemeente en de communisten. De verdeeldheid groeide in de jaren vijftig uit tot Amsterdams eigen Koude Oorlogje op het Jonas Daniël Meijerplein, waar de sfeer door de partijtwisten binnen de CPN nog verder werd verziekt.

Het begon zo mooi. De eerste naoorlogse herdenking, op maandag 25 februari 1946, was een manifestatie die er wezen mocht. Grote winkels en bedrijven in de stad sloten hun deuren en het tramverkeer werd stilgelegd. Lange colonnes werklieden en ex-stakers trokken met vlaggen en spandoeken met hun bedrijfsnamen erop naar het Waterlooplein. Tegen drieën vulde een onafzienbare mensenmenigte het plein en de omliggende straten. Ruim 50.000 mensen waren er gekomen, zo viel er achteraf in de krantenverslagen te lezen. Onder hen bevond zich ook koningin Wilhelmina. Gezeten in haar hofauto, die in de menigte was opgesteld, woonde zij een groot deel van de herdenking bij en hoorde zij, met het raampje opengedraaid, de toespraken aan.
Het was een indrukwekkende bijeenkomst, waarop door de sprekers de eenheid van het voormalig verzet benadrukt werd. Maar dat kon niet verhullen dat er onder de verschillende groepen sterk tegenstrijdige visies leefden op de staking. Het belangrijkste twistpunt betrof de vraag hoe de staking tot stand was gekomen: spontaan of georganiseerd? In de dagen vóór de herdenking ontstonden hierover in de pers al de eerste woordenwisselingen. De niet-communistische kranten, het sociaal-democratische dagblad Het Vrije Volk voorop, schilderden de staking keer op keer af als een spontane daad. Dát was het bijzondere eraan geweest: dat de mensen uit woede over het onrecht zo maar de straat op waren gegaan!
Deze voorstelling van zaken was voor de communisten een diepe belediging, want de staking was wel degelijk voorbereid, en wel door hen. Het waren de communisten geweest die de werkende bevolking hadden opgeroepen de bedrijven plat te leggen na de eerste razzia’s. “De staking was niet spontaan,” schreef partijleider Paul de Groot dan ook in De Waarheid van 19 februari, “zij was georganiseerd door onze partij en onze partij alleen.” En als was het om die communistische exclusiviteit kracht bij te zetten, organiseerde de CPN al twee dagen voor de herdenking, op zaterdag 23 februari, een eigen herdenkingsbijeenkomst in de Centrale Markthallen in de Jan van Galenstraat. Ook hier was de opkomst overweldigend geweest.
Het prestige van de CPN was door haar rol in de oorlog enorm gestegen en daar maakte de partij begrijpelijk genoeg gebruik van door zich flink op haar verzetsverleden te laten voorstaan. “Vooruit! – met de partij van de Februaristaking,” kopte De Waarheid op de dag van de herdenking. De communisten hadden iets om trots op te zijn, maar kennelijk was dat niet genoeg. Naar oud communistisch gebruik zette de partijleiding de geschiedenis door de jaren heen naar haar hand door het communistisch aandeel in de staking, en dan vooral de rol van partijleider De Groot, met alle mogelijke middelen uit te vergroten.
De bijeenkomst op 25 februari zou uitgroeien tot een jaarlijkse traditie, aanvankelijk op het Waterlooplein, vanaf 1950 op het Jonas Daniël Meijerplein, waar destijds de opgepakte joden bijeengedreven werden en waar op 19 december 1952 een monument voor de Februaristaking werd onthuld – de Dokwerker, gemaakt door Mari Andriessen. De sfeer waarin men hier bijeenkwam, werd er in de loop der jaren niet beter op. Het herstel van de oude politieke verhoudingen, de CPN die na een korte periode van openheid weer teruggleed in haar isolement, de verharding in het anti-communistische kamp onder aanvoering van sociaal-democratische diehards, een oplaaiende Koude Oorlog in internationaal verband – het waren stuk voor stuk factoren die de herdenking van de Februaristaking tot een bron van ruzie en conflicten maakten, elk jaar opnieuw.

Partijpolitieke propaganda
De communistische wijze van herdenken behelsde altijd een oproep het fascisme in zijn actuele gedaante te bestrijden. Het zou verraad aan de doden betekenen wanneer hun strijd niet werd voortgezet in de huidige tijd. Daarom moest de herdenking niet gericht zijn op het verleden, maar op het heden en de toekomst. Ze moest opwekken tot protest tegen de naoorlogse Duitse herbewapening, de Indonesiëpolitiek van de Nederlandse regering, het Amerikaanse imperialisme en andere nieuwe vormen van ‘fascisme’.
Bij hun tegenstanders haalde deze gewoonte het bloed onder de nagels vandaan. Zij zagen de verwijzingen naar actuele kwesties als partijpolitieke propaganda en misbruik voor eigen politiek gewin. Het anti-communistische kamp – de sociaal-democraten, de gemeente, de vakbonden – kon zich, anders dan de communisten, niet beroepen op een eigen aandeel in de staking. Dat hadden deze groepen niet gehad. Zij konden wel het communistisch ‘misbruik’ aan de kaak stellen, het communistisch aandeel kleineren en de staking onderdeel maken van de nationale vrijheidsstrijd en de glorie van de stad. Op die manier oversteeg men de concrete bijdrage van deze of gene persoon of groepering en kregen de gemeente en de andere politieke partijen ten aanzien van de erfenis van de staking evenveel recht van spreken als de communisten.
Deze keer was het de beurt van de communisten om tot het uiterste getergd te zijn. Zij zagen in dit optreden de valse toeëigening van iets waar men helemaal geen aanspraak op kon maken, met het oogmerk de communisten te belasteren en er zelf beter van te worden.
Nee, de veel geroemde geest van de Februaristaking werd er in de naoorlogse jaren niet eensgezinder op. In 1950 kwam het zelfs tot een breuk en vonden er voor het eerst twee herdenkingen plaats. Die gewoonte bleef vijftien jaar lang gehandhaafd. ’s Ochtends vroeg vond op 25 februari (vanaf 1953 bij de Dokwerker) een korte bijeenkomst plaats onder leiding van de gemeente en in de namiddag een tweede, veel grotere herdenking, die onder leiding stond van het communistische Herdenkingscomité Februaristaking.
De splitsing betekende niet dat de partijen elkaar vervolgens met rust lieten. De communisten maakten zich vrolijk om het geringe bezoekersaantal bij de gemeentelijke herdenking. “Hun defilé, op het lege plein misprijzend gadegeslagen door honderd en vijftig omstanders, duurde drie minuten,” schamperde De Waarheid in 1952. Nee, dán het tweede defilé, dat om vijf uur ’s middags begon! Dat duurde liefst tweeëneenhalf uur. Tienduizenden personen deden mee aan deze machtige volksdemonstratie tegen fascisme en herbewapening, wat volgens het ‘volksdagblad’ toch wel een “verpletterende nederlaag van de reactie” kon worden genoemd.
Het niet-communistische kamp wond zich er elk jaar over op dat de heilige Februaristaking werd “beduimeld door de vieze vingers van de communisten”. In de grimmigste jaren van de Koude Oorlog werd de jaarlijkse communistische manifestatie in Amsterdam zelfs een twistpunt in de landspolitiek. De voorzitters van zes politieke partijen publiceerden in 1953 daags voor de herdenking gezamenlijk een manifest in de dagbladen. Het herinnerde de bevolking van Amsterdam eraan dat de staking destijds een fel protest was geweest tegen vervolging en antisemitisme; dezelfde misdaden die op dit moment in de communistische wereld aan de orde van de dag waren. “Elk jaar opnieuw trachten de communisten in Nederland (de marionetten van Moskou) uit partijzuchtige overwegingen de herdenking van de Februaristaking te misbruiken voor hun demagogische propaganda”, maar “minder dan ooit hebben de communisten thans, nu hun bevelvoerders in Moskou tot een zelfde vervolging van christenen en joden opzwepen, het recht zich het monopolie van de herdenking der Februaristaking toe te eigenen.”
Een dag voor de herdenking verscheen in De Waarheid een reactie van de hand van Marcus Bakker, destijds de coming man in de partij. Ach ja, schreef Bakker, deze heren beschuldigden nu de communisten van antisemitisme. En waarom? “De herdenking van de strijd tegen de nazi-terreur is hun, de vrienden van de oude en nieuwe nazi’s, een blok aan het been bij de pogingen ons weer onder de nazi’s te brengen.” De echte antisemieten dat zijn zij, die zich nu voordoen als verantwoordelijke leiders van het volk, maar die zelf zwegen in de oorlog en de wijk namen.

