Nummer 10: Oktober 2010 - Een bewogen huwelijk

 

Een bewogen huwelijk

Echtpaar Posthumus bracht sociale archieven bijeen

Tekst: Peter-Paul de Baar

402-inhoud_institutenAmsterdammer herbergt twee historische instituten van wereldnaam: het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) en vrouweninstituut Aletta (voorheen Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging). Niet toevallig allebei uit 1935. De tijd was rijp 75 jaar geleden en een echtpaar zag dat: geschiedenishoogleraar prof. dr. N. W. Posthumus en de feministische econome dr. W. H. Posthumus-van der Goot.

 

Het waren woelige tijden. Er heerste grote werkloosheid. In Duitsland was in 1933 Hitler aan de macht gekomen. En al snel kregen joden maar ook socialisten in en buiten de Duitse grenzen alle reden ongerust te worden.

De vrouwenbeweging was na de verkrijging van het vrouwenkiesrecht wat ingedut. Maar toen diverse regeringen vanwege de crisis vrouwen wilden uitsluiten van betaalde arbeid, bleek het feminisme weer onverwacht actueel. Tegelijk ging een jongere vrouwengeneratie zich weer interesseren voor het gedachtengoed van baanbreeksters als Wilhelmina Drucker, Mina Kruseman, Aletta Jacobs en Johanna Naber.

Als eerste nam Nicolaas Wilhelmus (‘Nien’) Posthumus het initiatief om archieven van bedreigde arbeidersorganisaties en personen veilig te stellen. Op 26 februari 1880 was hij in Bussum geboren. Vijf jaar oud verloor hij zijn vader, aardrijkskundeleraar en mede-oprichter van het Aardrijkskundig Genootschap. Ondanks het krappe gezinsbudget, mocht Nien in 1898 rechten gaan studeren in Amsterdam. Hij werd lid van het traditionele Amsterdamsch Studenten Corps, maar dan wel van het linkse dispuut Clio. Medeleden waren de rode dichter Carel Adama van Scheltema, de latere journalist Henri Wiessing en de latere criminoloog Willem Bonger.

Volgens Wiessing was Nien Posthumus destijds een “vurig marxist”. In september 1900 verleidde hij SDAP-leider Pieter Jelles Troelstra ertoe een toespraak te houden voor de verpauperde arbeiders van de Brabantse schoenfabrieken. Geen succes: Troelstra en Posthumus moesten vluchten voor de stenengooiende schoenmakers, opgehitst door een kapelaan. Als propagandist liet Nien Posthumus daarna weinig meer van zich laten horen, maar zijn socialistische idealen bleven levenslang een (onuitgesproken) inspiratiebron voor zijn historisch onderzoek, verzameldrift en talloze initiatieven. Om de maatschappij te hervormen, moest je allereerst weten hoe zij ontstaan is en werkt, besefte hij. Dan moeten ook de relevante historische bronnen toegankelijk zijn. Daarvan maakte hij geen half werk. 

In 1914 studeerde Nien af in de rechten én economie. In juli 1908 promoveerde hij op een indrukwekkend proefschrift over de Leidse lakenindustrie in de Middeleeuwen. Twee weken later trouwde hij met Dorothea van Loon, met wie hij een dochter en zoon kreeg.

 

De liefde bloeit op

Eerder dat jaar was hij al aangesteld als leraar aan de Openbare Handelsschool in Amsterdam. Tegelijk raakte hij nauw betrokken bij een onderzoek naar misstanden in de Nederlandse huisindustrie, in 1909 uitmondend in een tentoonstelling en congres. Hij begon op te vallen. Zo werd Posthumus in 1913 de eerste hoogleraar economische geschiedenis van de gloednieuwe Nederlandsche Handelshogeschool in Rotterdam (nu Erasmus Universiteit). Meteen richtte hij in 1914 (met rijkssteun) het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief (NEHA) op, in Den Haag. Eerste doelstelling was het verwerven van zoveel mogelijk bedrijfsarchieven. Al snel ging de jonge professor ook op jacht naar archieven van werkgevers- en arbeidersorganisaties en hun voorlieden. Ook bouwde hij een snel groeiende Economisch-Historische Bibliotheek (AHB) op, die in 1932 verhuisde naar de Amsterdamse Herengracht. Tussen de bedrijven door zette Nien zich in voor de opvang van de Rotterdamse straatjeugd. In 1922 kon hij zijn vleugels nog verder uitslaan, toen hij hoogleraar economische geschiedenis werd aan de Universiteit van Amsterdam, zowel voor studenten economie (een nieuwe faculteit) als geschiedenis.

