Nummer 9: September 2013

09 2013 portretFreule Elisabeth Boddaert was haar tijd ver vooruit

De gemeente Amsterdam wil criminaliteit en overlast van jongeren bestrijden door zich sterker te richten op jongere kinderen die al antisociaal gedrag vertonen. Dat doet onmiddellijk denken aan de door Elisabeth Boddaert vanaf 1903 gestichte opvanghuizen. Zij geloofde dat armoede en verwaarlozing kinderen op het verkeerde pad brachten, en wilde iets aan die omgeving doen.


Toen jonkvrouw Elisabeth Boddaert in 1903 in Amsterdam haar eerste Tehuis voor Dagbehandeling van Schoolgaande Jeugd stichtte, had ze precies op haar netvlies hoe ze het wilde. Het tehuis stond onopvallend in een huizenrij en het moest er zo gewoon mogelijk aan toegaan. Jongens en meisjes van 6 tot 12 jaar die in armoede leefden en thuis weinig aandacht kregen, mochten tussen de middag, na schooltijd en op vrije middagen komen. Om half acht ’s avonds gingen ze allemaal weer naar huis en ook op zondag waren ze bij hun ouders. Boddaert wilde samenwerken met de ouders. Ouders horen bij hun kinderen en kinderen hebben hun ouders nodig, vond zij.
Binnen de muren van het tehuis werd wel duidelijk dat het anders was dan in een gezin. De kinderen kregen allemaal een mouwschort aan, waardoor ze er hetzelfde uitzagen. De kleur was roze, van de opgaande zon. Tussen de middag en na school was er een maaltijd. De kinderen speelden in de tuin, maar werden ook ingeschakeld voor huishoudelijke werkjes zoals aardappelen schillen, hulp bij het koken, tafeldekken, afwassen en strijken. Verder deden ze denkspelletjes, timmeren (ook de meisjes), breien (ook de jongens) of handenarbeid. De groepen mochten niet te groot zijn (maximaal 24) om ieder kind individueel te kunnen benaderen. De sfeer moest knus en gezellig zijn, de tafels netjes gedekt met keurig, breekbaar serviesgoed, op tafel een fleurige bos bloemen. De deur was nooit op slot.

Trieste levensverhalen
Toen Boddaert 110 jaar geleden begon met dit werk, kreeg ze aanvankelijk weinig tot geen steun van buitenaf. Men vond haar op z’n zachtst gezegd excentriek en van haar opvoedingsmethoden zou niets terechtkomen. Maar ze liet zich niet van haar koers afbrengen.
Hoe kwam zij aan haar krachtige visie? Geboren in 1866, groeide ze op in een adellijk en welgesteld protestants milieu in Middelburg. Haar vader was rechter en klein van stuk; hij kreeg de bijnaam ‘driekwart flesje’. Elisabeth was ook een kleintje met haar 1 meter 55. Ze had op Walcheren een beschermde en fijne jeugd. Met haar 22 jaar oudere halfzuster Marie, die romans en gedichten publiceerde, deelde Elisabeth een gevoel van betrokkenheid bij mensen die arm zijn en een grote interesse in ideeën om iets aan sociale misstanden te doen.
In het Zwitserse Lausanne volgde ze een opleiding voor verpleegster en toen ze 24 jaar was, verhuisde ze naar Edinburgh. Daar werkte ze in het beroemde modelziekenhuis Royal Infirmary, waar Florence Nightingale de verpleging krachtdadig had gereorganiseerd. Boddaert verpleegde daar diverse misdadigers en hun trieste levensverhalen maakten diepe indruk op haar. Ze ontdekte hoe jongeren vaak door armoede en verwaarlozing in het criminele circuit terechtkwamen. Het viel haar ook op dat deze jongeren niet geleerd was weerstand te bieden aan de verleidingen van alcohol en misdaad. “Ik besefte dat men den vijand in hem had kunnen overwinnen, zoo bijtijds een zachte doch sterke hand hem had geleid temidden van de verleiding. Ik besefte dat men hem pal moest leren staan, dat weerstand de kracht doet wasschen, den wil sterkt.”
De verpleging werd haar te zwaar en zij verhuisde naar Berlijn, waar ze vrijwilligerswerk deed bij de begeleiding van ex-gedetineerden. Zij deed het zo effectief dat haar de leiding van het werk in een achterstandswijk in Berlijn-Noord werd toevertrouwd. Hier werd ze bevestigd in haar idee dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen met de opvang van verwaarloosde kinderen. Daar wilde ze mee aan de slag, ze was 36 en verhuisde met dat doel in 1902 naar Amsterdam.