Verzoening
De herdenkingen zijn door de jarenlange vete getekend. Maar ondanks de conflicten en het getouwtrek is er nooit een punt achter gezet. Vanaf 1946 tot op heden is de Februaristaking elk jaar herdacht. Vanaf het midden van de jaren zestig gebeurde dat weer gezamenlijk. Toen was de Koude Oorlog voldoende ontdooid en raakten voormalige vijanden weer met elkaar in gesprek. Maar de herdenking blééf in hoge mate politiek gekleurd. In de jaren zeventig en tachtig stond ze volledig ten dienste van de brede linkse actie-agenda. De bijeenkomsten op 25 februari waren ieder jaar opnieuw aanleiding om tegen het bezuinigingsbeleid, de atoombewapening, en tal van andere politieke misstanden te protesteren en om solidariteit te betuigen met de slachtoffers van onderdrukking en vervolging, discriminatie en racisme, waar ook ter wereld.
Pas na de val van het communisme werd de definitieve verzoening mogelijk. Vijftig jaar na dato, in 1991, werd die bezegeld met een gezamenlijke oproep van het herdenkingscomité en de gemeente Amsterdam. Alle politieke partijen steunen sindsdien de oproep en geven acte de présence op de herdenking. Tegenwoordig ligt de inzet van de herdenking voor alle betrokken partijen in thema’s als antisemitisme en rassenwaan, democratie en mensenrechten, verdraagzaamheid en solidariteit – grote thema’s dus, die hoog boven het partijpolitieke gekrakeel uittorenen.
De neiging om te actualiseren en ‘lessen’ te trekken uit de Februaristaking, en uit het verleden in het algemeen, raakte intussen wijdverbreid. Het is gemeengoed geworden om de betekenis van de staking te verpakken als een boodschap voor het heden en een vermaning voor de toekomst. Die van oorsprong communistische herdenkingstraditie kan in dit opzicht als de grote winnaar worden uitgeroepen.




Een vergeten ster uit de Gouden Eeuw
Amsterdams eerste toneelspeelster: Ariana Nozeman
Tekst: Malou Nozeman

022006_NozemanDe Ariana Nozemanstraat is een weinig opmerkelijke straat in Slotervaart en maar weinig mensen kennen de vrouw naar wie de straat is vernoemd. Toch was Ariana Nozeman in haar tijd spraakmakend. Ze was de eerste vrouw die als toneelspeelster optrad in de Amsterdamse schouwburg. Tot haar debuut in 1655 was het toneel exclusief het domein van mannen, die ook – in travestie – alle vrouwenrollen speelden. Wie was deze actrice? Een zoektocht naar een baanbrekende maar reeds lang vergeten ster.

De eerste uit steen opgetrokken schouwburg van de Republiek op de Amsterdamse Keizersgracht werd op 26 december 1638 ingewijd met Vondels Gijsbrecht van Amstel. Daarin speelde een acteur in travestie de rol van Badeloch, de vrouw van Gijsbrecht. Rembrandt, die bij de repetities aanwezig was, maakte er een schets van. Zodoende weten we hoe deze man ten tonele verscheen: hij droeg een wonderlijke bonthoed op het hoofd en de kaak is – voor de rol van Badeloch - erg fors uitgevallen. De kin vertoonde nog net geen baardstoppels, maar het kwam voor dat de vrouwvertoner – zo werd de acteur genoemd die vrouwenrollen speelde – nog snel geschoren moest worden bij aanvang van de voorstelling. Echte vrouwen kwamen er destijds in de schouwburg niet aan te pas.
Ariana Nozeman wist als eerste tot deze mannenwereld door te dringen. Ik hoorde voor het eerst over haar op de middelbare school. Mijn lerares Nederlands keek verrast toen ik mijn achternaam zei. Was ik soms familie van de beroemde toneelspeelster, vroeg ze. Ik wist het niet, maar wel was ik meteen geïntrigeerd. Een 17de-eeuwse actrice en ik: naamgenoten, mogelijk zelfs verre familie. Wie was deze vrouw, die 350 jaar eerder dan ik in deze stad had geleefd?
Op 30 juni 1655 verscheen de naam Ariana Nozeman voor het eerst in de rekeningen van de schouwburg. De actrice ontving ƒ 76,50 ‘met kleren’, voor zeventien optredens, omgerekend ƒ 4,50 per keer. Een betrekkelijk hoge gage. Haar man, de toneelspeler en komediant Gillis Nozeman, kreeg ‘maar’ ƒ 3. Dat zegt iets over haar talent, want vrouwen verdienden in die tijd meestal maar de helft van wat mannen kregen. Maar ze bracht ook haar eigen kostuums in: een kostbaar bezit in de toneelwereld. Slechts twee acteurs verdienden meer dan zij: de topacteur Adam Karel van Germez en de komiek Jan Meerhuyzen.
Het eerste professionele theater waar Ariana Nozeman furore maakte, was amper twintig jaar voor haar debuut verrezen op de Keizersgracht. Daar, op nummer 384, staat nu nog de toegangspoort met Griekse kolommen, maar dat is ook meteen alles wat er nog rest van de schouwburg. Het achterliggende theater ging in 1772 in vlammen op. De 17de-eeuwse poort geeft nu toegang tot de binnenplaats van hotel The Dylan. Tijdens de bouw van de schouwburg was de stad in de ban van een ongekende groei en welvaart. Amsterdam was in de 17de eeuw een machtige, zelfbewuste stad. In 1655, het jaar van Ariana’s debuut, werd ook het nieuwe stadhuis op de Dam ingewijd. De stad was het centrum van een handelsimperium dat de halve aardbol bestreek. De Verenigde Oostindische Compagnie en de Westindische Compagnie zetelden er. De economische bloei en het tolerante klimaat trokken massa’s vreemdelingen. Onder de immigranten waren de toneelschrijver Joost van den Vondel, die met zijn ouders uit Keulen kwam, en Rembrandt, het schildersgenie dat Leiden voor Amsterdam verruilde. De bevolking van de stad verdubbelde in een eeuw tijd van 100.000 inwoners naar 200.000. Na Londen en Parijs was Amsterdam de derde metropool in de westerse wereld. De bouw van de schouwburg was derhalve ook een kwestie van prestige.
Twee keer per week waren er voorstellingen: op maandag en donderdag. Tijdens de kermis in de maand september vrijwel dagelijks. De schouwburg was een winstgevend bedrijf. Er waren jaren dat er ƒ 10.000 overbleef voor de liefdadigheid. De opbrengst ging naar het Burgerweeshuis, dat eigenaar was van de schouwburg, en naar het Oudemannenhuis. Zo was dat in die dagen in Amsterdam geregeld. Het stadsbestuur had, gezien de financiering van de armenzorg, dus ook belang bij een bloeiend toneelleven.
De schouwburg trok niet het elitaire uitgaanspubliek; echt iedereen ging naar het toneel. Amsterdam had geen hof, zoals Den Haag, en geen adel. Natuurlijk werden de voorstellingen bezocht door de notabelen van de stad, maar ook door de gewone Amsterdammers die zin hadden in een middag of avond onbezorgd vermaak. Als de schouwburg vol was, verdrongen zich een kleine 1000 bezoekers in het gebouw. Er waren drie rangen: de huiskens of loges, in twee verdiepingen boven elkaar voor het deftige publiek (de rijke kooplui, de vroedschap en de schouwburgregenten), daarboven een oplopende tribune met banken voor de burgerij, en in de zaal waren staanplaatsen voor het gewone volk.
Vergeleken met nu, gedroeg het publiek zich in die dagen behoorlijk ongedwongen en luidruchtig. De schouwburg had eigenlijk meer weg van een herberg. Er werd pijp gerookt, bier gedronken, gevrijd, met fruitschillen en notendoppen naar elkaar gegooid. De toeschouwers leefden hartstochtelijk mee met de voorstelling en reageerden daar ook spontaan op. Er werd in de zaal gelachen, gehuild, geschreeuwd en zelfs gevochten – bijvoorbeeld als er een zakkenroller onder de bezoekers was betrapt.