Nog voor zijn vertrek naar Amsterdam moet de inmiddels 42-jarige hoogleraar verliefd zijn geworden op Willemien Hendrika (‘Lil’) van der Goot, die in 1920 in Rotterdam economie ging studeren – geen gebruikelijk vak nog voor een meisje. Zij werd op 2 mei 1897 geboren in Pretoria, Zuid-Afrika: haar vader was er ingenieur. Kort daarop verhuisde het gezin naar Batavia. Daar bezocht ze de HBS en haalde een onderwijsakte Frans. Na nog een paar jaar in Genève, begon ze aan haar Hollandse economiestudie. Zij was mooi, rijzig, vrolijk en niet op haar mondje gevallen. Over de kennismaking met haar nog steeds getrouwde hoogleraar is niets overgeleverd. Maar Niens eerste bewaarde liefdesbriefje (“Liefste! De heele dag was ik vol van je!”) dateert uit 1922.

De afstand tussen Rotterdam en Amsterdam lijkt de hartstocht alleen maar vergroot te hebben. Intussen deed Lil in 1926 haar doctoraalexamen. Door Nien gestimuleerd besloot ze aansluitend een proefschrift te schrijven. In 1928 scheidde Nien van Dorothea. Op 11 december 1930 promoveerde Lil als eerste vrouw in Nederland tot doctor in de economie, op haar dissertatie De besteding van het inkomen. En op 7 januari 1931 trouwde het stel en ging in Noordwijk wonen.

 

IISG-directeur

Al in 1928 was Lil even in contact gekomen met de vrouwenbeweging. In haar toenmalige woonplaats Scheveningen vergaderde de Vereeniging van Staatsburgeressen. Impulsief nam Lil er een kijkje. Ze vond het bloedsaai en bekende dat desgevraagd aan een oudere vrouw naast haar. Die wees haar er op dat de aanwezigen toch niet de eerste de besten waren en dat het doel toch heel nuttig was. Zij liet zich toen maar lid maken. “Wie is die vrouw eigenlijk”, vroeg zij later. “Wist je dat niet?”, was het antwoord. “Dat was Aletta Jacobs.” Die zou ze nooit meer ontmoeten: een jaar later was Jacobs dood. Bij die ene vergadering bleef het voorlopig. Opgelucht dat haar proefschrift af was, liet de kersverse mevrouw Posthumus de teugels vieren: veel bridgen, winkelen en theedrinken met vriendinnen. “Maar op den duur begon ik een beetje vervelend te worden”, bekende ze aan Cisca Dresselhuys, die haar in 1984 voor Opzij interviewde.

Ze kreeg weer iets nuttigs om handen, toen haar man haar in 1933 vroeg hem te helpen bij het corrigeren en inkorten van deel twee van zijn gigantische studie over de Leidse lakenhandel. Nien had het druk. Na Hitlers machtsovername in 1933 bereikten hem al snel de eerste berichten over bedreigde archieven. Die poogde hij te redden en onder te brengen in het NEHA. Daarvoor was geld nodig, dus zocht hij een financier. In oktober 1934 vond hij die in Nehemia de Lieme, de zionistische en sociaal voelende directeur van de Centrale Levensverzekerings- en Depositobank.

‘De Centrale’, opgericht in 1904, had al in de statuten staan dat een deel van de winst bestemd moest worden voor arbeidersontwikkeling en andere sociale doelen. De Lieme wilde wèl een vinger in de pap. Daarin voorzagen de NEHA-statuten niet. Dus kwam er een nieuwe rechtspersoon: het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, met als directeur (jawel) prof. dr. mr. N.W. Posthumus. Op 25 november 1935 werd de stichtingsakte getekend en op 11 maart 1937 werd het instituut officieel geopend in de voormalige meisjesschool Keizersgracht 264, door de gemeente ter beschikking gesteld. Intussen verwierf het IISG in 1938 de archieven van de Duitse sociaal-democraten, inclusief de papieren van Karl Marx en Friedrich Engels. In hetzelfde jaar kon de grote anarchistische verzameling van Max Nettlau worden gekocht. En zo ging het verder. Vanwege de oorlogsdreiging werd een deel van die archieven overigens voorlopig in Oxford bewaard.