Nieuw pedagogisch elan
Twee oudere dames die het sociale leven in de stad goed kenden, maakten haar wegwijs. Jeltje de Bosch Kemper had de verpleegstersopleiding gesticht en was oprichtster van vrouwenvereniging Tesselschade, die vrouwen wilde stimuleren tot economische zelfstandigheid. Hendrina Scholten-Crommelin was feministe en medeoprichtster van de Amsterdamsche Huishoudschool. Beide dames moedigden haar aan en wezen haar op de vele klachten over ontsporende jeugd. Boddaert legde haar plannen ook voor aan hoogleraar psychiatrie Cornelis Winkler. Hij steunde haar, maar waarschuwde dat zij veel weerstand zou oproepen omdat er over ‘misdadige jeugd’ nog erg traditioneel werd gedacht.
Toch was Nederland wel veranderd in de vijftien jaar dat Boddaert in het buitenland had gewerkt. Socialisme, sociaal-liberalisme en feminisme hadden invloed gekregen. Nieuwe pedagogische denkbeelden vonden ingang, zoals van de onderwijzer Jan Ligthart die het kind, binnen door de opvoeder gestelde kaders, vrij wilde laten om ontdekkingen te doen, te spelen en vragen te stellen. Pro Juventute, opgericht in 1896, trok zich het lot aan van in de steek gelaten kinderen en een spraakmakend Nutsrapport (1898) vestigde de aandacht op het probleem van de verwaarloosde jeugd. Een jaar later werd de Nederlandse Bond tot Kinderbescherming opgericht. Het ‘kabinet van de sociale rechtvaardigheid’ Pierson/Goeman Borgesius bracht rond 1900 sociale wetten tot stand, waaronder de leerplichtwet en de kinderwetten. Deze Kinderwetten van 1901 (die in 1905 in werking traden) maakten het mogelijk ouders uit de ouderlijke macht te ontzetten. Kinderen zouden een voogd krijgen en in een tehuis geplaatst kunnen worden.
Tegen deze achtergrond wordt duidelijk hoe eigenzinnig en kritisch de visie was van Elisabeth Boddaert. Zij was bezield van het nieuwe pedagogische elan, maar ook beducht voor de gevolgen van de nieuwe regels, vooral voor het plaatsen van kinderen in opvoedingsgestichten. Want dat is wat er gebeurde: nieuwe jeugdinternaten, liefst zo ver mogelijk van de stad, keurig verdeeld naar godsdienstige richting, schoten als paddenstoelen uit de grond.
Boddaert echter was van mening dat kinderen niet van hun ouders gescheiden moesten worden en niet ver van huis in gestichten terecht moesten komen. Zij wilde hen juist begeleiden in de vier milieus waar hun leven zich afspeelde: straat, huis, school en tehuis. Dat zij deze kinderen in hun eigen omgeving wilde opvangen en de nadruk legde op hun vrije wil en hun eigen verantwoordelijkheidsgevoel, betekende een breuk met de toen gebruikelijke aanpak van probleemkinderen. Elisabeth Boddaert was haar tijd ver vooruit.

De freule
Na haar keuze voor Amsterdam als werkterrein ging Boddaert in de Van Eeghenstraat wonen, pal tegenover het Vondelpark. Op 11 maart 1903 opende zij het eerste opvanghuis in Amsterdam-West, in de Nicolaas Beetsstraat 124. Zij richtte het heel eenvoudig in: het moest er vooral niet mooier zijn dan de kinderen thuis gewend waren. Het eerste tehuis financierde Boddaert uit haar privévermogen, maar om uit te kunnen breiden stichtte ze in 1904 de Vereeniging Tehuizen voor Schoolgaande Kinderen, met haarzelf als voorzitter.
De vereniging wilde kinderen “niet in een gevoel van liefdadigheid, maar in een gevoel van rechtvaardigheid” opvang bieden. Boddaert ontleende haar pedagogische devies aan een tekst van apostel Paulus: “Overwin het kwade door het goede”. ‘De freule’, zoals zij zich door haar pupillen liet noemen, meende dat je kinderen niet moest afzonderen van de gevaren en verlokkingen van het leven, maar ze er juist tegen moest wapenen. Zij geloofde in de werking van positieve, persoonlijke, geduldige en langdurige begeleiding van kinderen. Ook van kinderen die mogelijk erfelijk belast waren met een psychopathische aanleg. Van repressieve tucht verwachtte zij geen heil. Zij vond dat kinderen al genoeg gestraft waren door de moeilijke omstandigheden thuis; nu hadden ze juist recht op warmte, liefde en huiselijkheid. Bovendien versterkte het eenzijdig benadrukken van tucht en discipline bij deze kinderen de minderwaardigheidsgevoelens, waar zij toch al zoveel last van hadden.
Om haar eigen aanpak te markeren gaf zij de opvanghuizen haar naam mee: de Boddaert Tehuizen. Haar aanpak sloeg aan en zij opende in latere jaren nog drie huizen: Amaliastraat 3 in West (1906), Tweede Jan Steenstraat 102 in De Pijp (1915) en Zacharias Jansestraat 49 in de Watergraafsmeer (1929).

