Nummer 10: Oktober 2010 - Alleen God kan u redden

 

‘Alleen God kan u redden’

Zoektocht naar christelijke psychiatrie beheerste Valeriuskliniek

Tekst: Michiel Louter

394-inhoud_valeriusNa 100 jaar valt het doek valt voor de Valeriuskliniek. Het psychiatrisch bolwerk van gereformeerde huize verhuist naar nieuwbouw naast de Vrije Universiteit. De oprichters wilden met een strikt bijbelse aanpak een herkerstening van de psychiatrie tot stand brengen. Ze legden het af tegen moderne methoden en secularisering.

 

 

Kneu kneu ote kneu eur

Kneu ote ote ote ote ote

Ote ote oote

Ote ote

Boe

 

Het gedicht Oote waarmee Jan Hanlo in 1952 beroemdheid verwierf, ontstond mede door de Valeriuskliniek, de streng gereformeerde psychiatrische universiteitskliniek aan het Amsterdamse Valeriusplein. Hanlo kwam er in 1947 nadat hij gestuurd door de stem van zijn God vanaf zijn dak vierhoog was gesprongen. Halverwege landde hij op een afdakje, waar hij zonder een schrammetje bleef liggen. Hij vertelde de wereld te moeten redden door nog meer te lijden dan Jezus. In de Valeriuskliniek probeerde hij achtereenvolgens zijn ogen uit te steken, zijn tong af te bijten en zich dood te hongeren. In een dwangbuis kreeg hij via een slang pap toegediend totdat hij zijn verzet opgaf. Wel zocht hij toenemend het bed op van enkele jeugdige mannelijke medepatiënten. Hierop werd hij overgedragen aan het Sint-Willibrordusgesticht in Heiloo, waar hij in 1948 werd gecastreerd. Ook de poëzie van Jan Hanlo onderging hierna een dramatische verandering.

De Valeriuskliniek heeft in haar 100-jarig bestaan vele dichters opgenomen. Gerrit Achterberg, Adriaan Roland Holst, Jan Arends en Rogi Wieg waren er korte of langere tijd, evenals tientallen schrijvers, kunstenaars en actrices. Het past bij de licht elitaire uitstraling die de Valeriuskliniek vanaf haar ontstaan vergezelde. Het statige gebouw, de fraaie ligging in Amsterdam-Zuid, de jubelende glas-in-loodramen; op dit toneel werd een kleine eeuw gepoogd de psychiatrie te verenigen met het orthodox-gereformeerde geloof.

Aanhangers hiervan verenigden zich eind 19de eeuw tot een eigen zuil om tegenwicht te bieden tegen de katholieke, liberale en socialistische zuilen. Om de eigen psychiatrische patiënten te verzorgen werden tussen 1887 en 1907 vier klassieke verblijfsgestichten opgericht. De man hierachter, dominee Lucas Lindeboom, beschouwde de psychiatrie als een concurrerend geloof dat zich net als het calvinisme bezig hield met het wezen van de ziel. Hij hoopte de psychiatrie van binnenuit te ‘herkerstenen’, door het stichten van een strikt bijbelse psychiatrie, met een eigen opnameafdeling en een eigen leerstoel bij de net gestichte Vrije Universiteit. De leerstoel psychiatrie kwam er in 1907, bezet door de gereformeerde gestichtspsychiater Leendert Bouman. November 1910 volgde de opening van de Valeriuskliniek, met in een gevelsteen hoopvol gebeiteld: “Dat Uwe Oogen, Heere, dag en nacht open zijn over dit huis.”

 

Hypermodern ingericht

Het hoefijzervormige gebouw, ontworpen door de architect H. Bonda, trok bij de opening heel wat bekijks. Zwaar beïnvloed door zijn leermeester H.P. Berlage had Bonda in twee jaar tijd een quasi-middeleeuwse kerkburcht neergezet, vol torentjes en verspringende kantelen, opgetrokken uit tweeëneenhalf miljoen baksteentjes. In het poortgebouw zaten acht grote gebrandschilderde ramen, die het kathedrale aanzien verder versterkten. Voor het gebouw was een parkachtige tuin aangelegd, van het plein afgesloten door een ‘monumentaal’ hek.

