Nummer 1: Januari 2012


01_2012_Amsterdam_in_de_steentijd
Een 4500 jaar oude strijdbijl, een aardewerken scherf, een priem, botten van dieren leveren het bewijs: het Amsterdamse gebied werd al in de Steentijd bewoond.
Stadsarcheoloog Jerzy Gawronski vertelt over de spectaculaire vondsten, die bij Damrak en Rokin zijn gedaan. Dankzij de aanleg van de metro kon de bodem tot wel dertig meter diep onder straatniveau worden onderzocht.

Een paar jaar leefde stadsarcheoloog Jerzy Gawronski met een groot en mooi geheim. Voor hij daarmee naar buiten trad wilde hij het eerst zeker weten, althans zo zeker mogelijk. Nú mag iedereen het weten: de eerste bewoning van het Amsterdams grondgebied dateert niet van omstreeks het jaar 1200 (zoals in de meeste boeken staat), maar al van … ongeveer 2600 voor Christus, dus zo’n 4600 jaar geleden!
Maar hoe continu de bewoning van deze streken is geweest, blijft vooralsnog duister.

“Dankzij deze unieke onderzoekskansen kunnen millennia aan onze geschiedenis worden toegevoegd”, zegt Jerzy Gawronski glunderend. Met hulp van Peter Kranendonk, projectleider archeologie Noord/Zuidlijn, die veel data en cijfers paraat heeft, blikt hij terug op het archeologische onderzoek dat sinds 2005 plaatsvond onder (vooral) de ‘startschacht’ van de nieuwe metrolijn in het Damrak bij de Nieuwebrug en het toekomstige station Rokin.
Het gebied tussen die twee plekken in was niet opgenomen in het archeologisch programma. Maar voor de gretige tunnelboor zich vorig jaar (horizontaal) een weg baande, werden wel enkele (verticale) diepteboringen op het traject uitgevoerd om een beter begrip te krijgen van de bodemlagen eronder. Het omstreden megaproject bood de kans om voor het eerst onderzoek te doen door de bodem van de Amstel heen, tot op liefst 25 tot 30 meter onder het ‘maaiveld’ (straatniveau). Een gemiddelde bouwput waarin archeologen hun werk doen in de stad, gaat niet dieper dan zo’n drie, vier meter.
Op het diepste niveau waar de archeologen nu onderzoek konden doen (30 meter) liggen bodemlagen die zijn gevormd in de laatste IJstijd - het Weichselien - zo’n 100.000 jaar geleden. Vast staat dat hier toen (qua menselijke activiteit) weinig was te beleven. Weliswaar was het minder koud dan in de Grote IJstijd alias het Saalien (200.000-140.000 jaar geleden), toen de ijsmassa’s vanuit het noorden doordrongen tot net voorbij Amsterdam. In het latere Weichselien bereikte het ijs onze streken niet. Het landschap was een grote toendra, die doorliep tot Engeland. Op die vlakte graasden waarschijnlijk mammoeten.
Sinds 10.000 jaar geleden won de Noordzee weer terrein. Waar wij nu wonen werd het terrein moerassig. Westelijker vormden zich door de getijden de oudste duinen. Uit rottende moerasplanten ontstond steeds meer veen, waardoor het terrein weer min of meer begaanbaar werd. Op den duur werd al dan niet tijdelijke bewoning in principe mogelijk. Concrete overblijfselen daarvan waren sinds 1955 bij Assendelt in de Zaanstreek gevonden, dicht onder het maaiveld van tot dan toe onaangetaste weidegebieden. Vooral stenen bijlen, speerpunten, wat aardewerk.

