Nummer 11-12: November-December 2012 - Slopershamer bedreig Carre


11-2012_Mar_Carre
Het lijkt onvoorstelbaar, maar in 1968 stond Carré op de nominatie voor de sloop. De eigenaar, vastgoedmagnaat Zwolsman, wilde het uitstekend draaiende theater verkopen aan een hotelketen. Carré werd gered dankzij een meesterzet van de latere burgemeester Polak.

Het Koninklijk Theater Carré viert in december zijn 125-jarig bestaan. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. In 1968 maakte projectontwikkelaar Reinder Zwolsman bekend dat hij Carré wilde slopen om er een hotel neer te zetten. Een golf van ontzetting ging door het land.
Het verhaal van Zwolsmans bijna fatale bemoeienis met Carré begint in 1963. Karel Wunnink is op dat moment al tien jaar directeur. Hij is de opvolger van de legendarische Alex Wunnink, zijn vader, die in de jaren dertig Carré uit een diep dal heeft getrokken. Ook onder zoon Karel gaan de zaken voorspoedig, tot het abrupt zwaar tegenvallende seizoen 1962-1963.
Toeval of niet, juist dan laat onroerendgoedmagnaat Reinder Zwolsman zijn oog op het theater vallen. Zwolsman, man van het grote gebaar, is al een spraakmakende figuur. In zijn jeugd droomt hij van een carrière als operazanger, maar nadat hij voor het Koninklijk Conservatorium is afgewezen, kiest hij voor de bouw. En dat zal Nederland weten. Vooral in en om Den Haag stampt hij tijdens de wederopbouw tal van nieuwbouwwijken en winkelcentra uit de grond. Weldra gaat Zwolsman zich ook als projectontwikkelaar manifesteren en begeeft hij zich op het overnamepad. Zijn spectaculairste actie is de koop in 1962 van de Exploitatie Maatschappij Scheveningen (EMS), die in en om de badplaats een groot aantal ondernemingen bezit, onder meer de kort daarvoor door Zwolsman gebouwde Scheveningse pier en enkele grote hotels, maar ook het Kurhaus, het Circustheater en het Haagse Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen (K&W). Binnen een jaar dijt Zwolsmans EMS uit tot een miljoenenimperium.
Het einde is echter nog lang niet in zicht. In januari 1963 komt ook Amsterdam in beeld. Zwolsman koopt onder meer restaurant Lido op de Leidsekade. Waarschijnlijk is het effectenmakelaar G.E. van der Werff die Zwolsman op Carré attendeert. Sinds 1951 bezit hij een bescheiden aantal aandelen van NV Exploitatiemaatschappij Carré en roert hij zich steeds meer op de aandeelhoudersvergaderingen. Waar de grootaandeelhouders – naast directeur Wunnink zijn dat jhr. Jan Six en A. Benders namens de Amstelbrouwerij en Herman Baanders jr. namens architectenbureau Baanders – het theater altijd veeleer uit liefhebberij dan uit winstoogmerk hebben bestuurd, eist Van der Werff steeds weer dat het aandelenkapitaal wordt uitgebreid en het dividend verhoogd. Zelfs oppert hij vanaf 1960 meermalen verkoop van het theater, maar die optie veegt president-commissaris Six resoluut van tafel.

