Nummer 7-8: Juli-Augustus 2012

Amsterdams mooiste terras in de 19de eeuw

Het Tolhuis bij de Buiksloterwegpont bestaat 350 jaar


07-2012_Tolhuis
350 jaar geleden werd het eerste Tolhuis aan de IJ-oever in Noord gebouwd. Dat is al een heuglijk feit op zich. Maar nog mooier is dat de prachtige Tolhuistuin – ruim een halve eeuw lang ‘ingepikt’ door Shell – nu ook weer toegankelijk is. En dat niet alleen: er worden steeds meer boeiende evenementen georganiseerd.

In Naar het Tolhuis – een stomme film uit 1899 – spoedden de vedettes van de revue, Roland en Camilla, zich naar het IJ om de Tolhuisboot maar niet te hoeven missen. Op de pont begon het feest al. Één pretmaker heft (blijkens de ondertiteling) een razend populair revuelied van Leon Boedels aan:
“Als ’t Zondag is en heel mooi weer, en lekker in de lucht,
Dan zegt de man zoo tot z’n vrouw: ‘Kom nu de stad ontvlucht!
Naar ’t Kalfje of naar Schollenbrug, wat staat je ’t meeste aan?
Of zullen we gezelligjes al naar het Tolhuis gaan?’”
En dan barst iedereen uit in het refrein: “(…) Ja, Tolhuis, Tolhuis, Tolhuis, kiele kiele Tolhuis, kiele kiele hopsasa!” (Bis!)
Ja, naar het Tolhuis ging je voor je plezier. Een populaire bestemming was het al sinds mensenheugenis. Toen de stoompont in 1842 ging varen, nam het aantal bezoekers flink toe en bleef het Tolhuis tot het begin van de 20ste eeuw een plek waar Amsterdammers graag hun vrije tijd doorbrachten. Dat was toen voor een belangrijk deel te danken aan de grote Tolhuistuin rondom het etablissement die later deels werd bebouwd en afgesloten voor iedereen behalve werknemers van Shell, de grote buurman. Maar gelukkig: ook de Tolhuistuin is sinds kort weer publiek terrein!
In de 350 jaar van zijn bestaan heeft het Tolhuis zo’n beetje de hele geschiedenis van Amsterdam ten noorden van het IJ voorbij zien komen. Zelf veranderde het Tolhuis natuurlijk ook: van tolgaarderswoning tot horecagelegenheid en ‘buurthuis’. Intussen werd het pandje, oorspronkelijk de enige bebouwing op de noordelijke IJ-oever, steeds meer aan het zicht onttrokken. Maar het staat er nog en dat is het vieren waard.

Tolgaarder en logementhouder
In de tijd dat het Tolhuis er werd neergezet was de landtong die nu het zuidelijkst deel van Amsterdam-Noord is een stuk smaller dan nu. Alles ten westen van de huidige ‘Shelltoren’ moeten we wegdenken: dat deel is pas veel later ingepolderd. Het schiereiland tegenover het Damrak stond bekend als de Volewijck, waarschijnlijk afgeleid van Vogelwijk. Het was de zuidwaartse uitloper van Waterland en bestond grotendeels uit drassig grasland vol watervogels.
Over die Volewijck had de stad Amsterdam al in 1393 de jurisdictie gekregen van de graaf van Holland. Als zich hier boeven ophielden, mocht het stadsbestuur ze oppakken en berechten. Hier richtten de Amsterdammers kort voor 1400 ook hun galgenveld in. Veroordeelden werden hier ná hun executie (meestal op de Dam) opgehangen tot hun lijken waren verteerd. De silhouetten waren goed zichtbaar vanuit de stad en nóg beter voor wie over het IJ Amsterdam binnen zeilde – als waarschuwing voor eenieder die van plan mocht zijn van het rechte pad af te wijken. En op den duur ook als spannende toeristische attractie.
In 1660 werd even ten oosten van het Galgenveld begonnen met het graven van de Buikslotertrekvaart, vanaf het IJ noordwaarts door de Volewijck heen naar Buiksloot, Broek in Waterland, Monnikendam, Edam en Hoorn. Deze vaart was de voorloper van het huidige Noordhollandsch Kanaal (Amsterdam-Den Helder), dat in 1824 openging. Het onderhoud van de trekvaart zou worden bekostigd door het heffen van tolgelden, natuurlijk allereerst meteen aan het begin van de vaart. Daar kwam in 1662, toen de vaart geopend werd, een huisje voor de tolgaarder en zijn gezin: het allereerste Tolhuis.

