Nummer 7-8: Juli-Augustus 2006



Pleziertuinen, kolfbanen en lusthoven
Zomers vermaak in de stad
Tekst: Wanda Nikkels

07082006_PleziertuinenHet is zomer, de pretparken stomen vol met bezoekers. De Efteling, Hellendoorn, Slagharen, zelfs Disneyworld liggen door auto en trein praktisch ‘om de hoek’. Amsterdammers die in de voorgaande eeuwen vertier in de openlucht zochten, konden natuurlijk niet even op en neer naar Brabant of Parijs. Maar gelukkig konden zij terecht in de talloze pleziertuinen aan de rand van de stad.

Van alle pleziertuinen die de stad heeft gekend, is de 17de-eeuwse Oude Doolhof een van de bekendste. Al is het alleen maar omdat het de enige pleziertuin is waarvan iets tastbaars is overgebleven. Zijn voornaamste attractie, de beeldengroep van Goliath, David en Goliaths schilddrager zijn vandaag de dag te bewonderen in het restaurant van het Amsterdams Historisch Museum.
Over de oorsprong van het Oude Doolhof (destijds sprak men van ‘het’ doolhof, tegenwoordig geldt het woord als mannelijk) is niets bekend. De tuin op de Prinsengracht, aan de zuidkant van de Looiersgracht, is voor het eerst te zien op een kaart van Balthasar Florisz uit 1625: een vierkante doolhof op een omheind stuk grond. Daarnaast lag een binnenplaats die het begin- en eindpunt vormde van de rondgang langs de attracties van de pleziertuin. Wat de Oude Doolhof zoal te bieden had, valt te lezen in de zogeheten Doolhofboeken. Dat waren toeristische gidsjes die regelmatig verschenen en tot doel hadden om de belangstelling voor de attracties op te wekken. Zo konden bezoekers bier en ‘goewijn’ drinken in de herberg, wandelen over een overgroeid pad en lachen om de bedriegertjes (plotseling opspuitend water) die in het plaveisel waren verborgen. Naar verluidt was de doolhof populair bij jongeren die elkaar stiekem beminden.
Maar de grootste publiekstrekker waren de beelden. De reus Goliath kon door middel van een mechaniek in beweging worden gezet, daarbij van commentaar voorzien door een explicateur. Een ander beeld dat tot de verbeelding sprak, was dat van Besje van Meurs, een vrouwtje uit het Duitse Noordrijn-Westfalen die 32 jaar lang niet gegeten zou hebben en later als bedriegster werd ontmaskerd.
Mede door het succes van de doolhof op de Prinsengracht werden elders in de stad ook doolhoven gebouwd. Een daarvan, de Nieuwe Doolhof, was gebouwd op een deel van de oude, vanaf die tijd werden de doolhoven aangeduid als de Oude en de Nieuwe Doolhof. Een inventaris uit 1664 geeft ons een idee van de attracties: een prachtige fontein, een planetarium, een uitbeelding van het schrikbewind van de hertog van Alva, de moord op Willem de Zwijger, maar ook minder ernstige voorstellingen als zeven wijven die vechten om een mansbroek en een brullend ossenhoofd. Desondanks was de Nieuwe Doolhof minder succesvol dan de oude en had in korte tijd diverse eigenaren. Eind 17de eeuw verhuisde de tuin naar de Rozengracht, waar het uiteindelijk plaats moest maken voor het Rozenhofje.
De Oude en Nieuwe Doolhof richtten zich, gezien de attracties, op het ‘betere’ publiek. De Rode Doolhof, dat bij de derde Regulierspoort moet hebben gelegen (ongeveer op het huidige Thorbeckeplein), bood vertier voor een andersoortig publiek. Het refereerde bijvoorbeeld minder aan historische, mythische en bijbelse taferelen. De boeren die hier wekelijks kwamen voor de veemarkt konden zich vergapen aan beelden van schapen en koeien die door een inwendig mechaniek bewogen en dierengeluiden nabootsten.
Verder maken de bronnen rond 1640 melding van de Grote of Franse Doolhof dat ergens bij de Nieuwe Keizersgracht lag. Over deze doolhof is niet meer bekend dan dat het enige waterwerken en loden beeldjes bezat. De doolhof was geen lang leven beschoren, bij de stadsuitbreiding eind 17de eeuw is deze tuin verdwenen.