Zwolsmans manieren
Nadat de gezaghebbende Six in mei 1961 is verongelukt en Baanders jr. begin 1963 zijn aandelenpakket aan Van der Werff heeft overgedaan, ziet deze zijn kans schoon opnieuw voor verkoop te pleiten. En in Zwolsmans expansieve EMS heeft hij een rotsvast vertrouwen. Doorslaggevend is ook dat Karel Wunnink wel oren heeft naar een overname door EMS. Niet alleen kan hij Carré zo deel laten zijn van een netwerk van theaters, daarnaast heeft hij inmiddels de smaak van het theatermaken goed te pakken en treedt hij steeds vaker zelf op als producent. Aangestoken door de musicalrage die na het succes van My Fair Lady is opgestoken, heeft hij begin 1963 met revuekoning René Sleeswijk een musicaltrust opgericht: als eerste staat voor 1964 een Nederlandse The Sound of Music op de rol.
De deal tussen EMS en Carré is verbluffend snel rond. Binnen een week na de eerste verkennende gesprekken wordt de zaak op 14 maart 1963 beklonken. De NV Exploitatiemaatschappij Carré ressorteert voortaan onder EMS. De exploitatie zal “op de oude voet worden voortgezet”; Wunnink blijft directeur. Mocht hij nog twijfels hebben gehad, dan zullen de financiële voordelen hem over de streep hebben getrokken. Niet alleen is hij na de verkoop van zijn EMS-aandelen in maart 1963 in één klap ƒ800.000,- rijker – een aardig startkapitaal voor een theaterproducent –, tevens wordt zijn salaris per direct met 50% verhoogd. De toekomst lijkt er zonnig uit te zien.
Intussen wordt in die eerste Zwolsman-jaren de Carréprogrammering steeds gevarieerder. Als vanouds zijn er circusvoorstellingen en de Snip & Snap-revues (met Willy Walden en Piet Muyselaar). Maar daarnaast brengt Toon Hermans er in 1963 met overdonderend succes het fenomeen onemanshow. Ook de avant-garde heeft de weg naar Carré gevonden. In 1966 presenteert de jonge Simon Vinkenoog er de dichtersmanifestatie Poëzie in Carré (binnen een halve dag uitverkocht). Bepaald gedurfd is Erik Vos’ geëngageerde versie van De Perzen van Aischylos. De manifestaties van Koert Stuyf zetten de dansimprovisatie op de kaart. Ronduit geruchtmakend is de ‘revolutionaire opera’ Labyrint (1966) van Peter Schat en anderen. In Carré gebeurt het! Maar dan, ineens, brengt de eigenaar het theater op zijn manier op de voorpagina’s.

Klap voor showbusiness
“Slopershamer bedreigt Carré”, koppen de kranten op 10 april 1968. Een dag eerder heeft EMS-president Zwolsman op de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering verkondigd dat hij van het theater af wil. Hij sluit niet uit dat het met de grond gelijk wordt gemaakt om plaats te maken voor een hotel van de Amerikaanse Pan Am-keten, die interesse zou hebben getoond. Op vragen van de verbijsterde journalisten provoceert hij: “Ik zal er geen traan om laten als Amsterdam na eventuele verkoop van Carré een bekend theater verliest. Het kan ons niets schelen wat er na verkoop met het pand gebeurt. Het belangrijkste is dat wij er een goede prijs voor krijgen.” Wel zegt Zwolsman best mee te willen werken als de gemeente het theater voor de stad wil behouden. Maar met minder dan ƒ5,5 miljoen neemt hij geen genoegen.
De aankondiging slaat in als een bom. Dagenlang is Carré voorpaginanieuws, onderwerp van hoofdredactionele commentaren en politieke tekeningen. Geen wonder: meer dan ooit is Carré de jaren daarvoor uitgegroeid tot het theater van alles en iedereen: van echtparen op hun paasbest, huisvrouwenverenigingen en klaverjasclubs uit de provincie tot provo’s in rafelige spijkerbroeken, van balletliefhebbers tot poëzieminnaars. Ook degenen die nog nooit een voet in het theater hebben gezet, kennen Carré inmiddels van binnen door de vele televisieregistraties. In de meeste bladen strijden ongeloof en afschuw dan ook om voorrang. Volkstoneeldiva Beppie Nooy jr. en Toon Hermans treuren luidkeels om het einde van hun tweede thuis en grote producenten als René Sleeswijk verklaren dat met theater Carré ook de showbusiness zal sterven.
Het mogelijke einde van Carré mag voor de meeste Nederlanders als een donderslag bij heldere hemel komen, voortekenen waren er genoeg. Iedereen die Zwolsman een beetje is blijven volgen weet dat de vastgoedmagnaat zich even gemakkelijk van zijn nieuwe aanwinsten ontdoet als hij ze heeft verworven. Al in 1964 wordt zonneklaar dat niet exploiteren maar speculeren Zwolsmans lust en leven is. In afwachting van (liefst naïeve) kopers, verwaarloost hij zijn panden en ondernemingen. De vakbonden staan machteloos; voorlopig kan hij zijn speculatiedrift ongestoord voortzetten.
 