Een wilde meid
Aan luidruchtig publiek was Ariana al jong gewend. Ze stond vermoedelijk als kind al op de planken. Haar vader, Adriaan van den Bergh, had een eigen rondtrekkend gezelschap waarmee hij door het land trok. Op kermissen waar dergelijke groepen optraden, waren dikwijls meisjes als koorddanseres of acrobate te zien. Het was in reizende gezelschappen heel gewoon dat de vrouwen en kinderen van de komedianten meespeelden.
Ariana van den Bergh werd geboren in het Zeeuwse Middelburg. Haar precieze geboortedatum is niet bekend, omdat het Zeeuws archief in de Tweede Wereldoorlog grotendeels is verbrand. Naar alle waarschijnlijkheid is het ergens tussen 1627 en 1630 geweest. Ze moet in haar jeugd een wilde meid zijn geweest. Een beschrijving uit die tijd van een anonieme dichter en ex-minnaar luidt zo: “Van den Berghs Adriaantje, die ’k zo vaakmaal heb gestreeld, als ik in haar minnebaantje, heb het minnespel gespeelt. Ze is nu bij geen vreemde klanten, maar bij zulke daar ze hoort, en dat zijn comedianten, daar ze vaak van is geboort.” Wie weet was het 17de-eeuwse roddel of gewoon opschepperij. Hoe het ook zij, uiteindelijk liet Ariana haar oog vallen op de jonge talentvolle acteur Gillis Nozeman, ex-toneelspeler bij de Amsterdamse schouwburg en schrijver van populaire kluchten. Het stel ging in 1649 in ondertrouw voor de gereformeerde kerk in het Duitse Altona, vlak bij Hamburg.
Ongetwijfeld was het het werk dat hen in die streek had doen belanden. Vele rondreizende Hollandse toneelspelers gingen in de 17de eeuw onder meer de kooplui achterna. En de handel speelde zich in sterke mate af rond de Oostzee, waar Hollandse schepen graan en hout vandaan haalden. Het echtpaar Nozeman had zich aangesloten bij een groep die zich de ‘Aartshertogelijke comedianten’ noemde, naar hun beschermheer, de Brusselse landvoogd Leopold Willem, die in dienst was van de Spaanse koning. Op hun tournees langs kermissen en vorstenhoven in Duitsland en Scandinavië voerden ze Hollandse stukken op. De taal was geen probleem. Waarschijnlijk omdat het Nederlands zo op het Plat-Duits lijkt, werd het in het noorden van Duitsland redelijk verstaan. Ook de kunstzinnige koningin Christina van Zweden had Nederlands geleerd, maar de Hollandse ‘comedianten’ bevielen haar volgens een hoveling maar matig.
De ongeveer 25-jarige Ariana Nozeman was dus een ervaren speelster toen ze in 1655 wegens het vertrek van zes acteurs bij de schouwburg werd aangenomen. Haar optreden moet een sensatie zijn geweest. Voor het eerst speelde een vrouw, en niet een man, grote dramatische vrouwenrollen. Incidenteel traden er weliswaar al eerder vrouwen op in de schouwburg - bijvoorbeeld als zangeressen in Vondels Gijsbrecht - maar deze vrouwen werden in de rekeningen van de schouwburg niet bij naam genoemd of ze hadden een kleine rol die weinig acteertalent behoefde.
Haar debuut maakte de jonge actrice op 19 april 1655 in het treurspel Onvergelijkelijke Ariane, geschreven in 1644 door de boekverkoper en toneelschrijver Jan Jacobus Schipper. Haar optreden viel zo in de smaak, dat de schouwburg al snel nog twee vrouwelijke speelsters engageerde. De jongere Susanna Eekhout, die vooral verliefde jongedames speelde, en Lijsbeth Kalbergen, die vaak in kluchten en balletten optrad. Beiden waren met toneelartiesten getrouwd. Hun gages en speeldagen bleven echter achter bij die van Ariana Nozeman.

Roemloos einde
Het leek er even op dat de carrière van Ariana Nozeman in de kiem zou worden gesmoord toen kort na haar debuut de pest uitbrak in Amsterdam. Op last van het stadsbestuur moest de schouwburg sluiten. De epidemie maakte in korte tijd 16.000 slachtoffers. Het echtpaar Nozeman trok zich terug in hun herberg De Kameel op het Singel en wijdde zich aan hun gezin, dat inmiddels twee kinderen telde: een dochtertje en een zoontje. Het meisje Maria zou in haar moeders voetsporen treden en ook toneelspeelster worden.
Na de pestepidemie speelde Ariana nog vele rollen en ze zou haar carrière bij de Amsterdamse schouwburg nog zes jaar voortzetten. In het Amsterdams Gemeentearchief is de rolverdeling over het seizoen 1658-59 bewaard gebleven. Daaruit blijkt dat ze 50 verschillende rollen vertolkte. Ze moet over een fabelachtig geheugen hebben beschikt, want lezen kon ze vermoedelijk maar mondjesmaat. En schrijven nog minder. Een notariële akte ondertekende ze in 1660 alleen met haar initialen: A.N. Ze speelde vooral dramatische rollen: Badeloch in Vondels Gijsbrecht, de herderin Aspasia in Cirus en Aspasia van Jacob Cats, Chimene in de Cid naar Corneille. Maar ook trad ze op in Hoofts Granida, dat wel de eerste Hollandse classicistische opera is genoemd. Tussen de grotere rollen door danste ze ballet, zoals in de Juffren Dans. Daarmee liep de Amsterdamse schouwburg voor op de Parijse Opéra, waar pas een kwart eeuw later vrouwen dansend optraden. Een enkele keer was ze ook in een klucht te zien, zoals in Lichte Klaartje van haar man Gillis.
Het doek viel voor Ariana Nozeman in 1661. Op 7 december van dat jaar kwam aan haar kleurige en bewogen leven een einde. Drie maanden daarvoor was haar zoontje Mathijs gestorven. Wellicht stierf ze van verdriet, maar dat ze beiden slachtoffer werden van de zoveelste pestepidemie valt niet uit te sluiten. Hoe het ook zij, het leven van Amsterdams eerste actrice eindigde tamelijk roemloos. Als ‘huysvrouw’ werd ze in de Oude Kerk in Amsterdam begraven. Haar man betaalde voor de begrafenis ƒ 10,25. Wel was haar dood kennelijk zo’n groot verlies voor de schouwburg, dat ter vervanging meteen vier nieuwe toneelspeelsters werden geëngageerd.
Als laat eerbetoon kreeg de actrice in 1955 een eigen straat in Amsterdam: de Ariana Nozemanstraat in Slotervaart/Overtoomse Veld.




Van autosloper tot vastgoedtycoon
Amsterdamse ondernemer Maup Caransa
Tekst: Wim Pelt

022006_CaransaMaup Caransa, decennialang Amsterdams bekendste multimiljonair, bezit nog steeds driekwart van het Rembrandtplein. Elders in de stad kocht en verkocht hij prestigieuze vastgoedobjecten als het Amstel Hotel, Américain en het Lido. Het gangsterklimaat in de vastgoedwereld nekte hem echter.