 

Vrouwenarchief opgericht

Intussen was Lil alsnog in de vrouwenbeweging actief geworden. Zij was ervan overtuigd geraakt dat moderne vrouwen veel aan de oude feministes te danken hadden en dat het tijd werd dat jongeren het vaandel overnamen. Binnen de uit fusies ontstane Vereniging voor Vrouwenbelangen en Gelijk Staatburgerschap (VGGS) ontstond in januari 1935 een Jongeren Werk Comité, waarvan zij snel voorzitster werd. Dankzij AVRO-oprichter Willem Vogt (kennis van haar vader) kreeg ze ook de leiding van alle vrouwenprogramma’s van deze omroep – tot in de jaren vijftig was dat radiowerk een ware passie. Al doende raakte ze bevriend met tal van feministes: veteranen als de moederlijke Rosa Manus (geniaal organisatrice) en historica Johanna Naber, en van haar eigen generatie historica Jane de Iong (werkzaam bij het NEHA) en Mies Boissevain-van Lennep. De laatste werd een hartsvriendin.

Niet zozeer door de dictatoriale dreigingen alswel door het overlijden van de pioniersters, dreigden ook van de vrouwenbeweging veel archieven teloor te gaan, zoals dat van Aletta Jacobs. Nien Posthumus had de vrouwenarchieven graag toegevoegd aan zijn IISG, maar zal beseft hebben dat dit voor veel feministes een deur te ver was: ten eerste werd het instituut geleid door bijna uitsluitend mannen, maar bovendien was in de zeer diverse vrouwenbeweging het linkse imago van het instituut een hobbel. De gevierde Johanna Naber was bijvoorbeeld fel orangistisch. De gouden oplossing was een zelfstandig vrouwenarchief, stevig gesteund door en samenwerkend met het IISG.

Op 3 december 1935 richtten Lil Posthumus-van der Goot, Johanna Naber en Rosa Manus het Internationaal Archief voor de Vrouwenbeweging (IAV) op. ‘Mej. Manus’ werd presidente, ‘Mevr. Posthumus’ secretaris van het eerste bestuur. Het IISG in wording stelde twee kamers aan het IAV ter beschikking en gaf alle zelfverzamelde archieven en literatuur over de vrouwenbeweging in bruikleen. Ook Rosa Manus bracht er een groot deel van haar archief en bibliotheek onder.

 

Onderduikkind in huis

Nog eerder dan het IISG zelf, kon het IAV op 19 december 1936 worden geopend. Er waren geschriften over de positie van de vrouw te zien vanuit vele maatschappelijke stromingen. Maar er waren grenzen, blijkens het bestuursverslag van 12 december 1936: “Mevrouw Posthumus maakt de opmerking dat het verkeerd is bij de opening de communistische bladen te exposeren.” Dezelfde huiver bleek al in februari 1936, toen werd gesuggereerd ‘Mevr. Romein-Verschuur’  te vragen voor het bestuur (dr. Annie Romein-Verschoor, in 1934 bekend geworden als co-auteur van De lage landen bij de zee –red.): “Bij alle erkenning van al haar prestaties wordt nader contact meteen aanhangster van de communistische partij voorlopig niet in het belang van het I.A.V. geacht.”

In 1938 wist Lil haar man nog één keer op de barricaden te krijgen. Op een openbare bijeenkomst van ‘meisjesstudenten’ veroordeelde hij krachtig het wetontwerp van minister Romme om loonarbeid van gehuwde vrouwen te verbieden. Lil had al aangetoond dat de economie daar niet mee geholpen was. In datzelfde jaar kregen zij hun eerste en enige kind: Claire.