Theater als melkkoe
Maar het EMS-bastion gaat stevige scheuren vertonen als de bank en ook betrokken gemeenten het geloof in Zwolsman verliezen. Geruchten dat de EMS met liquiditeitsproblemen kampt, steken de kop op. Al in oktober 1964 berichten diverse dagbladen dat Zwolsman niet alleen zijn verliesgevende horecasector, maar ook het Kurhaus en Carré van de hand zou willen doen, wat hij echter “met grote verontwaardiging” ontkent. In oktober 1966 belooft Zwolsman Carré op te knappen, zij het zuinig: “Carré is een oud bakbeest, maar nog wel bruikbaar. Als er gerestaureerd zal worden, zal dat zeer bescheiden zijn. We hebben Carré in de eerste plaats als een soort belegging.” Wunninks pleidooi voor modernisering van de zaal vindt dan ook geen gehoor.
Na 1966 raakt de EMS steeds dieper in de problemen. Gevolg is dat Zwolsman de resterende, niet-winstgevende horecapanden en theaters vanaf 1968 één voor één van de hand doet. Ook Carré komt aan de beurt.
Eigenlijk heeft het theater sinds de overname helemaal niet zo slecht gedraaid. Vooral dankzij Toon Hermans zijn de bezoekerscijfers vanaf 1963 weer snel gestegen. In de jaren daarna behaalt Carré zelfs uitstekende bedrijfsresultaten. Dat het theater desondanks niet winstgevend is, is het gevolg van de melkkoeconstructie die Zwolsman toepast. De nettowinst komt niet meer ten goede aan de reserves, maar verdwijnt in de bodemloze put van de EMS.
Karel Wunnink moet al snel heimwee hebben gekregen naar de gemoedelijke onderonsjes met zijn oude commissarissen. Jan Six mag dominant zijn geweest, nu ziet hij zich geconfronteerd met een opvliegende president-commissaris die de winsten wegsluist en geen enkele tegenspraak duldt. De notulen van het commissarissenoverleg maken pijnlijk duidelijk dat Wunnink geen partij is voor Zwolsman. Bovendien is hij veel kwetsbaarder dan vóór de EMS-overname: nu hij niet langer grootaandeelhouder is, kan hij van het ene op het andere moment op straat worden gezet. Hij houdt zich dus opvallend stil.

Brutale overrompeling
Alle ogen zijn nu gericht op de gemeente Amsterdam, met name op Wim Polak (PvdA), wethouder voor Kunstzaken en Financiën. Door te suggereren dat het lot van het theater uitsluitend in handen ligt van de gemeente, leidt Zwolsman de aandacht af van het feit dat hij en niemand anders de kwade genius is achter de sloopplannen. De Groene Amsterdammer is een van de weinige bladen die daar niet in trapt: het spreekt van “een van de brutaalste staaltjes van overrompeling waaraan een gemeenschap ooit bij klaarlichte dag heeft blootgestaan.”
Op 12 april 1968 verwoordt Toneelschooldirecteur Jan Kassies in Mies Bouwmans veelbekeken praatprogramma Mies en scène het gevoel van talloze kijkers: “Carré is het theater waar geen onderscheid wordt gemaakt tussen kleinkunst en zogenaamde Kunst met een grote K. Er is in ons land maar één theater waar we allemaal komen en dat is Carré. Amsterdammers en niet-Amsterdammers, hoogleraren en mensen van het spoor, werknemers en middenstanders. In Carré zijn we allemaal gelijk. Er is maar één nationaal theater en dat is Carré. Carré is van ons!” Waarop Bouwman alle kijkers oproept een kaartje met de tekst ‘Carré is van ons’ te sturen aan de burgemeester van Amsterdam – niet aan Zwolsman, dus.
Binnen twee weken ontvangt burgemeester Ivo Samkalden meer dan 10.000 kaarten, brieven en treurdichten, 60% is van Amsterdammers. Intussen zit de gemeente daar allerminst op te wachten. Natuurlijk staat voor B&W als een paal boven water dat Carré niet mag verdwijnen. Maar tot welke prijs? De gemeente zit mede door de metroaanleg juist dan erg krap bij kas. In een uitvoerige terugblik zal Wim Polak later schrijven: “Ik besefte: Dat is geen gunstig onderhandelingsklimaat voor de gemeente: hoe harder iedereen roept dat Carré niet verloren mag gaan, des te hoger kan Zwolsman zijn prijs opdrijven.”
De onderhandelingen beginnen snel. In Zwolsman heeft de gemeente een geduchte tegenstander. Van het eerste joviale gesprek op 24 april op Zwolsmans landgoed Rust en Vreugd in Wassenaar komt Polak met lege handen terug: de ƒ2 miljoen die hij namens de gemeente kan bieden, komt niet eens in de buurt van Zwolsmans vraagprijs.