In de nacht van 28 oktober 1977 ondervond Maup Caransa de keerzijde van alle glamour. Voor de deur van het Amstel Hotel werd hij ontvoerd. Vijf dagen werd hij vastgehouden. Hoe de ontvoering in zijn werk ging, wie eraan meededen, het heeft allemaal in De Telegraaf gestaan. Nooit echter is er ook maar iemand voor verhoord, laat staan gearresteerd. Waarom niet?
Bij de kidnap zouden maffiaconnecties betrokken zijn geweest en wat de maffia doet met mensen die hun mond voorbijpraten, wist de Amsterdamse onderwereld toen alleen nog maar van het witte doek of de tv. Niemand werd berecht, maar twee van de Nederlandse ontvoerders werden geliquideerd en de Italiaanse handlangers kregen in Italië lange gevangenisstraffen voor andere vergrijpen. De affaire kostte Maup ƒ 10 miljoen. Van dit losgeld zag hij geen cent terug. Weliswaar doken overal Caransa-duizendjes op, maar omdat die in handen van derden waren overgegaan waren ze niet meer opvorderbaar. Caransa deed zelf mee aan het onderzoek, onder andere door commissaris Torenaar geld te lenen voor een deal met vermeende ontvoerders. Samen met Torenaar bezocht hij zelfs een met losgeld gepakte maffioso in een Amerikaanse gevangenis.
Alles tevergeefs. Al kwam hij deze klap financieel te boven – vermoedelijk is Caransa nu rijker dan ooit – de psychische schade moet aanzienlijk zijn geweest, want nadat het mediageweld was uitgewoed trok hij zich meer en meer terug uit het openbare leven.

Autosloop
Maup leek niet bepaald voor het succes in de wieg gelegd. Op 15 januari 1916 werd hij geboren in een Portugees-joods gezin ‘driehoog-achter’ in de Utrechtsedwarsstraat. Zijn vader verdiende als kolensjouwer niet genoeg om Maup, diens drie broers en zus aan het eten te houden. Met zijn broers hakte Maup aanmaakhout waarmee ze langs de deuren leurden. Op zijn twaalfde duwde hij vaders kolenkar. Hij was hulpje bij de kruidenier, verkocht bloemen bij het Centraal Station, werd loopjongen bij het persagentschap Vaz Diaz en pakte alles aan waarmee een stuiver te verdienen viel. Hij leerde het vak van loodgieter en kluste in de avonduren bij met het aanleggen van bierleidingen in cafés.
In 1935 leek voor de familie Caransa het tij te keren: vader won met enkele anderen de 100.000 in de Staatsloterij. Elk kind kreeg ƒ 500. Maup reed met zijn Harley Davidson naar Parijs. Zes weken later had hij ƒ 850 opgemaakt. Via het Nederlandse consulaat kon hij terug naar Amsterdam. Vader mocht zoonlief op het politiebureau afhalen, waarbij eerst nog de schulden moesten worden betaald. Thuis kreeg hij een flink pak slaag. Daarop verliet hij het ouderlijk huis.
Van alle handel waarmee Maup de kost verdiende, was de autosloop de meest constante bezigheid. Eind jaren dertig werkte hij als monteur bij Ford. Onmiddellijk na de Duitse inval nam hij ontslag en begon een eigen autosloperij in de Foeliedwarsstraat. Een ongelukkiger moment had hij niet kunnen kiezen, want de handel in automaterialen lag weldra vrijwel stil.
Nog in het eerste bezettingsjaar ‘moest’ hij trouwen met Rika Heysteeg, een katholiek meisje dat als hulp in de huishouding werkte. Zijn joodse afkomst leek nauwelijks nog betekenis te hebben, naar de synagoge ging hij nooit, maar hij nam wel deel aan de gevechten rond het Rembrandtplein en het Waterlooplein tegen het WA-gespuis dat joden aftuigde. Toen Maup op 22 februari 1941 naar huis wilde, vond hij de straat afgezet en was hij getuige van de eerste razzia. Zijn broer Joël, die naast hem woonde, was een van de slachtoffers. Uiteindelijk werd de hele familie Caransa weggevoerd, behalve zijn zus die wist onder te duiken. Toen zijn ouders in Westerbork zaten heeft ook Maup zich gemeld. Hij hoopte daar nog iets voor zijn ouders te kunnen betekenen. Een week heeft hij met zijn vader en moeder in Westerbork gezeten voordat zij op transport werden gesteld. Daarna heeft hij als gemengd gehuwde gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich te laten steriliseren. Zo werd je ‘ontsterd’ en kwam je vrij.
Maup scharrelde in gebruikte autobanden en onderdelen. Na de oorlog begon hij een autosloperij op een open terrein aan de Houtkopersdwarsstraat. Daaruit groeide een garage in tweedehandsauto’s met een benzinepomp aan het Waterlooplein. Via de autobanden kwam Caransa in de gedumpte legervoertuigen terecht. Het gerucht ging dat hij legertrucks aan Egypte had geleverd. Dat heeft hij altijd heftig ontkend, wel bazuinde hij overal rond 240 legertrucks aan Israël te hebben geleverd. Hij was trots op zijn intensieve contacten met Israël. Begin jaren zestig vestigde hij ook een onroerendgoedmaatschappij in Tel Aviv. Caransa liet zich erop voorstaan gul te geven voor goede doelen en daarbij speelde zijn achtergrond ook een rol. Zo gaf hij een flinke bijdrage voor de restauratie van de Portugese synagoge in Amsterdam.

Deurwaarders
In 1948 had Maup zijn eerste huisje gekocht in de Kleine Kattenburgerstraat voor ƒ 1000 om het na een paar maanden met ƒ 300 winst te verkopen. Onroerend goed bood hem de mogelijkheid tot het verkrijgen van handelsgeld, want vanwege de lage onroerendgoedprijzen werd meer dan 100% hypotheek gegeven. Iemand die zaken deed in de autosloop of de dump, kreeg niet zo gemakkelijk een lening van de bank. Doordat de gemeente hem in 1957 een stuk kade van het Gemeentelijk Handels Entrepot op de Cruquiusweg in erfpacht gunde, werd Maup plotsklaps een stuk kredietwaardiger. Grotere zaken kon hij nu aanpakken, zoals een flottielje van negen mijnenvegers waarvan hij de scheepsmotoren verkocht aan de zandzuigerij. Hij bereisde heel West-Europa voor zijn handel, liet legervoertuigen uit Afrika halen en had klanten tot in het Verre Oosten toe.
Toen de dumphandel over zijn hoogtepunt heen was, ging Maup zich op vastgoed concentreren. Hij had veel rond het Waterlooplein gekocht, ook uitgewoonde percelen en krotten. De gemeente nam zijn bezittingen grotendeels over. Caransa’s winst was overigens niet zo gigantisch als iedereen beweerde, al wist hij zijn locaties slim te kiezen. Zo bezat hij opeens grond in Weesperkarspel, waar de Bijlmer moest worden gebouwd. Dat kwam Amsterdam misschien niet ongelegen, want het gemeentebestuur was nog met Den Haag in de slag om de Bijlmer en het haastte zich om de grond te verwerven.
Langzamerhand was Maup Caransa ook voor de gemeente een respectabele zakenpartner geworden. Dat was een hele ommekeer: tot eind jaren vijftig had Maup het steeds met de gemeente aan de stok. Hij werd achtervolgd door deurwaarders, nu eens omdat hij weigerde gemeentelijke belastingen te betalen, dan weer omdat hij zonder vergunning een garagebedrijf runde. Nadat Maup in 1964 het Doelen Hotel had gekocht, mocht hij aanschuiven bij de notabelen van de stad. Hij heropende het duur gerestaureerde hotel met een groots banket waar de chic van Amsterdam aanzat. Tegen een verslaggever zei Maup: “Ik doe tegenwoordig zaken met mensen bij wie ik vroeger als jongetje niet eens op de deurmat mocht staan.”
Binnen niet al te lange tijd verhuisde hij naar een kantoor met meer standing: tot begin jaren zestig zat Caransa in de Muiderstraat vlak bij het Waterlooplein, vanaf 1966 bestierde hij zijn groeiend imperium vanuit het deftige patriciërshuis op Herengracht 579.
Er zijn vaak boude beweringen gedaan over Caransa’s contacten op het stadhuis, over ambtenaren die hem van gouden tips zouden hebben voorzien. Vaststaat dat de gemeente Amsterdam hem ook wel eens heeft gedupeerd. Neem nu het Caransa Hotel, dat van het Rembrandtplein tot de Amstel had moeten doorlopen. De bouwvergunning was Caransa mondeling toegezegd, maar er was over het hoofd gezien dat daarvoor twee monumenten aan de Amstel moesten worden gesloopt. Daarvoor was toestemming van het ministerie nodig en die werd niet verleend. Verder dan halverwege de Bakkerstraat – de eerste bouwfase – is het hotel nooit gekomen. De inmiddels verdwenen winkelgalerij naast het Caransa Hotel, in het voormalige café-restaurant De Kroon, werd om andere redenen een mislukking. In de galerij nestelde zich de eerste generatie junks en heroïnehoeren en was alles behalve een chique gelegenheid met kwaliteitswinkels.
Geen tegenslag echter kon Caransa’s opmars stuiten. In de Jodenbreestraat verrees vanaf de hoek van de Rapenburgerstraat een enorm kantoorgebouw van zes verdiepingen dat in de volksmond algauw het Maupoleum werd genoemd, omdat Caransa zich had gepresenteerd als de projectontwikkelaar. Het architectonisch monstrum, waarin onder meer de universiteit ruimte huurde, is inmiddels gesloopt. Overal in de stad verwierf Maup blokken woningen en winkels, van de Nieuwezijds Voorburgwal tot en met de Kalverstraat. Hij deed in halve en hele straten. Amsterdam leek voor hem één groot monopolyspel. Tijdens de heftige ‘stadsoorlog’ tussen krakers en vastgoedspeculanten wist Maup vrijwel buiten de rellen te blijven, al ondervond hij wel hinder van het afblazen van projecten doordat de gemeente op het laatste moment zwichtte voor tegenstand. In maart 1977 verkocht hij plotseling zijn hele woningenbezit in Amsterdam aan Fagel en Van der Sluis. Zelf was hij in Vinkeveen gaan wonen, aan de roemruchte Baambrugse Zuwe. Zijn kantoor verhuisde naar de Jan van Eyckstraat, met de rug naar het Hilton Hotel.
Sinds de jaren tachtig ontwikkelde Caransa vooral projecten buiten Amsterdam, van woningbouw in Vinkeveen tot een schoenendistributiecentrum in Nieuwegein. Hij bouwde hotels en complete vakantiedorpen in Frankrijk, Spanje, Curaçao, Israël, de Verenigde Staten en waar al niet.