Altijd geldgebrek
Gewapend met haar visie ging Boddaert op bezoek bij de scholen in de buurt van haar tehuizen. De schoolhoofden gaven haar adressen van kinderen die naar hun mening gebaat waren bij opvang overdag. Vervolgens ging Boddaert met de ouders in gesprek om er hun toestemming voor te krijgen dat de kinderen zouden komen. Ze bleef contacten met de ouders onderhouden om zo mogelijk iets aan de gezinssituatie te doen.
In het eerste huis was Boddaert opvoedster, huishoudster en begeleidster van haar assistenten. Ze deed zelf de administratie en was voor de ouders een soort maatschappelijk werkster: ze hield zich bezig met schulden, met werk zoeken en met allerlei andere gezinsproblemen. Aan de begeleidsters en directrices van haar tehuizen stelde Boddaert professionele eisen. Ze volgden bijscholingscursussen en Boddaert nodigde psychiaters, pedagogen en psychologen uit om besprekingen over de kinderen bij te wonen. Vanaf 1917 breidde de opvang zich uit tot jeugdige delinquenten. De Boddaert-Tehuizen werden als reclasseringsinstelling erkend.
Er was altijd geldgebrek, hoewel Boddaert haar vermogen investeerde, overheidssubsidies werden ontvangen en de ouders een (bescheiden) financiële bijdrage betaalden. Boddaert was daarom actief in het werven van sponsors. Voor het derde huis stelde zij in 1912 een indrukwekkend comité van aanbeveling samen met 40 personen uit adellijke en bestuurlijke kringen. Ook nodigde ze regelmatig journalisten uit om haar tehuizen te komen bekijken (vooral als zij smalend over haar werk hadden geschreven). Ze hield lezingen en causerieën met lichtbeelden in binnen- en buitenland. Ook de opbrengsten van soirees, benefietconcerten, feestavonden en uitvoeringen van gymnastiekclubs spekten de kas van haar vereniging. De koninklijke familie toonde haar waardering door werkbezoeken en donaties.
In het werk leerde Boddaert de 25 jaar jongere Constance van Sprenger (1891–1965) kennen. Constance was net als Elisabeth opgegroeid in een adellijke familie en kreeg de waarden van je inzetten voor je medemens en de publieke zaak met de paplepel ingegeven. Constance (Onny in de dagelijkse omgang) was een bevlogen pedagoge en kwam in 1914 in dienst bij de Vereniging Boddaerthuizen. De twee sloten vriendschap voor het leven en Constance trok in bij Elisabeth. Tot haar pensionering in 1958 bleef Constance voor de Boddaerthuizen aan het werk.

Als een olievlek
Elisabeth Boddaert overleed in 1948 op 81-jarige leeftijd. De laatste jaren kon zij zich niet meer dagelijks met het werk bemoeien, zoals zij tot ver in de zeventig was blijven doen. Haar niet geringe vermogen liet zij na aan de stichting.
Boddaerthuizen bleven lang een puur Amsterdams fenomeen, maar eind jaren zestig werd de waarde van deze buitenschoolse opvang alsnog in bredere kring ontdekt. Daarvoor was opnieuw iemand met visie nodig en dat was Johan Albert Cassee (1913–2005), die actief was in jeugdzorgprojecten van de Kinderpostzegelactie. Met steun van de pedagogen Jaap Koekebakker en Daan Mulock Houwer propageerde Cassee de dagtehuizen als de missing link tussen ambulante zorg en internaatszorg. Terwijl de traditionele kindertehuizen en de pleegzorg steeds sterker in opspraak kwamen, prezen deze pedagogen de Boddaerthuizen aan als een aantrekkelijk alternatief om kinderen zo lang mogelijk bij hun ouders te laten en toch in hun ontwikkeling te kunnen ondersteunen. Vanaf dat moment breidden de kleinschalige Boddaerthuizen zich in Amsterdam en over heel Nederland als een olievlek uit. Uiteindelijk ontstonden er zo’n honderd Boddaertcentra. Een ontwikkeling die de overheid aanmoedigde, omdat dagopvang een relatief goedkope vorm van begeleiding is.
In 2003 wist het Boddaertwerk nog haar honderdjarig bestaan te vieren, maar de grote fusiegolven in de jeugdzorg verzwolgen de Boddaertcentra als zelfstandige instituten. Ook de werkwijze gold inmiddels als relatief duur en weinig specifiek. Er kwamen pleidooien om minder het kind te behandelen, maar vooral de omgeving te beïnvloeden waarin het kind opgroeit, opdat de natuurlijke opvoedingsrelaties weer gaan functioneren. Dat ligt niet ver van het denken van Elisabeth Boddaert, die kinderen ook niet bij hun ouders wilde weghalen. Haar werk blijft een inspiratiebron.

Maarten van der Linde is historicus en lector in de geschiedenis van het sociaal werk aan de Hogeschool Utrecht.