Nummer 7-8: Juli-aug. 2010 - De natste ruimte in huis

De natste ruimte in huis
De geboorte van de badkamer (1850-1945)
Tekst: Natasja Hogen

inhoud_290_kleinWater is iets om over te varen, wisten al de eerste Amsterdammers. Om in te vissen ook. Onder bepaalde voorwaarden kon je het zelfs drinken. Maar dat je er jezelf ook mee zou kunnen wassen, was lang geen populaire gedachte. Pas na 1850 veranderde dat. En rond 1900 werd die omslag ook zichtbaar in de woninginrichting. Een aparte badkamer werd voor de elite een prestigeobject. Amsterdamse sanitairleverancies speelden daarbij een hoofdrol.

Op badkamergebied was Amsterdam internationaal bepaald geen trendsetter. De oudste baden van Europa stammen van ver voor onze jaartelling. De Romeinen kenden uitgebreide thermen (badinrichtingen) en ook de eerste openbare toiletgelegenheden stammen uit deze tijd. In de Middeleeuwen en de Renaissance viel de hygiënische standaard echter ernstig terug. Baden werd zelfs gezien als een gevaar voor de gezondheid. Ook het toilet verdween; de behoefte deed men op straat of in een hoek in huis.
Die ontwikkeling kwam de volksgezondheid natuurlijk niet ten goede en  epidemieën waren aan de orde van de dag, ook in Amsterdam. Zowel de mens als de stad vervuilde ernstig, maar eeuwenlang werd het verband daarvan met de pest, de cholera en andere ziekten nauwelijks gelegd. Pas in de tweede helft van de 19de eeuw kwam hier duidelijk verandering in. Dat was allereerst te danken aan nieuwe medische ontdekkingen en analyses: met behulp van moderne microscopen werden ziekteverwerkers als bacteriën en virussen ontdekt. Ook kwamen er technische innovaties die het makkelijker maakten de vervuiling te lijf te gaan. Voor een goede hygiëne zijn immers een paar elementen essentieel: efficiënte toevoer van schoon water (voor drinken en wassen), snelle afvoer van afval (stadsreiniging, dus) en vuil water en fecaliën (riolering), goede ventilatie en veilige technieken om woningen (en water) te verwarmen.
Een eerste duidelijke blijk van het nieuwe denken was het Verslag aan den koning over de vereischten en inrichting van arbeidswoningen van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (1855). Over de bestaande toestand, vooral in de steden, velde het Instituut een vernietigend oordeel. Het dringendst moest er iets gebeuren aan de afvoer van huisvuil en fecaliën, de drinkwatervoorziening en de ventilatie van de woning.
Amsterdam had in december 1853 zijn eerste waterleiding gekregen, vanuit de duinen naar een pomp bij de Haarlemmerpoort. Initiatiefnemer was de particuliere Duinwatermaatschappij, met Engels kapitaal. Hoewel de Amsterdamse advocaat en romanschrijver Jacob van Lennep het boegbeeld was, zagen Amsterdamse ondernemers en de gemeente er aanvankelijk niets in. Vrij snel kwamen er tientallen openbare tappunten bij en geleidelijk werd het buizenstelsel doorgetrokken naar de huizen van rijke en later ook armere Amsterdammers. Voorheen werd het drinkwater door particulieren vanuit de Vechtstreek naar Amsterdam gevaren en opgeslagen in waterkelders. Ook was er uit diep geboorde putten opgepompt grondwater, vaak nogal troebel. Maar wie geen van beide kon betalen, dronk soms nog vies grachtwater, met alle gevolgen van dien.