Gangsters als zakenpartners
In Amsterdam werkte Maup veel samen met de onroerendgoedmagnaat Jaap Kroonenberg en Maurits de Vries – beter bekend als Zwarte Joop – bij de exploitatie van gokhuizen. Nadat diens sekshuis Casa Rosso in vlammen was opgegaan, huurde Zwarte Joop van Caransa de Pink Elephant, Het Luifeltje en De Kroon op het Rembrandtplein. Bij het verhuren van horecagelegenheden was Caransa wel vaker weinig kieskeurig. Zo verpachtte hij aan de beruchte Gerrit van Driel Vis de nachtclubs Femina en Sociëteit Het Plein op het Rembrandtplein. Invallen door de politie leidden tot rechtszaken wegens overtreding van de wet op de kansspelen, waarbij ook Caransa in het beklaagdenbankje terechtkwam. Hij werd wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken.
Vanaf 1983 was Caransa in een langdurige strijd verwikkeld om het Bouwes Hotel te Zandvoort, waarin Holland Casino was gevestigd. De strijd speelde zich niet alleen af voor de rechtbank; beschuldigingen van oplichting, bedreigingen en zelfs aanslagen vlogen over en weer. De vastgoedspeculant Bertus Lüske slaagde erin de exploitatie over te nemen voor ƒ 1. Tegen Lüske heeft Caransa vijftien jaar geprocedeerd.
De zaken op het Rembrandtplein liepen sinds de jaren tachtig voorspoediger. In het voormalige Rembrandtpleintheater begonnen de gebroeders Poppe de discotheek Escape. Zij verbouwden De Kroon tot grandcafé. De gemeente stak geld in de bovenverdiepingen, die 25 jaar leeg hadden gestaan, voor de studio’s van lokale radio en tv. Tegenwoordig zit de omstreden horecamagnaat Sjoerd Kooistra op de begane grond van De Kroon tot en met het Caransa Hotel. Caransa’s laatste geruchtmakende project in Amsterdam was Planet Hollywood in de voormalige Cineac in de Reguliersbreestraat. Even leek iets van de glamour van weleer te herleven, maar de sterren schitterden er slechts kort.
Een zaak die Maup vermoedelijk deed besluiten om te zien naar rustiger beleggingen, was de verkoop van de speelautomatenhal in de Reguliersbreestraat. Het beruchte duo Sem Klepper en Johnny Mieremet huurde het pand van Caransa. Na enkele jaren een exorbitante huur te hebben betaald wilden zij het pand kopen, maar zij vonden de vraagprijs te hoog. Zij lieten Maup weten dat een van zijn kleinzoons zou worden geliquideerd als hij de prijs niet liet zakken. Daarop boog de oude vastgoedtycoon het hoofd, hij verkocht het pand voor de helft van de waarde en verleende ook nog een flinke hypotheek. Een van de andere financiers was Willem Endstra.
Tegen de hardheid van dit soort gangsters was Maup niet meer opgewassen. Hij heeft zich teruggetrokken uit het openbare leven en slijt zijn laatste jaren in zijn kantoor in de Jan van Eyckstraat, waar de zaak meer en meer wordt bestierd door zijn kleinzoons.




De twee werelden van Wyers
Van vitragehandel tot Amsterdams grootste kraakcomplex
Tekst: Carolus van Doornen

022006_WyersDe kop van de Nieuwezijds Voorburgwal, waar nu een Crowne Plaza hotel staat, werd generaties lang gedomineerd door de talrijke panden van Wyers, groothandelaar in woningtextiel. Zo’n 25 jaar geleden was de naam Wyers gedurende enkele jaren bekend als grootste kraakcomplex van Amsterdam. De krakersleus “Wyers wijkt niet” was echter tevergeefs. Twee gedaanten van Wyers in beeld gebracht: die van de vitrages en linoleumrollen én die van hemelbestormende plannen en gasbetonblokken.