De inrichting was voor die tijd hypermodern, met in het souterrain naast de keukens een enorme verwarmingsinstallatie, die ook de stroom leverde voor alle lampen, telefoons en een personenlift. Het hart van het gebouw was bestemd voor de collegezaal, de bibliotheek en de onderzoeksfaciliteiten, waaronder een operatiekamer voor hersen- en ruggenmergchirurgie, een chemisch laboratorium en een preparatiekamer voor microfotografie. In de zijvleugels sliepen de patiënten, met rechts de mannen en links de vrouwen.

Zoals toen gebruikelijk waren de ruimtes verdeeld tussen ongeveer twintig zelf betalende “klasse-patiënten” en een 50-tal “armlastigen”, van wie het verblijf werd vergoed door de gemeente waar ze vandaan kwamen. De klassepatiënten beschikten over de mooiste ruimtes, kregen beter eten en sliepen op springveermatrassen in bedden van mahonie. De rest moest het doen met een zak zeegras in een bed van grenen. Revolutionair was wel dat ook de armlastigen niet op grote slaapzalen lagen, maar in knusse vierpersoonsruimtes, gescheiden van elkaar met deuren en suite.

Met name de klasseafdeling was vanaf het begin een succes, zo groot zelfs dat er in allerijl moest worden uitgebouwd. Voor rijke gereformeerde Amsterdammers was de Valeriuskliniek een chique alternatief boven Meerenberg, het openbare gesticht in de duinen bij Santpoort waarop ze tot dan toe waren aangewezen. Ook de ruime bezoektijden (negen uur per week voor de klassepatiënten, versus drie uur voor de armen) zorgden voor goede reclame.

 

Werken voor hongerloontje

Het verpleegkundig personeel moest op de zolders slapen en was wellicht nog het slechtst af. De arbeidsomstandigheden waren tot de jaren dertig barbaars te noemen, met werkweken van 70 uur en langer, tegen een hongerloon. Leerlingen werden afgescheept met kost, inwoning en een ‘zakgeld’ van f 10,- per kwartaal (overigens kreeg geneesheer-directeur Bouman jaarlijks f 2500,-). Van het personeel, dat was verboden om zich te organiseren, werd vooral veel christelijke dienstbaarheid verwacht. Hun taak bestond voornamelijk uit voorgaan in gebed, schoonmaken en de orde handhaven. Met de patiënten mocht niet worden gepraat. Aangezien het personeelsverloop navenant hoog was, dienden er veel overuren te worden gedraaid. Toen een “huisorde” van verpleegkundigen in 1912 dringend verzocht om tenminste één vrije dag per twee weken en jaarlijks drie weken vakantie, kregen ze na lang beraad één dag per maand en een vakantie van twee weken.

Door de beslotenheid van het gebouw had de buurt nauwelijks last van de patiënten. Het was eerder andersom. Zo berichtte Bouman in 1914 boos over het tumult dat op het Valeriusplein met de mobilisatie gepaard ging: “Het voorbijtrekken der troepen, al of niet met muziek, de oefeningen die voor de kliniek gehouden werden met de luid klinkende commando’s, gaven heftige angstparoxysmen.”*

Aan de behandelingswijze waren felle discussies voorafgegaan. Het ultraorthodoxe bestuur onder leiding van dominee Lindeboom hield vast aan de leer dat krankzinnigen vanwege hun zonden door God waren gestraft en een speelbal van Satan waren geworden. Gelijk Jezus Christus zouden christelijke psychiaters de duivelse demonen moeten uitdrijven, opperde het bestuur. Zeker als die demonen volhielden zelf God te dienen, zoals in de veel voorkomende religieuze wanen, moest worden gedacht aan spreuk 2 Korinthiërs 11:14: “Immers de Satan zelf doet zich voor als een engel des lichts.”

