Nummer 3: Maart 2009 - De twee gezichten van Jan Pieter Heije

De twee gezichten van Jan Pieter Heije
Rebelse arts werd ‘dichter des vaderlands’
Tekst: Jan Stroop

032009_HeijeOp 1 maart 1909 werd de honderdste geboortedag van Jan Pieter Heije nog ruim herdacht. In het Amsterdams Concertgebouw en ook elders in het land. Maar een grootse viering van zijn 200ste geboortedag lijkt er niet in te zitten. Behalve misschien in Abbenes, het dorp waar hij begraven ligt. De medisch hervormer en dichter ‘Doctor Heije’ lijkt vergeten. Ten onrechte!

Als de moderne Amsterdammer al van Jan Pieter Heije gehoord heeft, is het dankzij een straatnaam in Oud-West. Een enkeling weet misschien dat hij de dichter is van talloze klassieke liedjes als Zie de maan schijnt door de bomen, De Zilvervloot, Een karretje op een zandweg reed en Er zaten zeven kikkertjes al in een boerensloot. Maar dat was niet de voornaamste reden voor die herdenkingen in 1909. Heije deed ook baanbrekend werk op het gebied van de gezondheidszorg, het muziekleven, het zang- en gymnastiekonderwijs en de gemeentepolitiek. En hij stichtte het Prinsengrachtziekenhuis. Reden genoeg om hem weer eens uit de vergetelheid te halen.
Jan Pieter Heije werd op 1 maart 1809 geboren op het Oudekerksplein, op de hoek van de Sint Annenstraat. Zijn vader was ‘baardsnijder’ oftewel barbier. Die erfde wat geld, zodat Jan Pieter naar de Franse en Latijnse school kon en tenslotte zelfs medicijnen ging studeren in Amsterdam en Leiden. In die laatste stad promoveerde Heije in 1832. Daarna werd hij huisarts in zijn geboorteplaats Amsterdam. Hij kon zich daar meteen bewijzen tijdens de zojuist uitgebroken cholera-epidemie. Zijn werk bestond uit het bezoeken van patiënten thuis en de nachtelijke cholerawacht in een buurtgebouw. Hij verdiende er een zilveren medaille mee van het gemeentebestuur “voor zijn moed en vertrouwen in de grootheid van de menselijke geest en liefde tot het volk”. Die liefde tot het volk heeft zijn leven voor een belangrijk deel bepaald.
Tijdens de cholera-epidemie werd Heije keihard geconfronteerd met de gebrekkige toestand van de gezondheidszorg. Sindsdien zette hij zich op alle fronten en met alle mogelijke middelen in voor verbetering. Allereerst in geschrifte, want Heije kende de macht van het woord al sedert zijn studententijd, toen hij in 1830 met zijn Wapenkreet zijn medestudenten opriep tot een veldtocht tegen de trouweloze Belgen. In 1838 richtte hij een tijdschrift op dat in zijn naam ten strijde trok: Wenken en Meeningen omtrent Geneeskundige Staatsregeling en Algemeene Geneeskunde. Zijn doelwit was de verouderde Staatsregeling van 1818, “die een schande is voor de wetenschap en eene misdaad omtrent de burgerij”. In 1841 omgedoopt tot Archief voor Geneeskunde werd Heijes tijdschrift hét forum voor dissidente progressieve meningen over geneeskunde en gezondheidszorg. Hijzelf pleitte hierin onder meer voor de instelling van een landelijk bestuurslichaam, dat zich moest bezighouden met alle aspecten van de volksgezondheid, zoals het testen van nieuwe producten, bouwvoorschriften voor scholen en fabrieken, het bestrijden van kwakzalverij, opstellen van rampenplannen, enzovoorts. En dat in 1841!