De gevelrij die de firma Wyers aan de Nieuwezijds Voorburgwal in gebruik had, strekte zich uit over een lengte van wel 100 meter, vanaf de hoek met de Nieuwendijk tot voorbij de Nieuwezijds Armsteeg. Het complex vormde een allegaartje van panden waar op pui en daklijst de firmanaam Wyers te lezen was in bronzen letters, in verschillende vormen en formaten.1 Ook een reeks panden op de Nieuwendijk hoorde erbij, zodat het complex de vorm van een driehoek had en een totale vloeroppervlakte had van ruim 16.000 vierkante meter, meer dan drie voetbalvelden.
Tot de demping in 1884 was de Nieuwezijds Voorburgwal een gracht, waarlangs markten gedreven werden. Vanaf het begin van de 20ste eeuw werd het een drukke straat en een van de voornaamste locaties waar cityvorming plaatsvond. Er verrezen veel hoge kantoorgebouwen, onder andere die van de landelijke dag- en weekbladen. Ook drukkerijen, advertentiebureaus en het hoofdpostkantoor werden er gevestigd. Aan de kop van deze straat, dicht bij het Centraal Station, was het bodecentrum te vinden, waar de vrachtauto’s van expeditiemaatschappijen af en aan reden. In 1880 vestigde zich daar ook een filiaal van Wyers, aanvankelijk in een aantal pakhuizen aan de verderop gelegen Droogbak.
De Amsterdamse vestiging betekende een uitbreiding van de firma Wyers, die in 1797 in Dordrecht was gesticht door een uit Limburg afkomstige, katholieke familie. De winkel in wollen, linnen en katoenen manufacturen had veel schippers als klant. Baai, beddentijk, biljartlaken, kaasdoek, molton, saai en vlaggendoek behoorden tot het assortiment. Het bedrijf deed goede zaken en, mede dankzij het verkooprecht van het nieuwe linoleum (een vinding uit 1860), steeg de omzet snel en de firma breidde gestaag uit. Begin 20ste eeuw werden de magazijnen verplaatst naar de Nieuwezijds Voorburgwal. Toen verscheen ook het trotse, metershoge hekwerk met de firmanaam J.P. Wyers op het dak. Het hoofdkantoor werd naar Amsterdam overgebracht en in 1919 gehuisvest in een ontwerp van architect J.A. van Straaten jr., die eerder De Bijenkorf ontwierp. De uitbreidingen waren hiermee nog niet ten einde. Sloop van pakhuizen volgde voor de bouw van een strakke gevelwand in donkere baksteen met stalen sponningen, een variant van de Nieuwe Zakelijkheid, vermoedelijk naar ontwerp van J.F. Berghoef.
De links daarvan gelegen panden op nummer 3 en 5, vanwege hun formaat het Lagerhuis en het Hogerhuis genoemd, bleven behouden. De aangrenzende Brouwerssteeg werd in 1940 in zijn geheel door Wyers gekocht van de gemeente en vervolgens volgebouwd. De jaarlijkse Stille Omgang, die altijd door de steeg had gevoerd, moest daardoor een andere route volgen. De in het verlengde liggende steeg Ramskooi was al doodlopend sinds de bouw van het kantoorgebouw van de Hollandsche Lloyd op de hoek Prins Hendrikkade-Martelaarsgracht.
De Nieuwezijds Voorburgwal werd in de jaren zeventig een problematische vestigingsplek voor de bedrijven die er in de decennia ervoor juist meenden bereikbaar en centraal te zitten. De ene firma na de andere vertrok omdat de verkeersdrukte te groot werd en de grondprijzen exorbitant waren gestegen. In 1979 verliet ook Wyers de binnenstad. Na bijna 100 jaar aan de Nieuwezijds te hebben geopereerd, verhuisde de firma naar de Archangelkade en het industrieterrein in Diemen.

‘Ik waak’
De Wyers-panden kwamen in handen van de Bouw- en Exploitatiemaatschappij ‘Ik waak’, een eigen dochteronderneming. Deze sloot een voorlopig koopcontract met de Hollandsche Beton Maatschappij (HBM), die bij de gemeente een vergunning aanvroeg om hier een hotel te bouwen. De toestemming werd verleend en in 1981 maakte architectenbureau G. de Klerk (geen familie van Amsterdamse Schoolarchitect Michel de Klerk) een ontwerp voor een hotel van Holiday Inn. Dit bureau tekende ook voor het Marriott hotel op de Stadhouderskade (1975), het Sonesta hotel aan het Hekelveld (1975), Rokin Plaza (1983) en het World Trade Center op de Strawinskylaan (1985).
Het vertrek van Wyers en de plannen voor nieuwbouw waren bij de kraakbeweging – in die jaren actiever dan ooit - natuurlijk niet onopgemerkt gebleven. Het verderop gelegen Handelsbladgebouw werd in 1980 onder druk van geweld tijdens de kroning van Beatrix door de gemeente aangekocht en die transactie leidde tot heftige discussies binnen de kraakbeweging. Er was onenigheid over de koers en een tijdlang domineerde de stroming die koos voor geweld en rellen. De krakers van Wyers waren voor een open strategie van plannen maken, dialoog met de gemeente en alternatieven bieden. Ze wilden met kleine bedrijfjes en cursussen in het complex de werkloosheid en apathie te lijf. Ze waren hierin niet uniek of trendsettend, maar wel spraakmakend.
Bij de kraak, in de herfst van 1981, treffen de krakers een bijna beangstigend groot doolhof van lege, stoffige ruimten aan. Uithoeken blijken nog gevuld met oude bedrijfsvoorraden of achtergelaten stapels papier. Kaststellingen, kantoorwandjes en meubilair komen bij de eerste provisorische inrichting van pas. In de grote bedrijfsruimten moeten kamers en keukens met elektra en toiletten worden ingericht. Na de euforie volgt een bitterkoude winter die het aantal krakers en hun idealen bijna decimeert.
De daarop volgende zomer brengt een andere beproeving met zich mee. De ligging op een steenworp vanaf het Centraal Station, brengt een vloed aan rugzaktoeristen naar het kraakpand. Door de onoverzichtelijke in- en uitloop van steeds weer andere jongeren is het pand van iedereen en niemand tegelijk, en er dreigt een onbeheersbare situatie. Tijd om in te grijpen. De bewoners besluiten tot een regelmatige huisvergadering om meer contact met elkaar te onderhouden; er komen ook sleutel- en slotcontroles en zelfs ontruimingen (!) blijven niet uit.

Luchtfietserij of trendbreuk?
Intussen blijkt het verblijf van de krakers in het complex steeds moeilijker te verkopen, zeker aan de eigenaar en de gemeente, die willen dat de bouw van het geplande hotel en een parkeergarage gaat beginnen. Feitelijk wordt in hartje centrum een oppervlakte van 16.000 vierkante meter bewoond – uitgewoond, volgens sommigen – door dertig tot vijftig veelal werkloze jongelui. De krakers van Wyers stellen daarop voor een plek te gaan bieden voor alternatieve werkgelegenheid. Niks ‘No Future’, wonen én werken wordt het devies. Er is immers ruimte genoeg voor een avondwinkel, een kroeg, kunstenaarsateliers en oefenruimtes voor bands. Op een in mei 1983 georganiseerd woon-werkcongres gaan de deuren open en worden de plannen in workshops ontvouwd. De voormalige linoleumwerkplaats moet een skatebaan worden, achter een kantoorwandje komt een crèche en een vochtige kelder zal plaats bieden aan een champignonkwekerij. Brochures en pamfletten begeleiden met verve de goedbedoelde plannenmakerij. Luchtfietserij in het kwadraat? Of broedplaatsenbeleid avant la lettre?
De gemeente is echter onverbiddelijk en wil de hotelplannen niet heroverwegen. In de zomer van 1983 besluit de raad dat het complex gesloopt mag worden. Als alternatief worden pakhuispanden aan het Entrepotdok aangeboden, maar de krakers zijn verknocht geraakt aan ‘hun’ Wyers en wijzen dit resoluut af. Achteraf gezien hebben ze op dat moment een mooie kans laten glippen. Ze bijten zich vast in hun plannen en houden prikacties, schrijven huis-aan-huiskranten vol en gooien zich strijdvaardig in menige discussie. Tot aan het onafwendbare einde blijven de Wyerianen en zielsverwanten aan de weg timmeren, tegen beter weten in.
De leus “Wyers In, Holiday Out” kon op de peperdure toplocatie niet worden bewaarheid. Op 14 februari 1984 vond de door burgemeester Ed van Thijn van tevoren aangekondigde – een nouveauté – ontruiming plaats. Met de komst van de ME en in hun kielzog de slopers, verdween de naam Wyers definitief van de Nieuwezijds Voorburgwal.




Hyde in Holland
De lotgevallen van Dr. Jekyll en zijn alter ego in Amsterdam
Tekst: Marco Daane

022006_BrodieIn de krochten van de Amsterdamse geschiedenis duiken soms onverwachte verhalen op. Sommige komen uit het buitenland en zijn daardoor lang onzichtbaar gebleven. Wie vermoedde bijvoorbeeld dat Dr. Jekyll en Mr. Hyde hier ooit hebben rondgelopen?