Kolfbanen verbannen uit de stad
Hoewel de Oude Doolhof pas in 1862 de deuren sloot en het terrein werd bebouwd met een school, verplaatste de ‘openluchtrecreatie’ zich veel eerder al naar de nieuwe randen van de stad. De welgestelde Amsterdammers bouwden hun privé-paradijsjes langs de Amstel en in de drooggelegde Watergraafsmeer. Tussen die luxueuze buitenplaatsen ontstonden de nieuwe pleziertuinen, vaak bij een herberg. Veel van die uitspanningen hadden een kolfbaan. De kolfsport werd al vanaf de Middeleeuwen beoefend, maar omdat het kolven gepaard ging met veel lawaai en schade aan gebouwen, legde de stad het spel aan banden. Het verplaatste zich vervolgens naar de rand van de stad, waar in 1769 wel zo’n 190 kolfbanen waren, waarvan 31 overdekt.
In de Watergraafsmeer werd de Maliebaan aangelegd, een laan evenwijdig aan de huidige Kruislaan. De baan was afgesloten met houten schuttingen met daarin openingen waar de spelers en het publiek de baan op of af konden. Naast de Maliebaan lagen verschillende pleziertuinen waar men zich kon vermaken met schoppen en wippen en het dwalen in een doolhof.
De bekendste kolfbaan was in die dagen gelegen bij herberg Stadlander bij de Boerenwetering (ter hoogte van de huidige Govert Flinckstraat). De uitspanning dankte zijn naam aan de 17de-eeuwse uit Duitsland afkomstige herbergier Dirck Stadlander. Aanvankelijk vonden hier geheime roomse bijeenkomsten plaats, maar later werd het een zeer populaire bestemming voor een zomerse wandeling buiten de stad. De aanloop was soms zo groot dat op initiatief van de burgemeester een roeischuitenveer werd ingesteld. Later verdween dit veer, maar voor een stuiver kon men zich vanaf de Weteringpoort laten overroeien. Het kolfspel verloor in de loop der eeuwen aan populariteit, maar in 1850 dichtte J. Brester nog over de Stadlander:
“Maar ook als langs Uwe kleine baren,
de lichte tentschuit henenschiet,
en Amstels jeugd aan ’t spelenvaren
En ’s avonds koelte en pret geniet.”
In 1869 viel de uitspanning ten prooi aan de stadsuitbreiding en zo verloor de stad zijn laatste kolfbaan.
Geen kolfbaan, maar wel een tuin vol plezier was de tuin bij molen De Hooiberg. Deze was gesticht door Theodorus de Vries, eigenaar van brouwerij De Hooiberg op de Nieuwezijds Voorburgwal. Met behulp van zijn schoonfamilie opende hij een tuin op het bolwerk Slotermeer aan het einde van de Anjeliersstraat. Het was een lusthof met speelhuizen, fonteinen, beelden en een grot. De Vries ging failliet en de tuin kwam in handen van een nieuwe eigenaar.
Hoewel naar de letter geen pleziertuin, mag hier Menagerie Blauw Jan toch niet onvermeld blijven. Deze voorganger van de moderne dierentuin was genoemd naar de gelijknamige herberg op de Kloveniersburgwal. Omstreeks 1675 begon herbergier Jan Westerhof, bijgenaamd Blauw Jan, exotische diersoorten te verzamelen als papegaaien, leeuwen, tijgers en panters. Maar ook opvallende mensen werden door hem tentoongesteld. Zo konden Amsterdammers zich in 1774 vergapen aan de Friese dwerg Wybrant Lolkes, “niet hoger dan 30 duim”. De faam van deze dierentuin avant la lettre dankt het aan het prentenboek De Wonderen der Natuur: in de menagerie van Blauw Jan zoals gezien door Jan Velten rond 1700, waarin exotische dieren uit Noord-Amerika uit de collectie van Blauw Jan zijn getekend en beschreven. In 1784 werd de menagerie opgeheven.

‘Bedekt door digte boomen’
Wandelen was een populair tijdverdrijf in de 17de en 18de eeuw. Met name de Amsteloevers waren een geliefd landschap. Vanzelfsprekend kon men daar terecht in talloze uitspanningen die vaak over een pleziertuin beschikte. De bekendste waren de IJsbreker, de Beerebijt en de Pauwentuin. De Beerebijt was een herberg ter hoogte van de huidige Tweede Jan van der Heijdenstraat en dankte zijn naam aan de honden- en berengevechten die er werden gehouden. De Pauwentuin, vernoemd naar tijdelijk eigenaar Michiel Pauw, was tot in de 17de eeuw een buitenplaats op de zuidhoek van de huidige Ceintuurbaan. In 1638 werd de tuin verkocht en het huis ging toen dienst doen als herberg. De uitspanning trok bezoekers uit heel Amsterdam en ook Rembrandt zou er te gast zijn geweest. Rond 1850 werd de herberg gesloopt. Een 18de-eeuwse lofzang beschrijft de heerlijkheden van de Pauwtuin:
“Men zit in d’open lugt, bedekt voor zon en winden
Door digte boomen,
die met hun verheven kruin een schaduw geven
aan deez’ aangenamen tuin”.