Honderden vuilniszakken vol
Bewoning op het latere Amsterdams grondgebied werd door experts nooit uitgesloten. Alleen waren er geen bewijzen. Raar is dat niet: systematisch archeologisch onderzoek begon ook hier pas in de jaren vijftig, maar toen was het grondgebied al grotendeels bebouwd. Het bouwzand en de zware huizen drukten de prehistorische veen- en kleilagen ver omlaag.
Die vondsten zijn nu wél gedaan – en ze maken de bewoonde geschiedenis van het Amsterdamse gebied veel en veel ouder dan tot nu bekend was. De voorwerpen werden verzameld tussen 2005 en 2009, tussen het graven van de startschacht en het moment dat de tunnelboor ging draaien. Wat troffen de onderzoekers zoal aan? En waar precies? Gawronski: “Sommige dingen peuterden we zelf ter plekken uit de bodemlagen; dat is het mooiste natuurlijk. Maar het meeste kwam uit mechanisch opgezogen bagger, die over grote zeven werd uitgestort. Wat we aantroffen ging in honderden vuilniszakken naar onze werkplaats. In totaal gaat het om 450.000 vondsten. Sinds een paar jaar zijn we dat allemaal aan het inventariseren.”
De stadsarcheoloog somt de bijzonderste oeroude objecten op. “Het alleroudst is een stenen strijdhamer uit de laatste fase van het Neolithicum oftewel de nieuwe Steentijd. Die kwam al in 2005 te voorschijn uit de gezeefde modder van het Damrak. We schatten die op 2600 tot 2400 voor Christus.” Bijna even oud, van ongeveer 2200 voor Christus, is een scherf van een Veluwse klokbeker. (“Dat is een typeaanduiding, het zegt niks over de herkomst.”) Die werd gevonden in 2008 onder het Rokin. In dezelfde bodemlaag lagen een benen priem en botten van rund, schaap of geit en varken, maar ook van bever en beer. Ongeveer even oud als de klokbeker, dus. Uit het Damrak kwamen voorts nog wat jongere vondsten boven water – maar toch van ruim vóór de 13de eeuw, toen Amsterdam ontstond. Zoals een fibula (mantelspeld) uit de Romeinse tijd en diverse types aardewerk uit de vroege Middeleeuwen (ca. 500-1000).

Amsterdams oerlandschap
Hoe zag het Amsterdamse gebied er in de prehistorie uit, volgens Gawronski? “Die strijdhamer kwam van zo’n achttien meter onder NAP, uit een oudere watergeul, een voorloper van het IJ. In de periode waar we het nu over hebben, zo’n 2600 jaar voor Christus, lag ‘Amsterdam’ aan de rand van een groot getijdengebied, met veel beekjes, kreekruggen en kwelders. Bij hoogwater konden de bewoners zich terugtrekken op de hoger gelegen zandruggen. Bij laagwater waren ook de kwelders bruikbaar als weidegrond. Het Oer-IJ was zo’n veenstroom die bij Amsterdam naar het westen liep en zorgde voor de afwatering van het achterland.
Rond het begin van onze jaartelling kwam deze waterloop nog ergens bij Castricum uit in de Noordzee. Maar door de duimvorming slibde die westelijke IJmond dicht. De afwatering van het huidige Amstelland werd steeds moeilijker en de grond dus weer natter. In heel West-Nederland groeide een dik veenpakket aan. Ook dat werd doorsneden door vele kleine stroompjes waarvan de loop snel kon veranderen. Het was een landschap van bulten en kuilen. Op de hogere delen kon nog steeds gewoond worden en was kleinschalige akkerbouw mogelijk. En de veenstromen leverden vis en drinkwater.”
De vondsten vertellen allerlei verschillende verhalen over de bewoners. Neem de strijdhamer. “Die kwam gebroken uit de zeefcontainer”, zegt Gawronski. “Maar die breuk kwam door het ophoogpompen. De hamer was juist duizenden jaren intact gebleven. En omdat hij relatief zwaar is, zal hij niet van ver komen. Tot nu toe werden strijdhamers vooral in graven aangetroffen of in beekdalen en rivieren, waar ze – mogelijk met enig ceremonieel – opzettelijk in waren geworpen. Als ritueel voorwerp, niet als dagelijks gebruiksvoorwerp. Deze strijdhamer hoort dus waarschijnlijk bij het graf van een man hier dichtbij.”