Pleegzusters aan de Prinsengracht
In dat jaar viel er ook al een succesje te boeken. De minister van Binnenlandse Zaken besloot namelijk een staatscommissie in te stellen die voorstellen moest doen voor verbetering van de gezondheidswetgeving. De jonge Heije aanvaardde het verzoek secretaris te worden. Dat bleek een lastige taak, want de commissie was verdeeld. De meerderheid wilde alles bij het oude laten, de minderheid wilde radicale verandering. Die twee standpunten waren niet te verzoenen, zelfs niet door Heije. Sindsdien werd hij pas echt fanatiek en publiceerde in zijn eigen blad het ene strijdbare artikel na het andere. Maar met weinig succes. Daarom besloot hij in 1849 met enkele gelijkgezinde medici tot de oprichting van de Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst. Heije werd secretaris en aanjager van de beweging en liet de bestaande kleine tijdschriften opgaan in het Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, nog steeds het officiële orgaan van de Maatschappij. De nieuwe Staatsregeling kwam er overigens pas in 1865.
Ook alledaagser aspecten ontsnapten niet aan zijn aandacht. Zoals de praktijk van de ziekenverzorging, waarover hij als huisarts uit eigen ervaring kon spreken: “Ik wil u niet bedroeven door de schildering van tooneelen, waarvan ik dikwerf ooggetuige was, noch den schijn op mij laden, als ware het mij te doen, om u Geheimen van Amsterdam te openbaren. Toch moet men die holen van ellende doorkropen hebben, om te kunnen gelooven en begrijpen wat daar geleden wordt, en hoe vele slagtoffers daar vallen, die de kunst welligt nog had kunnen redden, zoo hare onmisbare bondgenoote, eene goede verpleging, haar niet ontbroken had. Maar wat vooral opmerking verdient is dit. Ook bij de hoogste mate van barmhartigheid en hulpvaardigheid - een karaktertrek die onzer natie niet geheel ontzegd kan worden - missen verreweg de meesten de geschiktheid, om met zieken om te gaan, hun toestand dragelijk te maken en door eene verstandige verpleging de genezing in de hand te werken.”
Zo slap als Heijes versjes zijn, zo krachtig is hier weer eens dit proza uit 1843. En dit keer met effect, want in hetzelfde jaar slaagde hij erin een aantal medici en notabelen te winnen voor zijn plan tot oprichting van een Vereeniging voor Ziekenverpleging. Die vereniging zou zorgen voor de vorming van geschikte Ziekenoppasters, die de zieken thuis zouden komen verzorgen. Vermogenden betaalden ervoor, armlastigen zouden gratis hulp krijgen. Voor het financiële draagvlak werd gezocht naar donateurs. De ziekenoppasters zouden hun werk doen uit naastenliefde en er wel een bescheiden weekgeld voor ontvangen, plus kost en inwoning. Naar het voorstel van Heije werden ze pleegzusters genoemd, een woord dat bewaard gebleven is in de naam van zekere bloedwijn.
Maar de ambities van de Vereeniging gingen verder. Er moest ook een eigen ziekenhuis komen. Op 11 juni 1857 werd op de Prinsengracht het hospitaal van de Vereeniging voor Ziekenverpleging geopend, bij het nageslacht bekend als Prinsengrachtziekenhuis.
Ook de armenzorg moest volgens Heije radicaal anders worden aangepakt. Al een maand nadat hij 1853 in de gemeenteraad was gekomen, lanceerde hij een alternatieve ontwerpbegroting voor de geneeskundige armenverzorging. Zijn plan ging ervan uit dat armenverzorging van belang is voor alle burgers en moet leiden tot de verbetering van de totale openbare gezondheidstoestand. Heije pleite voor specialistische poliklinieken en wijklokalen. Ook moest er een nieuwe commissie van toezicht komen. Ondanks veel conservatief gesputter, werd zijn voorstel een jaar later dan toch aangenomen. Die toezichtscommissie werd in feite de voorloper van de huidige GGD.

Zang en gymnastiek
Het belang van ontwikkeling en onderwijs zag Heije steeds scherp in, ook door zijn eigen levensgeschiedenis. Vanaf 1844, toen hij secretaris werd van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, heeft hij zich ingezet voor onderwijs voor iedereen, in het bijzonder voor het zangonderwijs. Dat bevorderde hij daadkrachtig door het oprichten van volkszangscholen voor volwassenen en kinderen en door zijn steun aan de nieuwe zangmethode van Willem Smits. Tegelijk ijverde Heije voor verplichte zangles op de lagere school. Een feestelijke gebeurtenis waren de jaarlijkse Openbare examens Volkszangschool in de Kerk van de Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente op de Keizersgracht, nu bekend als De Rode Hoed. Bovendien besliste de gemeenteraad op zijn voorstel in oktober 1854 om gymnastiek op het lesrooster van de stadsscholen te zetten.
Als secretaris van 't Nut regelde hij dat ‘het Nut’ een eigen katern mocht bijdragen aan iedere editie van de aloude Enkhuizer Almanak, met een voor die tijd gigantische oplage van 20.000. Die katerntjes werden grotendeels door Heije gevuld met zijn bekende liedjes, ondertekend met ‘H’. Feitelijk redigeerde Heije de hele almanak. Vooral door die uitgaven zijn Heijes liedjes beroemd geworden. Vele zijn door componisten als Viotta en Van Bree op muziek gezet en daarna opnieuw gebundeld.
Ook ‘hogere’ muziek genoot Heijes belangstelling. Als vanzelf werd hij in 1843 secretaris van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Dat ‘bevorderen’ hield in: het uitschrijven van compositiewedstrijden, het organiseren van muziekfeesten (o.a. het legendarische Muziekfeest te Rotterdam in 1854), het verstrekken van compositieopdrachten op teksten (vooral van Heije zelf) en het opbouwen van een bibliotheek, maar vooral van het werven van nieuwe leden. Ook kwam er een pensioenregeling tot stand voor de weduwen van componisten.
Blijvende roem verdient Heije voor zijn oprichting (1868) binnen Toonkunst van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis, de oudste musicologische organisatie ter wereld. Hij wilde de Nederlanders doordringen van het grote belang van de Nederlandse muziek uit de 17de eeuw. Daar was in zijn tijd nauwelijks belangstelling voor, want die muziek was onbereikbaar, onzichtbaar en onhoorbaar. Heije riep op tot het doorzoeken van familiearchieven naar composities van Padbrué en Schuyt, maar bovenal natuurlijk van Jan Pieterszoon Sweelinck, die hij op een lijn stelde met Rembrandt. In 1876 gaf hij een eerste bundeling van psalmen uit.
Hiermee is de lijst van Heijes werkzaamheden nog lang niet volledig. Tussen de bedrijven door maakte hij bijvoorbeeld ruim 100 zingbare vertalingen van teksten bij cantates en oratoria, mét inleidingen. En hij schreef jaarverslagen, ontwerpen en artikelen voor de tijdschriften van de drie maatschappijen waarvan hij secretaris was.