De pleziertuinen bleven onverminderd populair in de 19de eeuw. Door de economische en demografische stagnatie in die periode bleef tot rond 1860 de stadsgrens vrijwel onveranderd. Daardoor bleven oude pleziertuinen bestaan en werden vlakbij de stadswallen nieuwe geopend. Langs de Overtoom waren er veel te vinden, evenals rondom de Kwakerspoel, een grote plas in de huidige Kinkerbuurt (in de buurt van het huidige Kwakersplein). Eind 18de eeuw lagen hier verschillende uitspanningen en tuinen als De Keizerskroon (waar nu de Potgieterstraat is), de Collegietuin Mijn Genoegen en De Eendracht (later Buitenlust geheten) aan de westrand van de Kwakerspoel, ter hoogte van de huidige Ten Katestraat. Dat de activiteiten van de pleziertuinen zich niet altijd goed verhielden met andere bedrijvigheid op het eiland, bleek wel uit een ruzie in 1769 tussen de eigenaresse van molen De Koning Salomon (nu hoek Bilderdijkstraat en Van Alphenstraat) en de tuinexploitanten. Zo zou het publiek schuiten afmeren in haar balkhaven en illegaal vissen en afval in het water werpen. De tuinexploitanten op hun beurt klaagden over het kabaal van de molen. Ook heel populair was herberg De Drie Baarsjes, aan de overkant van de Kostverlorenvaart. De naam daarvan ging over op het buurtje eromheen en nog steeds is die terug te vinden in de naam van het stadsdeel. Daniël Willink bezong het buurtje:
“De Baarsjes een bekende buurt,
van ouds ’t vermaak der Amstelaaren,
waarlangs de nieuwe Weetring schuurt,
die uitlokt om te spelenvaren”.
Spelenvaren, het mag wel duidelijk zijn, was één van de bezigheden in veel pleziertuinen. We komen het wel vaker tegen in de liedjes en gedichtjes over pleziertuinen.
In de 17de en 18de eeuw richtten de pleziertuinen zich voornamelijk op een volwassen publiek, maar in de 19de eeuw werd het een plek waar het hele gezin zich kon verpozen. Doolhoven zijn geen attracties meer voor volwassenen, maar iets voor kinderen. In de nadagen van de Oude Doolhof meldt het opschrift van de toegangspoort: “Blijf voor de poort niet staan, treedt binnen lieve jeugd. De Doolhof, thans vernieuwd, biedt u de schoonste vreugd: fontein en orgelspel, vertooningen van ’t leven, dit alles zal u veel blijdschap geven.” ’t Vosje, ooit een tamelijk ruige herberg ten oosten van de stad waar veehandelaren overnachtten, veranderde in een beschaafde theetuin waar zomers “hele families uit den middenstand gezamenlijk met hun kinderen heengingen om daar een geheelen dag te verblijven, en waar de kinderen zich met wip, schommel, zweefmolen en andere spullen of wel paard- en ezeltjerijden konden vermaken”. Ook herberg De Roomtuintjes, aan de kop van de huidige Pieter Vlamingstraat bij de Mauritskade, trok op zonnige dagen gezinnen “met kinderwagentjes, zuigflesschen, vliegers, springtouwen, enz.” De herberg dankte overigens zijn naam aan de veehandelaren die er overnachtten. Als vergoeding mocht de herbergier de gestalde koeien melken en de room aan gasten verkopen. Een andere populaire bestemming voor een zondags uitje was speeltuin Schollenburg op de Weesperzijde, hoek Ringdijk. Er was een oranjerie en een hangbrug waar kinderen vanaf konden springen.