Hoogleraar en geneesheer-directeur Bouman koos een veel pragmatischere aanpak. Hij experimenteerde met tal van moderne methoden, waaronder hypnose, hersenoperaties en een batterij aan kalmerende of opwekkende medicijnen (waaronder heroïne, barbituraten, alcohol en verdunde vergiften als nachtschade en strychnine). Niet altijd lukte het om de waanzin in korte of langere tijd te bedwingen (de maximale opnameduur was twee jaar), waarna overplaatsing volgde naar een van de provinciale gestichten.

 

Directeur stapt op

In zijn zoektocht naar de grondslag van een christelijke psychiatrie stuitte Bouman op de Duitse psychiater en theoloog Karl Jaspers, die zich bovenal in zijn patiënten wilde inleven. Bouman maakte hiermee naam binnen zijn ‘Valeriuskring’, een groep jonge psychiaters die wekelijks bij elkaar kwam om te discussiëren over de toekomst van de psychiatrie. Ook de inzichten van de nog jonge Sigmund Freud werden regelmatig serieus besproken. Vanwege het opzichtige seksuele element was de psychoanalyse onder christenen zeer omstreden, en het lijkt erop dat Bouman struikelde over zijn weigering om afstand te doen van Freud.

Vijftien jaar na de opening brak in 1925 een hevige rel uit. Een briesende Lindeboom verweet Bouman dat hij weigerde om “de banier der gereformeerde beginselen” te ontplooien, en van de Valeriuskliniek een “broedstoof voor dissidenten” had gemaakt. Even was er chaos. Bouman vertrok schielijk naar Utrecht, waar hij hoogleraar psychiatrie werd aan de openbare universiteit. Vervolgens wilde de 80-jarige Lindeboom de opleiding van christelijke psychiaters dan maar zelf ter hand nemen. Na een paar warrige jaren van interim-bestuur trad de degelijke Lammert van der Horst eind 1928 aan als de nieuwe hoogleraar psychiatrie van de VU, een post die hij maar liefst tot 1963 combineerde met de leiding van de Valeriuskliniek.

Van der Horst vergrootte de invloed van de gereformeerde zielszorg binnen de kliniek, maar zette tegelijkertijd de experimentele lijn van Bouman voort. Zo werden onder zijn bewind de lobotomie, schildertherapie en diverse shocktherapieën ingevoerd. De resultaten waren op zijn best twijfelachtig. Verder breidde hij de nazorg uit met een nieuwe polikliniek en een dienst die huisbezoeken aflegde bij potentiële en ontslagen patiënten.

Tegelijkertijd onderging het gebouw grote veranderingen. In 1936 was gebleken dat de heipalen te licht waren en de vloer van ijzeren balken door het ontbreken van ventilatie ernstig was verroest. Gedurende een grootscheepse verbouwing werd het gebouw in vijf jaar tijd vanaf de grond verbouwd, vergroot en gemoderniseerd. De kliniek bood nu plaats aan 130 patiënten. Het resultaat staat er nog steeds: een veel hoekiger gebouw, met platte daken, gedomineerd door een immens glas-in-loodraam in het nieuwe poortgebouw. Zoals gebruikelijk bij grote Amsterdamse projecten liepen de kosten, geraamd op f 310.000,-, uiteindelijk op tot het astronomische bedrag van f 1 miljoen. Het verschil werd gedekt door het salaris van de verpleegkundigen te verlagen en het afromen van de winsten van de provinciale gestichten.

 

Patiënten in de straten

Ook de Tweede Wereldoorlog was een tumultueuze tijd. Terwijl de Gestapo vlak om de hoek in de Euterpestraat toekeek, was de Valeriuskliniek een haard van verzet. Ze herbergde onderduikers, vervaardigde microfoto’s voor koeriersdiensten en functioneerde als vergaderruimte voor de leiders van het verzet. Ondertussen probeerde men zo goed en kwaad als het ging voor de patiënten te zorgen. Dit werd bemoeilijkt doordat eerst de verwarming en daarna de stroom continu wegvielen, de medicijnen al snel op waren en tegen 1943 ook het eten. Een zuster Formsma kreeg heldenstatus door in de hongerwinter enkele platbodems vol aardappelen uit Friesland te halen, en deze met haar leven te bewaken. Op het dak werd een windmolen geïnstalleerd, waardoor de patiënten ook tijdens stroomuitval behandeld konden worden met het pas aangeschafte elektroshockapparaat.