‘Herr Direktor’
Heijes overstelpende productie en tomeloze energie hingen natuurlijk samen met zijn karakter. Hij had een grote geldingsdrang en was ijdel. Zijn vrienden noemden hem "Herr Direktor". Misschien werd die daadkracht ook bevorderd door zijn maatschappelijke burgerlijke staat. Tot 1850 woonde hij als vrijgezel bij zijn ouders op de Prinsengracht - en dan houd je tijd over. Hij trouwde pas toen hij 41 jaar was, maar toen was het ook goed raak. Zijn bruid was een van de rijkste vrouwen van Amsterdam, Maria Margaretha van Voorst, dochter van dominee Jan Jacob van Voorst. Ze was zestien jaar jonger dan de bruidegom.
Op het eerste gezicht wat vreemd dat de baardscheerderszoon van het Oudekerksplein bij Van Voorst over de vloer kwam, in dat statige huis, Herengracht 412. Maar Heije was een knappe vrijgezel, invloedrijk en welbespraakt. Ook Van Voorst was feitelijk boven zijn stand getrouwd en dat schept broederschap. Hoe dan ook, in de loop van de jaren veertig werd ‘Dr. Heije’ huisvriend van de familie Van Voorst, inclusief vier knappe dochters, vervolgens huisarts en tenslotte schoonzoon.
Door zijn huwelijk kreeg Heije ook te maken met meer materiële zaken. De familie Van Voorst was schatrijk dank zij de vrouw des huizes, Sophia Hoeufft die van meerdere rijke families afstamde. Maar ook Van Voorst wist wel hoe hij met het geld (van zijn vrouw!) moest omgaan, want toen in 1852 de Haarlemmermeer droog was gekomen, kocht Van Voorst voor ƒ900.000,- grond in het zuidelijke deel, bij Abbenes, waar hij boerderijen liet bouwen die hij weer verpachtte. Heije was daar van begin af bij betrokken geweest; eerst zijdelings, maar toen Van Voorst met zijn gezondheid begon te sukkelen, stelde hij in 1861 zijn schoonzoon aan als zaakwaarnemer. Heije bleek ook daarvoor heel geschikt; hij ontwikkelde ook nu weer allerlei ‘Wenken en Meeningen’. Zo schreef hij een brochure over de toen heersende veepest en pleitte voor de aanstelling van een "inspecteur van den landbouw". Elke week reed hij per koets naar Abbenes, waar hij ook een bewaarschool stichtte. Voor zijn goedheid wilde hij wél graag erkenning zien. In 1864 beknorde hij de burgemeester van Haarlemmermeer, die hem ongefrankeerde brieven stuurde en zodoende met strafport opzadelde: en dát na zoveel goedgunstigheid! Na nederige excuses van de burgemeester schold Heije hem bij wijze van extra donatie de ‘briefporten’ kwijt.
In zijn laatste jaren leed Heije aan vele kwalen en hij bouwde zijn werkzaamheden af, maar met de toonkunst bleef hij zich bemoeien. Het herverschijnen van Sweelinks psalmen mocht hij net niet meer meemaken. Heije overleed op 24 februari 1876 in Amsterdam en werd vier dagen later naar zijn wens begraven in Abbenes, in een grote familietombe. Op 1 maart zou Heije 67 jaar geworden zijn.