‘Een deftige buitenpartij’
Over het algemeen werden de pleziertuinen bezocht door de gegoede burgerij. Het entreegeld dat veel tuinen vroegen en de prijzen van de versnaperingen waren voor arbeiders immers niet op te brengen. Een zeer chique pleziertuin was de al eerder genoemde Keizerskroon bij de Kwakerspoel. De tuin werd afgehuurd voor “menig deftig buitenpartij, hele bruiloften zijn er gevierd, terwijl de ruime zaal een gezochte gelegenheid was voor groote diners”. Toen de Ridders van het Metalen Kruis er in 1856 dineerden ter gelegenheid van de aanstaande onthulling van het door hun bedachte monument op de Dam (‘Naatje’), kregen zij onder andere schildpaddensoep, ossenhaas, kalfsfricandeau en getruffeerde kalkoentjes geserveerd. Een andere pleziertuin van stand was Claudius Civilis, aan de kop van de Kinkerstraat, eigendom van de gelijknamige schuttersvereniging. In de tuin werd muziek uitgevoerd en officiële avondtuinfeesten gegeven. De tuin was zo groot dat ze zelfs gebruikt werd als opstijgplaats voor de destijds populaire ballonvaart.
In minder goed aanzien stond de Plantage. Dat blijkt wel uit het bekende gedichtje ‘De Kroeg’ van J.P. Heije:
“Al in de Plantage, daar is een kroeg;
Wel onder de bomen,
daar drinken ze laat en daar drinken ze vroeg,
daar drinken ze nooit haast jenever genoeg;
Mijn lief zeit: ik mag er niet komen.”
Het gebied was in de 17de eeuw binnen de stadsomwalling gebracht, maar door de stagnerende bevolkingsgroei onbebouwd gebleven. Er verschenen kleine uitspanninkjes, lusthoven en pleziertuinen. In 1844 opende een zekere A.J. de Boer er de Fransche Tuin, een uitspanning met een doolhof, fonteinen, prieeltjes, een Turkse tent en een veranda van Oosterse bamboe. Een van de grootste bekoringen was de Aloëfontein met een waterstraal die een bronzen kogel zwevende hield.
Een zeer twijfelachtige reputatie, althans bij de autoriteiten, had het voormalige zomerverblijf Gelderland ten westen van de Raampoort. Het was een tijdje een kartonnagefabriek geweest, en vervolgens omgevormd tot een ontspanningsgelegenheid onder de naam Volkspark. In de voormalige loodsen was onder andere een boogschutterbaan en een toneelpodium; in de tuin stonden speeltoestellen. De onderneming was geen succes en werd overgenomen door de Sociaal-Democratische Partij. Bijeenkomsten in het Volkspark eindigden vaak in (verboden) optochten. De tuin zou zelfs een rol hebben gespeeld in het beruchte Palingoproer.
Eind 19de eeuw viel het doek voor veel Amsterdamse pleziertuinen. Sommige tuinen, zoals de Pauwentuin, hadden allang hun glans verloren, door concurrentie of slechte exploitatie. Maar de meeste moesten het veld ruimen voor de stadsuitbreidingen. De grond was eigendom van de gemeente die eenvoudigweg de huur opzegde. Tuin Welgelegen op het bolwerk De Bogt (nu deels Zoutkeetsplein) mocht van de gemeente in 1856 nog flink uitbreiden, maar tien jaar later werd de pacht van de een op de andere dag opgezegd ten behoeve van de aanleg van het Westerkanaal. Schuttersvereniging Claudius Civilis vierde in 1901 zijn 50-jarig bestaan in het gezelschap van prins Hendrik op de schietbanen van ’t Vosje. Het was het laatste grote evenement bij de herberg. Enkele weken later werd het gebouw gesloopt en de bomen gerooid voor de bouw van de Borneostraat. De Beerebijt werd aangekocht door de Nederlandsche Bouw-Maatschappij van Samuel Sarphati die er een nieuw stadspark wilde aanleggen (een plan dat niet werd gerealiseerd). Enkele tuinen bleven tot ver in de 20ste eeuw voortbestaan zoals Flora, later Maison Boer op het huidige Weteringsplatsoen. In 1940 werd het gesloopt voor de bouw van een flat.
De ondergang van de particuliere pleziertuinen hing ook samen met de opkomst van een nieuw fenomeen: het voor iedereen vrij toegankelijke stadspark waarvan er eind 19de en begin 20ste eeuw veel werden aangelegd. Bovendien kwam door de komst van tram, trein en auto de rest van Nederland een stuk dichterbij de stad te liggen. De geschiedenis van de Amsterdamse pleziertuinen leeft voort in straatnamen (Roomtuintjes), cafénamen (Eik en Linde, ’t Kalfje) maar vooral in het beroemde kinderliedje:
“Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de Overtoom.
Drinken er zoete melk met room.
Zoete melk met brokken.
Kindje mag niet jokken.”