Afval van nederzetting
De prehistorische vondsten onder het Rokin vertellen weer een ander verhaal. De vijftien scherven uit het laat-Neolithicum, de priem en de botjes kwamen te voorschijn op ongeveer tien meter onder NAP. Ze lagen bij elkaar in dezelfde grondlaag, die waarschijnlijk later door insnijding van de Amstel als een groot blok grond in de rivier is gezakt. Door de combinatie en gezien het feit dat de botten snij- en knaagsporen vertonen, is dit vrijwel zeker afval van een nederzetting, meent de stadsarcheoloog. En omdat het kwetsbare aardewerk weinig was aangetast, moet die hier of dichtbij zijn geweest. Zo’n 4000 tot 4200 jaar geleden, want dat was de periode waarin dit type aardewerk werd gemaakt.
Hoe moeten we ons zo’n nederzetting voorstellen? “Door vondsten elders in het land hebben we daarvan wel een idee. Het waren kleine familiale gemeenschappen (grootouders, ouders en kinderen). Soms woonden een paar van die ‘grootfamilies’ bij elkaar in de buurt. Ze leefden vooral van de akkerbouw (emmertarwe, naakte gerst, bonen), aangevuld met jacht (op onder meer herten, wilde zwijnen en gevogelte) en visserij. Het voedsel zal zijn aangevuld met bessen en noten. Op de lager gelegen kwelders weidden ze vee, denk ik. Varkens en koeien leverden vlees, de koeien, schapen en geiten melk, de schapen bovendien wol. En de runderen konden ook een ploeg trekken.”
Ten tijde van die nederzetting stroomde hier nog niet de rivier die later de Amstel zou heten. Maar het is wel waarschijnlijk dat de nederzetting toen aan een stroom met vers water stond. Dat was een gebruikelijke vestigingsplek. De Amstel is pas daarna ontstaan, eerst als klein veenstroompje, dat later in de 12de eeuw breder werd. “Onder het Rokin bespeurden we stukken van een geul die waarschijnlijk ouder is. Daar durf ik nu nog weinig over te zeggen.”

Ontginning in tiende eeuw
Over de vondsten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen houden we het kort, ditmaal. “Daar hadden we het begin vorig jaar al over.1 Zo’n fibula is al in 1972 onder de Weesperstraat gevonden, bij de aanleg van de oostlijn van de metro. Er zijn ook heel wat Romeinse munten gevonden. Maar die kunnen hier op allerlei manieren zijn beland. Het bewijst niet dat de Romeinen zelf op ‘Amsterdamse’ grond rondliepen, al was er wel een tijdlang een legerkamp bij Velsen. Maar dit hier was een uithoek zonder enig verkeer. Natuurlijk kan er wel een kleine nederzetting zijn geweest, waarvan de bewoners direct of indirect contact hadden met Romeinen.”
Met zevenmijlslaarzen leidt Gawronski ons naar de 13de eeuw, de geboorte van het huidige Amsterdam. “De vervening ging nog lang door. En ergens in de 10de eeuw zal de ontginning van dit gebied zijn begonnen, zoals fysisch geograaf Chris de Bont in zijn proefschrift beschreef.2 Die was bedoeld om het land droger te maken, maar ten dele gebeurde op den duur juist het tegendeel. De bodem van het eerst ontgonnen gebied - het dichtst bij de rivier - waarop de nieuwe sloten afwaterden, ging dalen door inklinking en oxydatie. Dus trokken de kolonisten steeds verder het achterland in richting veenruggen, om daar nieuwe akkers aan te leggen. Waar eerst akkertjes waren, kwam weidegrond, die geregeld overstroomde. Zoals De Bont denkt, kunnen boeren korte tijd bij de Amstelmonding hebben gewoond toen ze met ontginnen begonnen. Maar na twee, drie generaties woonden die gezinnen al kilometers van de rivier, zeg maar ter hoogte van de huidige Jordaan en Kinkerbuurt.”