De eerste badkamers
Ook wat betreft de stadsreiniging en de sector ‘pies & poep’ liet de gemeente het initiatief lang aan particulieren. Zo kreeg de ondernemende arts en weldoener Samuel Sarphati in 1848 het alleenrecht tot het ophalen van huisvuil en fecaliën en het legen van de stedelijke beerputten. Pas rond 1860 begon de gemeente met de aanleg van een rioleringsstelsel. In 1884 werd het eerste gemeentelijke centrale pompstation opgeleverd, aan het eind van de 19de eeuw was ongeveer 40% van de Amsterdamse huishoudens op het (helaas haperende) rioleringssysteem aangesloten. Dankzij de aanleg van particuliere gas- en elektriciteitsnetwerken, die rond 1900 werden overgenomen en uitgebreid door de gemeente, kwamen bovendien twee moderne energiebronnen beschikbaar voor steeds meer inwoners.
Al die ontwikkelingen leidden tot een nieuwe ruimte in het woonhuis: de badkamer. Bij de bouw van de nieuwe dure woningen rond het Vondelpark in de tweede helft van de 19de eeuw werd een badkamer vaak al standaard in de woningplattegrond opgenomen. De arbeiderswoning zou het nog tot halverwege de 20ste eeuw moeten stellen met een eenvoudig privaat of soms het multifunctionele lavet. Voor de welgestelden was de badkamer behalve functioneel, ook een manier om hun welstand en verfijnde smaak te laten zien.
Door de geweldige (maar slecht verdeelde) economische opbloei van Amsterdam na de opening van het Noordzeekanaal in 1876 kon de Amsterdamse elite alsnog aansluiting vinden bij de snelle ontwikkeling van de sanitaire techniek. In Engeland werden al in de 18de eeuw de eerste (kostbare) toiletten met een spoelsysteem ontwikkeld en in Frankrijk en de Verenigde Staten kregen begin 19de eeuw herenhuizen een badkamer. De meeste herenhuizen in Amsterdam beschikten rond 1850 al wel over een toilet in de woning, maar pas ruim daarna zouden badkamers in de mode raken. Toen dat gebeurde groeide uiteraard de vraag naar sanitair en al snel ook het aantal bedrijven dat daarin handelde. Grote buitenlandse firma’s waren onder andere Shanks (Verenigde Staten), Johnson & Brothers (Engeland) en Porcher (Frankrijk). Vooral de Amerikaanse invloed was sterk: in de VS waren al vroeg strenge ‘sanitation laws’ afgekondigd, waardoor de sanitairhandel lucratief werd.

Sanitair wordt industrie
In Amsterdam was  de firma Peck & Co een van de bekendste sanitairfirma’s, naast Heystee, Smit & Co en Th. van Heemstede Obelt’s Sanitair Technisch Bureau. George Peck, oprichter van Peck & Co, was van 1854 tot 1857 in dienst van het Britse bedrijf John Aird, dat het exclusieve recht had op de levering van sanitaire producten van de Duinwatermaatschappij. Toen in 1857 het contract tussen de Duinwatermaatschappij en John Aird afliep, sprong George Peck in het gat. Een goede gok: inmiddels konden steeds meer Amsterdammers het zich veroorloven zich aan te sluiten op gas en water. Peck & Co legde zich echter niet alleen toe op het ontwerpen, leveren en aansluiten van badkamers; de firma was ook graag kandidaat voor de aanleg van bijvoorbeeld openbare rioleringssystemen en waterpompen. Peck & Co groeide mee met de technologische ontwikkelingen: bewaard gebleven catalogi tonen zeker tot Tweede Wereldoorlog een zeer uitgebreid assortiment dat zich constant vernieuwde.
Hoewel de Amsterdamse firma’s veel sanitair zelf produceerden, bestond hun assortiment voor een belangrijk deel uit producten van de grote buitenlandse producenten. Voor degenen met een ruim budget was het daarnaast mogelijk om sanitair op maat te laten maken. Zo vermeldde Peck & Co in zijn catalogi dat “een aanvraag om maatwerk mogelijk is, wanneer niet gevonden in het afbeeldingenboek.” Met de stijgende vraag naar sanitaire producten kwam de massaproductie langzaam op gang, maar sanitair bleef lange tijd bar duur.
Het belangrijkste reclamemiddel waren catalogi. Deze rijk geïllustreerde en luxe vormgegeven boekwerken gaven niet alleen een beeld van alle losse onderdelen, maar ook voorbeelden van complete badkamers. Bovendien toonden ze decoratiepatronen en materialen. Tegelijk werden ze gebruikt voor promotie van de firma: veel catalogi tonen foto’s en tekeningen van winkels, fabrieken en werkplaatsen of platen die de geschiedenis van het sanitair verbeelden.
Bij het ontwerpen van een badkamer was doorgaans geen architect betrokken, omdat ze werden ingepast in bestaande woningen. De meeste sanitairfirma’s hadden bovendien eigen ontwerpers in dienst en konden alle aansluitingen verzorgen. In speciale toonkamers konden opdrachtgevers in één opdracht een complete badkamer bestellen. Anders lag het natuurlijk bij chique ‘onder architectuur’ te bouwen  woningen waarin meteen al een badkamer voorzien was. In een catalogus van Porcher richt de firma zich bijvoorbeeld nadrukkelijk tot de architect. Niettemin zullen er niet erg veel door toparchitecten zijn ontworpen, vanwege de hoge kosten van maatwerk.