Het is een klassieker over de slechte kant van de menselijke natuur: de roman Strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde uit 1886 van de Schotse auteur Robert Louis Stevenson. Volgens het verhaal creëert de gerenommeerde arts Henry Jekyll, gefascineerd door slechtheid, een drankje waarmee hij kortstondig in zijn kwaadaardige alter ego Edward Hyde verandert. Jekylls experiment loopt uit de hand als hij ook spontaan diens gedaante begint aan te nemen. Uiteindelijk slaat Hyde de hand aan zichzelf – én aan Jekyll. Stevensons parabel werd dé literaire uitbeelding van de menselijke dubbelheid, ‘Jekyll & Hyde’ een gevleugelde uitdrukking.
Stevenson (1850-1894) was twintig jaar koortsachtig op zoek geweest naar een geschikte vorm om dit verhaal te vertellen. Als vijftienjarige al had hij een toneelstuk over het thema gemaakt, Deacon Brodie, or The double life. In 1878 bewerkte hij dat duchtig, maar niet tot zijn tevredenheid en aangezien het gegeven hem niet losliet, ploeterde hij onophoudelijk voort aan het verhaal. Stevensons inspiratiebron had werkelijk bestaan, een eeuw eerder: een man die de geschiedenis was ingegaan als de Edinburghse slechterik bij uitstek.
Deze William Brodie (1741-1788) was een succesvol meubelmaker en deken (voorzitter) van zijn beroepsgilde in Edinburgh. De ‘Deacon’ was alom gerespecteerd in de stad en bracht het zelfs tot lid van de gemeenteraad. Brodie hield echter obsessief van drank, dobbelen en hanengevechten en onderhield twee maîtresses. Die duistere kant werd in Edinburgh met de mantel der liefde bedekt. Een notabele sprak je niet aan op zijn vrijetijdsbesteding.
Brodies aandriften en dubieuze contacten brachten hem uiteindelijk op het pad der misdaad. Met drie handlangers ondernam hij vanaf augustus 1786 een serie raadselachtige maar geniale roofpartijen. Van onbewaakt aangetroffen sleutels maakten ze stiekem een afdruk in een laagje was, zonder de sleutels zelf te stelen. Met die wasmodellen vervaardigden ze kopieën, waarmee ze ’s nachts ongemerkt deuren openden.
William Brodie verlangde prestige en meesterschap in alles, óók in inbreken. In de nacht van 5 maart 1788 wist zijn bende het Excise Office binnen te komen, waar de Schotse belastinginkomsten werden bewaard. De rooftocht mislukte grotendeels omdat ze het geld niet op de juiste plaats zochten, maar de opwinding in Edinburgh over deze brutale aanval op gemeenschapsgeld was er niet minder om. De autoriteiten loofden een beloning uit voor tips. Een handlanger van Brodie werd de grond te heet onder de voeten. Hij kwam af op een toegezegd vrijgeleide voor klikspanen. Brodie besefte dat arrestatie slechts een kwestie van tijd was en vluchtte per postkoets naar Londen.
De identiteit van de roverhoofdman raakte inderdaad bekend en bezorgde Edinburgh een nieuwe schok. Brodies signalement werd in heel Groot-Brittannië verspreid. De vluchteling moest dringend het land uit. Via een bevriende dominee kon Brodie terecht in New York, maar rechtstreeks vanuit Engeland naar Amerika varen was te riskant, omdat men overal naar hem uitkeek. Brodie besloot naar het continent te gaan om daar zo onopvallend mogelijk een schip te zoeken. Een advocaat uit zijn netwerk leende hem geld en regelde verscheping.
Eind maart ging Brodie, vermomd en onder de schuilnaam John Dixon, aan boord van de Endeavour en reisde naar het Belgische Oostende. ‘Dixon’ hield zich aanvankelijk schuil in zijn hut, maar kwam te voorschijn toen de overtocht door slecht weer al twee weken duurde. Op het dek maakte hij kennis met een medepassagier, de tabakshandelaar John Geddes. Het schip wist door de permanente tegenwind maar niet in Oostende te geraken en Brodie besloot in Vlissingen van boord te gaan. Vanaf de rede schreef hij op 8 april brieven naar het thuisfront over zijn penibele financiële situatie. Geddes zou de brieven in Edinburgh bezorgen. Met een gehuurde kano voer Brodie vervolgens naar Oostende.

Lommer en kommer
Brodie bleef bijna twee maanden in Oostende, wachtend op berichten en geld. Op 4 juni meldde hij zich bij de wijnhandelaar John Bacon, voor wie kapitein Dent hem een aanbeveling had gegeven. Daarin stond dat zijn passagier John Dixon ziek van boord was gegaan, maar op weg was naar New York. Bacon adviseerde hem vermoedelijk naar Amsterdam te gaan. Nederland vervoerde veel goederen (inclusief wapens) naar Amerika, dat zich tijdens de Vrijheidsoorlog aan Groot-Brittannië trachtte te ontworstelen. In Amsterdam zou Brodie wel een schip kunnen vinden.
Om in Amsterdam te komen reisde Brodie opnieuw naar Vlissingen en vervolgens met het zeilveer van Middelburg naar Rotterdam. Daarvandaan kon hij per trekschuit, het goedkoopste vervoermiddel, via Delft, Leiden en Haarlem naar Amsterdam. Rond half juni kwam hij daar aan. Brodie ging van boord bij de Haarlemmerpoort, het eindpunt voor de trekschuiten uit het westen. Bij de twee joden die daar de aankomende reizigers behulpzaam waren, informeerde Brodie naar een slaapgelegenheid. Het werd de Lommer, een herberg in de Zoutsteeg tussen Damrak en Nieuwendijk, die te voet te bereiken was. Ongetwijfeld met een zucht van verlichting nam ‘John Dixon’ er zijn intrek. In Amsterdam was hij een speld in een hooiberg voor zijn achtervolgers; nog even en hij was zelfs dat niet meer.
In afwachting van een schip naar Amerika kon hij zich ook weer eens zonder angst voor herkenning onder de mensen begeven. Zo ontmoette hij een man die zijn levensonderhoud dankte aan vervalste bankbiljetten van, nota bene, de Bank of Scotland. Valsemunterij was nu net een tak van ‘het vak’ die de Deacon niet beheerste, dus ging hij ambitieus als altijd in de leer bij deze vakman. Ook kwam hij een Schotse tegen die hem geestdriftig het belangrijkste nieuws van thuis meedeelde: de Excise Office in Edinburgh was beroofd! Er was een hoge beloning uitgeloofd voor de arrestatie van de hoofdverdachte, een zekere Brodie. Ook ‘John Dixon’ zal het een onderhoudend bericht hebben gevonden.
Op rustiger momenten drong het tot Brodie door hoezeer hij op het punt stond al zijn schepen achter zich te verbranden. Overmand door drank en eenzaamheid schreef hij nog een openhartige brief aan het thuisfront. Met zijn eigen prestaties was de streber nog helemaal niet klaar: “Mijn hele leven heb ik me achteruit bewogen.”
John Geddes was ondertussen met de brieven van ‘Dixon’ in Edinburgh aangekomen. Daar hoorde hij over de verdwenen schurk Brodie. Dixon en diens epistels wekten nu zijn argwaan. Hij opende een brief en ontdekte de waarheid. Eind mei, na weken te hebben geaarzeld, meldde Geddes zich bij de politie. Zijn aanwijzingen wezen justitie de weg naar Oostende.
De Britse consul aldaar zette een Ierse speurder op de zaak, John Daly. Deze logeerde namelijk bij de wijnhandelaar Bacon en meende daar een man te hebben gezien die Dixon heette. Toen Bacon hem Dixons introductiebrief van kapitein Dent toonde, begreep Daly dat dit inderdaad zijn man was. Hij vertrok onmiddellijk naar Amsterdam. Veel meer dan een week voorsprong zal Brodie niet hebben gehad.
Daly moet Brodies vluchtweg perfect hebben gereconstrueerd, want ook hij arriveerde bij de Haarlemmerpoort. Daar benaderde hij de twee bij de trekschuiten werkzame joden en legde hun Brodies signalement voor: een breedgeschouderde man van 1.60 meter lang met een enigszins hooghartige tred, donkerbruine ogen, een litteken onder het rechteroog en een tong die bij het spreken zichtbaar naar het verhemelte plooide. Voor een paar stuivers verwezen de beide mannen Daly naar het bierhuis in de Zoutsteeg. Daar vertelde de herbergier hem dat de heer ‘Dixon’ op de eerste etage verbleef. Daly liep onmiddellijk door, klopte netjes aan, maar toen hij geen gehoor kreeg, verschafte hij zich meteen toegang tot de kamer. De bewoner vond hij verstopt in een kast.
Daly kon als speurder en buitenlander niet zelf tot arrestatie overgaan. Het Schepenboek in het Amsterdamse gemeentearchief bevat een afschrift van een verzoek dat de Britse consul Rich op 25 juni aan de Amsterdamse hoofdofficier overhandigde tot aanhouding van “den persoon van William Brodie, als zijnde beschuldigd eene flagrante & importante diefstal te Edinburg in Schotland gepleegd te hebben”. Onder dit aanhoudingsverzoek staat vermeld dat Brodie “op aangifte van zekere John Daly van Ostende” in de Lommer was gearresteerd “en van daar in de boeyen dezer Stad overgebragt is”. Zo belandde Brodie in ‘de Boeijen’, zoals de kerkers onder het stadhuis (nu Paleis op de Dam) in de volksmond werden genoemd.
Arrestatie was één, maar uitlevering was twee. Daartoe stuurde Londen procureur John Groves naar Amsterdam. Na diens aankomst op 4 juli begon direct een merkwaardig steekspel rond de identificatie en uitlevering van de arrestant. Die bleef namelijk beweren dat hij John Dixon heette. Een Amsterdamse magistraat liet de Britten weten dat zij eerst diens werkelijke identiteit moesten bewijzen. ‘Dixon’ deed een beroep op de Nederlandse wet die daartoe twee getuigen onder ede vereiste. Bovendien moesten de Britten een schriftelijk uitleveringsverzoek indienen. Over het welslagen daarvan waren ze bezorgd. Nog maar vier jaar eerder was de Vierde Engelse Oorlog beëindigd, die het vertoornde Groot-Brittannië was begonnen wegens het toenemende Nederlandse handelsverkeer met Amerika. Die oorlog had Nederland nagenoeg bankroet gemaakt. De Britten vreesden een wraakactie.