Geen boeren meer
Aan het eind van de 12de eeuw veranderde het landschap radicaal, vertelt Gawronski. “Er is een reeks van geweldige stormvloeden, in 1164, 1170, 1173, 1176 en 1214 bijvoorbeeld. Daardoor ontstaat de Zuiderzee, in open verbinding met de Noordzee. En het allang met veen vol gegroeide IJ wordt een brede stroom. Ik denk dat de Amstel ook pas dan de omvang krijgt van een volwaardige rivier. Maar of ze toen uit twee delen bestond, zoals De Bont en anderen suggereren, weet ik niet. Archeologisch is het nog niet aan te tonen. Andere stroompjes werden meren, zoals het Haarlemmermeer en Watergraafmeer. Al dat water gaf natuurlijk problemen, maar bood ook nieuwe kansen. Aan de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van de boeren die een kleine twee eeuwen eerder bij de Amstel met ontginnen waren begonnen. Waar Amstel en IJ samenvloeiden kon een haven ontstaan die oostwaarts in verbinding stond met de zee. Toen kon op samengroeiende terpen op beide oevers van de riviermond een nieuwe snel uitdijende nederzetting ontstaan. Geen “dorp van boeren en vissers”, zoals tot vervelens toe wordt herhaald, nu weer in die nieuwe stadsgeschiedenis van Knegtmans.3 Die boeren waren hier allang niet meer; stallen uit de 13de eeuw hebben we niet gevonden. Wel een gemeenschapje van ambachtslieden, vissers en handelaren. Pas dan begint echt de geschiedenis van de huidige stad Amsterdam.”

Groot verschil tussen Damrak en Rokin
“Dit was een fantastische kans”, zegt Jerzy Gawronski over het onderzoek als geheel.4 “Het Damrak en het Rokin zijn natuurlijk eigenlijk het uiteinde en de monding van de Amstel. En die rivier diende eeuwenlang als stedelijke afvalstortplaats. Beerputten van de naastliggende huizen werden in de rivier geleegd, mensen gooiden spullen weg in het water en vaak ook kwamen voorwerpen er per ongeluk in terecht. We vonden dus van alles: actiebuttons uit de 20ste eeuw, 18de-eeuwse bierpullen, speelgoed uit de Gouden Eeuw, middeleeuwse dolken en runderbotten.
De archeologen zagen daarbij een “kolossaal verschil” tussen Damrak en Rokin. “In het Damrak bleef de invloed van eb en vloed lang merkbaar. Door stormvloeden werden daar hele bodemlagen weggeslagen. Dat maakt het vaak lastig om de ouderdom en herkomst van vondsten te bepalen, Het is een ratjetoe. In het Rokin is de situatie heel anders. Dat gebied werd sinds ongeveer 1250 afgeschermd door de Dam. Daarachter was het water rustig. De meeste vondsten hier blijken rechtstreeks te herleiden tot een huis pal ernaast. Daar zijn we nu druk mee bezig; daar komen we later nog mee. Je ziet een dwarsdoorsnede van het stedelijk leven!”
Maar het gaat de archeologen niet alleen om de cultuurhistorie. “We willen de Amstel ook plaatsen in de landschappelijke geschiedenis. Hoe oud is de rivier? Zijn er nog oudere stroomgeulen herkenbaar? Wat was de natuurlijke begroeiing van de oevers? Wat voor gewassen werden hier verbouwd? Om er meer over te ontdekken namen we op verschillende diepten talloze bodemmonsters. Pollen en zaden vertellen veel over de oorspronkelijke vegetatie, botresten over het dierenleven. Zo komen we ook veel over het eetpatroon van de mensen te weten. Dat is het terrein van de ‘archeobiologie’, een specialisme apart. We wachten nog op de uitkomsten. Spannend!”

Peter-Paul de Baar is hoofdredacteur van Ons Amsterdam