Tegel vervangt tapijt
De Amsterdamsche Duinwatermaatschappij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de popularisering van de badkamer. In 1854 gaf ze een eerste boekje uit – De voordelen der Duinwaterleiding – met onder meer zestien voorbeelden van badkamers, losse toestellen en sanitair. Die waren nog heel eenvoudig, met weinig versiering. Na 1880 werden de aangeprezen badkamers bepaald luxueus. Inmiddels hadden ook sommige Amsterdammers buiten de echte elite een badkamer, zodat de echte rijken zich weer wilden onderscheiden door een nóg fraaiere versie. De eerste badkamers waren ingericht als een verlengstuk van de slaapkamer, met tapijt, gordijnen en behang aan de muur. Maar tegen het einde van de 19de eeuw werd de ruimte steeds sterieler door de toepassing van tegelwerk en andere gladde, hygiënische materialen.
Het sanitair, zoals de waskom en het bad, kregen aanvankelijk vaak een houten ombouw. Baden waren daarnaast vaak voorzien van een opstand of baldakijn. In Frankrijk ontstonden de ‘cabinets de toilettes’, houten meubelstukken waaruit een wastafel, bidet of zelfs een heel bad geschoven kon worden. In veel Franse catalogi zijn deze meubelstukken terug te vinden en ook in Nederland kwamen soortgelijke boudoirs voor. Deze afwerking van het sanitair was ingegeven door een aantal motieven. Ten eerste werd de samenleving in de 19de eeuw steeds preutser. Overdadige decoratie moest de baden, wasbaken en toiletten camoufleren door ze op gewone meubelstukken te laten lijken. De ombouwen werden geplaatst om de techniek te verhullen – of juist het ontbreken daarvan. Zo hadden wastafels in de eerste helft van de 19de eeuw vaak geen afvoer, maar werden ze geleegd in een emmer. Een ombouw onttrok deze aan het zicht. Na 1880 verdween de ombouw en verzonk de waskom in het blad. Want dankzij de voortschrijdende techniek werden wastafels onverplaatsbaar door toevoeging van een (warm)watervoorziening en afvoer. Aanvankelijk werd het meeste sanitair gemaakt van geëmailleerd ijzer, later steeds vaker van porselein.  

Douche krijgt voorkeur
In de laatste decennia van de 19de eeuw waren met name in Frankrijk voor het ontwerp van badkamers de uitbundige Louis XVI- en Empirestijlen erg populair, zoals goed te zien is in catalogi uit deze tijd. In Nederland was tot omstreeks 1920 naast een sobere variant van de Louis XIV-stijl vooral een Duitse, rationele stijl populair. Die onderscheidt zich vooral door veelvuldig gebruik van marmer. Deze stijlverschillen vinden we terug in de catalogi en advertenties. De firma Korsten adverteert bijvoorbeeld met een zwierige gedecoreerde badkamer in min of meer Franse stijl, terwijl de firma Van Heemstede Obelt een veel strakkere inrichting laat zien.     
Na 1910 werd de badkamerinrichting veel minder weelderig. De grote meubelstukken en overdadige decoratie verdwenen uit de badkamer. Ze maakten plaats voor een medisch-hygiënische stijl, waarbij het sanitair niet langer werd verhuld. Materialen moesten gemakkelijk zijn schoon te houden en ongevoelig voor krassen, waarin bacteriën zich kunnen verzamelen. Zo wordt in de catalogi van Peck & Co duidelijk vermeld dat het product onbeperkte garantie heeft tegen haarscheurtjes. De douche krijgt steeds vaker de voorkeur boven het bad. Deze ‘versobering’ van de badkamer betekende echter niet dat er bij het ontwerp geen aandacht meer werd besteed aan uitstraling en stijl: de variatie in het aanbod bleef groot. Hoewel voornamelijk in wit afgebeeld, waren de verschillende onderdelen in allerlei kleuren en voorzien van diverse motieven leverbaar. In catalogus 7A van Peck & Co (rond 1930) staan op de eerste pagina’s drie felgekleurde badkamers afgebeeld, in tulpenzwart, zacht lila, en Kopenhagen Blauw. De accessoires en poten van de wastafels zijn uitgevoerd in goud. Deze badkamers zijn ontworpen in de stijl van de Art Deco. De prominente positie van deze afbeeldingen in de catalogus doet vermoeden dat dergelijke in onze ogen vrij heftig gekleurde badkamers destijds erg populair waren. Tot de Tweede Wereldoorlog blijft de Art Deco de boventoon voeren in de verschillende catalogi.