‘Nu is het genoeg’
Maar dan bedenkt Polak een meesterzet. Op zijn instigatie neemt de gemeenteraad op 2 mei 1968 in allerijl een voorbereidingsbesluit voor een bestemmingsplan van het gebied ‘Weesperstraat-Amstel’. Dit dicteert dat de grond waarop Carré staat is voorbehouden aan een “recreatief-artistieke accommodatie”, zodat de bouw van een hotel of kantoorkolos is uitgesloten. Omdat Carré (nog) geen monumentenstatus geniet, blijft het gevaar van sloop bestaan, maar Zwolsmans onderhandelingspositie is danig verzwakt. Vanaf dat moment verlopen de onderhandelingen een stuk grimmiger. Zwolsmans eerste bezoek aan het stadhuis op 2 september dreigt zelfs volledig uit de hand te lopen. Om te beginnen laat hij Samkalden en Polak anderhalf uur wachten – een truc die hij wel vaker toepast “om indruk te maken”, zal hij jaren later aan Polak toegeven. Polak is er getuige van hoe Zwolsman rood aanloopt en begint te schelden en te tieren. Tot de ijskoude Samkalden gedecideerd zegt: “Nu is het genoeg. Of u praat rustig verder of het gesprek is nu afgelopen.” Toenadering komt er niet.
Twee jaar lang blijft de zaak muurvast zitten en laat Zwolsman Carré verkommeren. Tot grote woede van de gemeente (de onderhandelingen lopen immers nog) maakt Zwolsman op 31 maart 1970 bekend dat hij het theater op 1 juli zal sluiten. Weer is het land verbijsterd. Een uitzending van AVRO’s Televizier (19 april 1970) waarin Jaap van Meekren onverwachts Zwolsman en Polak met elkaar confronteert, verloopt tumultueus, maar na afloop stelt Zwolsman zowaar voor een bemiddelaar in te schakelen. Dat wordt GAK-directeur en oud-wethouder mr. Goos van ’t Hull. In oktober stelt hij voor dat de gemeente Carré in huur krijgt voor een door drie experts te betalen bedrag en de exploitatie betaalt. Na uiterlijk tien jaar wordt de gemeente eigenaar voor een nog te taxeren bedrag.

Kleine lettertjes
Een eindeloos gehakketak over de kleine lettertjes volgt voordat het contract op 28 april 1972 wordt getekend. Intussen doet Zwolsman er alles aan de gemeente op kosten te jagen en directeur Wunnink het leven zuur te maken. Voor het Carrépersoneel zijn die jaren 1970-1972 de zwaarste tijd. Daarna komt er meer lucht. Gelukkig blijft publiekstrekker Toon Hermans het theater trouw en krijgt het theater nieuwe publiekstrekkers, zoals Herman van Veen en de musicals van Annie M.G. Schmidt en Harry Banning.
Een jaar nadat de gemeente exploitant is geworden sterft op 3 mei 1973 Karel Wunnink plotseling. Gelukkig is een opvolger snel gevonden in de persoon van Guus Oster. De toneelgroepleider was afgebrand tijdens de Aktie Tomaat in 1969, maar vindt bij Carré weer zijn draai. Als volbloedcharmeur weet hij de gemeenteraad te verleiden tot flinke investeringen. Eerder dan verwacht wordt de gemeente Amsterdam in december 1977 voor ƒ 3,3 miljoen eigenaar van Carré. Wim Polak mag de akte tekenen – nu als burgemeester. De koopsom ligt weliswaar in de buurt van zijn eerste bod, maar intussen heeft de gemeente Carré voor nog eens ƒ 3,6 miljoen laten opknappen. Klaarblijkelijk is het theater de stad heel wat waard.

Tekst: Mariëtte Wolf
M. Wolf is mediahistorica en schrijfster. Dit artikel is een sterk bekorte versie van de hoofdstukken over de ‘Zwolsman-jaren’ in haar boek Een plek om lief te hebben. Geschiedenis van Carré, dat begin december verschijnt bij Uitgeverij Boom.
Eind september publiceerde de Wim Polak Stichting Vier jaar strijd om Carré, het relaas dat Wim Polak (1924-1999) zelf schreef.