Na de oorlog durfde het verpleegkundig personeel, dat de kliniek de oorlog had doorgesleept, zich eindelijk te verenigen. Een eerste resultaat was dat hun salarissen fors werden verhoogd, al duurde het nog tot 1950 voordat hun 54-urige werkweek werd teruggebracht naar de allang gangbare 48 uur. Halsstarrig bleef het bestuur vasthouden aan een gereformeerde cultuur waarin de verplegenden eerst hadden te denken aan God, dan aan hun patiënten, en pas daarna aan zichzelf. Het verloop onder het personeel bleef hierdoor hoog.

Midden jaren vijftig beleefde de psychiatrie eindelijk haar grote doorbraak, met de introductie van twee medicijnen die werkelijk in staat bleken om de ergste symptomen van psychiatrische ziekten te onderdrukken: de middelen Largactil (tegen psychosen) en Tofranil (tegen depressies). Deze (en afgeleide) medicijnen slaan niet bij iedereen aan en hebben ook ingrijpende bijwerkingen, maar de psychiatrie werd er veel zichtbaarder mee voor de samenleving. Patiënten konden veel eerder worden ontslagen en met nazorg op de been worden gehouden. Tevens deed het fenomeen ‘vrij wandelen’ zijn intrede: opgenomen patiënten die langzaam schuifelend (vanwege de bijwerkingen) de straten rond de Valeriuskliniek een uurtje verkennen, om hierna (meestal) weer braaf  terug te schuifelen. Het zal af en toe een incident in de buurt hebben opgeleverd, al maakten veel huurders aan het Valeriusplein er ook misbruik van. Tot in de jaren negentig was het mogelijk om alle huurverhogingen van de woningbouwcorporatie te weigeren met het argument dat men was lastig gevallen door een patiënt uit de Valeriuskliniek.

 

Geleidelijke secularisering

Stond de kliniek tot in de jaren zestig voorop bij alle belangrijke vernieuwingen in de psychiatrie, vanaf de jaren zeventig kwam hier de klad in. De golven van democratisering, patiëntenrechten en psychotherapeutisch optimisme die deze tijd kenmerkten, spoelden bij de Valeriuskliniek pas laat of helemaal niet aan. Zo werd de hoogleraar psychiatrie Piet Kuiper, die begin jaren tachtig zelf vanwege godsdienstwaanzin in de kliniek werd opgenomen, tot zijn verbazing door de verpleegsters om de oren geslagen met religieuze vermaningen. Hoogtepunt was een anoniem briefje met de tekst: “God straft u zoals hij Nebukadnezar ten val bracht. Die werd van zijn zinnen beroofd en graasde als de koeien. Zo gaat het met u en het is welverdiend. Alleen God kan u redden.” Kuiper was het hier overigens geheel mee eens. Hij besloot de kliniek te verlaten. Korte tijd later werd hij opnieuw opgenomen, nu in Den Haag.

         De laatste fase van de Valeriuskliniek werd getekend door een geleidelijke secularisering, zowel van de patiënten als het personeel. Gereformeerde Bonders en Nederduits Hervormden maakten definitief plaats voor moslims, hindoes en winti-aanhangers. Daarnaast zocht de kliniek naarstig naar een eigen plekje binnen het ingewikkelde Amsterdamse psychiatrische speelveld, dat al een kwarteeuw van onderling gekibbel, fusies en nog meer fusies aan elkaar hangt. Dit jaar werd bekend dat de kliniek in 2012 zal verhuizen naar nieuwbouw naast de Vrije Universiteit, als onderdeeltje van het recente megafusieproject ‘GGZ inGeest’. Wat de bestemming van het gebouw aan het Valeriusplein zal zijn, is onbekend. Wellicht kunnen er woningen in komen. Aldus valt het doek, 100 jaar nadat dominee Lucas Lindeboom bij de opening de stenen tijdelijkheid van het gebouw had benadrukt tegenover de oneindigheid Gods.