Na de Duitse inval in mei 1940 werd Nien Posthumus al snel verhoord, maar hij speelde trefzeker de rol van a-politiek geleerde. In juli 1940 confisqueerden de bezetters het pand. Alle archieven, boeken en brochures verdwenen naar Duitsland. De Duitsers legden ook beslag op het huis in Noordwijk; het echtpaar verhuisde naar de Boerhaavelaan in Leiden. Daar trok Lils zus Annie Diaz-van der Goot met haar dochter Liesbeth bij hen in. (In de oorlogschaos was zij haar Italiaanse man kwijtgeraakt.) In 1943 kreeg Claire er nog een zus bij: de zestienjarige Bep Koster, een joods meisje, net op tijd van deportatie gered. Met Mies Boissevain was Lil al een tijdje bezig joodse kinderen onder te laten duiken bij betrouwbare gezinnen. Het huishouden en de moederrol liet Lil intussen graag aan haar zus over. (Voor hun verzetswerk kregen het echtpaar Posthumus en Annie Diaz in 2008 postuum de Yad Vashem-onderscheiding.)

Uit protest tegen het ontslag van joodse collega’s had Nien In 1942 zijn hoogleraarschap neergelegd. Maar van rust was geen sprake. Hij legde oud zeer terzijde en werkte met medehoogleraar Jan Romein aan een plan voor een Politiek-Sociale Faculteit, als remedie tegen de gebleken politieke naïeviteit van de Nederlandse bevolking, en ook aan een Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Beide plannen werden na de oorlog werkelijkheid. “Mijn vader kon toveren!”, zegt dochter Claire. Hij kreeg alles voor elkaar. Enerzijds was hij zeer introvert, maar anderzijds een groot charmeur met een speelse geest. Zij dochter verblufte hij graag met vrolijke goocheltrucs.

 

De scheiding

Na de bevrijding bleek Keizersgracht 264 helemaal leeggeroofd. Beide instituten moesten helemaal opnieuw beginnen. Het IISG bofte: een groot deel van de collectie werd al in 1945 in Duitsland teruggevonden, maar het IAV was 90% van haar bezit kwijt. Pas in 1992 werden veel stukken, waaronder het archief van Rosa Manus, teruggevonden in Moskou; in 2003 keerden ze terug. Rosa Manus zelf was in de oorlog omgebracht. Lil Posthumus volgde haar op als IAV-voorzitter. In 1948 kwam zij in de schijnwerpers als samenstelster van Van moeder op dochter, het eerste grondige overzicht van het Nederlandse vrouwenleven in de 19de en 20ste eeuw. Haar echtgenoot begon een jaar later aan een nieuwe baan als directeur van de wetenschappelijke uitgeverij E. J. Brill in Leiden.

         Intussen was het huwelijk van Lil en Nien onder grote druk komen staan. In de halve villa Apollolaan 72, die zij na de oorlog in Amsterdam hadden betrokken, begonnen ze langs elkaar heen te leven, zeker toen in 1947-1948 dochter Claire in een Zwitsers sanatorium verbleef. Een probleem was ook Niens gebrek aan talent voor monogamie. Daarover werd al langer geroddeld. In de oorlog had hij Wil van Straalen ontmoet, geen mondige vrouw als Lil, wel uiterst zorgzaam. Hun verhouding viel voor Lil niet meer te verbergen toen kort na de oorlog hun zoon Rob geboren werd.

Zelf raakte Lil in 1949 gecharmeerd van de Amerikaanse professor James Christopher, directeur van een nieuw filiaal van uitgeverij Brill in Heidelberg. Bij een zakelijk conflict tussen hem en haar man, de algemeen directeur van Brill, koos zij Christophers kant. De boot was aan. In februari 1951 scheidde het echtpaar ‘van tafel en bed’. Nien ging met vriendin Wil in Wassenaar wonen, tot zijn dood in 1960. Lil bleef in de Apollolaan. Zij overleed pas in 1989, 92 jaar oud. Zo maakte zij nog de herleving mee van de vrouwenbeweging rond 1970. In Joke Smit en de Dolle Mina’s herkende zij geestverwanten.

Dit bijzondere huwelijk bracht de partners helaas geen blijvend persoonlijk geluk. Maar voor de geschiedwetenschap en diverse sociale bewegingen heeft het onmiskenbaar veel moois opgeleverd.