Fatale verspreking
Op 8 juli werden procureur Groves en consul Rich op het stadhuis ontboden door de hoofdofficier en het College van Schepenen (het stadsbestuur). Aanvankelijk voelden de Amsterdamse bestuurders niets voor uitlevering. Nederland voldeed namelijk altijd aan dergelijke verzoeken, maar dat kon van Groot-Brittannië niet gezegd worden. De doorslag gaf echter dat de Engelsen twee jaar eerder geholpen hadden de Barbestein te overmeesteren, een VOC-schip dat met een enorme hoeveelheid muntgeld aan boord op weg was naar Nederlands-Indië, maar ten zuiden van Engeland had de bemanning zich schip en lading toegeëigend. Door dubbelspel van een van de opvarenden had de Britse marine het schip en de muiters kunnen aanhouden.
Toen de instemming met de uitlevering rond was, moest John Dixon nog geïdentificeerd worden als William Brodie. Procureur Groves zelf fungeerde als eerste getuige, maar het vinden van een tweede getuige stuitte op problemen. Weliswaar ontdekten de Engelsen in Amsterdam een Schotse rechter die daar op familiebezoek was en die Brodie kende, maar deze wilde niet onder ede getuigen omdat hij bang was in problemen te komen. Om de impasse te doorbreken besloten de Amsterdamse magistraten tot een kruisverhoor van de verdachte. “Hebt u een vader?” vroeg de hoofdofficier. “Neen.” “Maar u hebt een vader gehad?” “Ja.” “Heette hij niet Brodie?” “Er zijn meer Brodies op de wereld.” “Dus daarmee,” vroeg de officier, “geeft u toe dat uw naam Brodie is?” Dixon was klemgepraat. Hollandse slimheid had het gewonnen van Schots vernuft.
Nog diezelfde middag verliet Brodie Amsterdam. “Om vier uur werden we naar het Stadthouse geroepen, waar zich een buitengewone massa had verzameld,” noteerde Groves. “Twee rijtuigen en vier leidsmannen, met vier paarden voor elk rijtuig; en de gevangene, gepast beveiligd, plaatsten we in één ervan.” De Amsterdamse autoriteiten stelden “een onderschout en twee dienaars der Justitie” ter beschikking. Vanaf het stadhuis reisde het gezelschap naar Hellevoetsluis, vanwaar de pakketboot naar Harwich vertrok. Op 11 juli arriveerden ze in Londen. Toen pas bekende Brodie zelf zijn werkelijke identiteit. Bizar genoeg was hij ondertussen een en al vrolijkheid. Gretig diste hij zijn Amsterdamse wederwaardigheden op, zoals zijn lessen in valsemunterij. Met glinsterende ogen vertelde hij over het gouden horloge van een gids die hen naar Hellevoetsluis had vergezeld. Tegen het einde van de rit had hij zich dat gemakkelijk kunnen toeëigenen omdat de man toen danig ‘in de olie’ was, en hij betreurde het dat hij het niet had geprobeerd.
Zes dagen later was de Deacon terug in Edinburgh. Op 28 augustus werd hij ter dood veroordeeld en op 1 oktober opgehangen – naar verluidt aan een galg van zijn eigen makelij.

Verslaafd aan zonde
William Deacon Brodie werd onderdeel van Edinburghs collectieve geheugen. Vroeg of laat kreeg iedere stedeling de geschiedenis van de meester-bedrieger te horen. Zo ook Robert Louis Stevenson. Zijn gouvernante wees hem eens een mahoniehouten kabinet in zijn slaapkamer (nog immer te bezichtigen in het Writers’ Museum): “Die kast, die heeft Deacon Brodie gemaakt.” Tijdens wandelingen met haar zag hij in een zijsteegje van High Street (nog steeds Brodie’s Close geheten) de binnenplaats en het herenhuis waar Brodie zijn plannen smeedde en zijn vechthanen hield. In het museum van de Sociëteit van Oudheden staarde hij naar de lantaarn en 25 valse sleutels die stil getuigden van een lang verborgen gebleven dubbelleven.
Deacon Brodie spookte sindsdien door Stevensons geest. Het kabinet in zijn slaapkamer kraakte volgens hem ’s nachts. In Edinburgh, picturesque notes (1879) schreef hij: “Voor onze geest verschijnt hij nog steeds, een man gekweld door een lading dubbelhartigheid, heimelijk van de gastentafel van een rechter naar een dievenhol sluipend, en de steegjes afschuimend bij het flikkerlicht van een donkere lamp.” Dat zijn toneelstuk mislukte, lag meer aan Stevenson dan aan het gegeven. Hij nam dat te letterlijk. Brodie wás er het ideale subject voor: overdag een eerzaam notabel, ’s nachts een pathologische onverlaat. Tegelijkertijd was hij niet meer dan dat, maar dat realiseerde Stevenson zich nog niet.
In september 1885 had de tuberculeuze Stevenson onder invloed van ergotine, een middel tegen bloedingen, een intense droom over borstziekten, Brodie en het onderbewustzijn. Als in een roes schreef hij daarna dat andere, beroemde verhaal. Daarin beschreef hij het leven van Brodie niet langer letterlijk, maar gebruikte hem als model voor Jekyll/Hyde. Net als Brodie is Jekyll een rechtschapen burger die pas echt in zijn element is na zijn transformatie in de kwaadaardige Hyde: “Al vanaf de eerste ademtocht van dit nieuwe leven wist ik dat ik tien maal slechter was geworden en geheel verslaafd was aan mijn oorspronkelijke zonde. De gedachte daaraan versterkte en verheugde mij als wijn.” Allerlei bruikbare details uit Brodies dubbelleven benutte Stevenson. Hyde wordt in zijn laboratorium betrapt met een masker op, zoals Brodie een crêpepapieren masker gebruikte. Hyde ging in het zwart gekleed, zoals ook Brodie altijd zwarte kleren aantrok als hij op rooftocht ging.
Gestoken in diezelfde outfit belandde deze ‘echte Mr. Hyde’ in juni 1788 in Amsterdam. Net als Edward Hyde in Stevensons roman zocht hij zijn toevlucht in een onooglijk, smal straatje. Op de Dam beleefde hij zijn Werdegang, en daarmee uiteraard ook de ‘echte Dr. Jekyll’. En precies als in het boek werd diens identiteit ontrafeld door een intelligente jurist – uit Amsterdam.