Welkom uitje
Tot in de 19de eeuw was Amsterdam vanaf het IJ bezien afgesloten door een dubbele rij palen met een paar doorgangen. Na zonsondergang gingen die dicht met lange balken (de ‘bomen’). Wie te laat kwam, moest een nachtje wachten. Kamperen naast een galgenveld was natuurlijk niet ideaal, dus werd de tolgaarder tegelijk logementhouder.
Het oude Tolhuis was een eenvoudig houten gebouwtje, zo laat de 17de-eeuwse ets Gezicht van ’t Tolhuis zien. De dubbele schoorsteen doet vermoeden dat de twee delen waaruit het gebouw bestond allebei verwarmd waren. Stellig was het Tolhuis al tevens een logement toen de tekening werd gemaakt. Erachter zien we de Buikslotertrekvaart. Op het IJ is het druk, zeilboten en roeibootjes varen af en aan, een aantal is aangemeerd tegen de houten kadewand. Op de trekvaart wordt zowaar gezeild: zuidenwind, dus! Anders zouden we paarden zien die de schepen voorttrekken.
In 1770 werd er een theekoepel bijgebouwd. Weer een kleine eeuw later voldeed het complex echter niet meer en moest er een nieuw Tolhuis komen. In 1859 werd het nu nog bestaande Tolhuis gebouwd, in gele baksteen, naar ontwerp van assistent-stadsarchitect Willem Springer. Nu werd er ook een grote tuin bij aangelegd, door stadsingenieur Petrus van der Ster. Die tuin zou zeer bijdragen tot het succes van het Tolhuis.
De nieuwe eetgelegenheid werd een zeer welkom uitje voor de Amsterdammers. De overvolle stad – die bijna uit haar omwalling barstte – konden ze even ontvluchten door over te steken naar de landelijke sfeer van de noordelijke IJ-oever. (Het Vondelpark ging pas open in 1865.) Gekleed in hun zondagse goed konden de dames en heren genieten van het uitzicht over Amsterdam.

Zwieren en kegelen
Rond 1870 begon een nieuwe traditie: openluchtconcerten in de Tolhuistuin. Na een kleine teruggang na de populariteit van het Tolhuis met zijn tuin weer toe. En toen Pieter Mol in 1872 de nieuwe uitbater werd, begon de glorietijd, die zeker een jaar of 30 zou duren. Als oud-exploitant van Frascati in de Nes had hij ook een reputatie te verliezen. Mol liet een dansvloer aanleggen, bouwde een kegelbaan, een schietbaan en een speeltuin. Voor de zomerse concerten (op donderdag- en zondagavond) engageerde hij diverse orkesten. Het allerpopulairst werd de militaire kapel onder leiding van Johan Zaagmans (‘de Mengelberg des volks’), die hier optrad van 1882 tot 1912.
Inmiddels was vanaf het Tolhuis het uitzicht op de stad drastisch veranderd. Het eeuwenoude panorama van scheepsmasten en kerktorens, was verdwenen achter de grauwe IJ-zijde van het in 1889 geopende Centraal Station. Het effect was niet meteen te merken, maar na 1900 werd de aantrekkingskracht van het Tolhuis duidelijk minder.
Ook de hele noordoever begon te sterk te veranderen. In de 19de eeuw was ten westen van de Volewijck al de Buiksloterham ingepolderd. Dat bleef lang agrarisch gebied maar de opbrengt was pover. Dus bedacht de gemeente rond 1900 een heel nieuwe toekomst voor heel Noord: een toekomst grotendeels in het teken van scheepsbouw en industrie. Maar moesten die arbeiders dan allemaal twee keer daags het IJ over? In tweede instantie besloot de raad dat er ook nieuwe woonwijken moesten komen. Dat werd, in de jaren twintig, de huidige ‘Van der Pekbuurt’ (vernoemd naar architect J.E. van der Pek; zie pag. 307 e.v. in dit nummer), direct aansluitend op het Tolhuistterrein, en daarachter de vermaarde tuindorpen Nieuwendam, Buiksloot en Oostzaan.

Grote buurman Shell
Maar eerst werden in 1913 en 1919 pal ten noorden en ten westen van het Tolhuis nog twee van de grootste manifestaties gehouden die Amsterdam ooit beleefde: de Entos (Eerste Nederlandsche Tentoonstelling Op Scheepvaartgebied) en de Elta (Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam). Voor de Entos werden in 1913 een paar bijgebouwtjes van het Tolhuis uit 1859 gesloopt, maar er kwam ook een mooie attractie bij: het IJ-paviljoen, met een terras aan het water, vlak ten westen van de aanlegsteiger van de pont, deels ontworpen door Pieter Lodewijk Kramer.
Veel bepalender nog voor het lot van het Tolhuisterrein werd het feit dat in 1867 de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) – voorganger van de Koninklijke Shell – haar petroleumopslag vestigde op het in 1795 geruimde Galgenveld pal ten westen van het Tolhuis. In 1914 bouwde het bedrijf daar ook zijn eerste laboratorium. Aanvankelijk was het adres nog de Galgenweg, maar die ging gelukkig in 1916 Badhuisweg heten, toen zich daar ook het luxe zwembad van Obelt vestigde, dat was verdreven van de oostpunt van de Prins Hendrikkade. De BPM nam steeds meer ruimte in beslag met haar diverse laboratoria. In 1930 werd het failliete IJ-paviljoen in gebruik genomen als BPM-kantine en acht jaar later kocht het bedrijf de hele Tolhuistuin van de gemeente. Het Tolhuis hield niet meer over dan een bescheiden terras aan de Buiksloterweg.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbouwde Shell in de tuin groenten voor haar personeel, onder het mom van onderzoek voor de ontwikkeling van pesticiden. En in het Tolhuis werden vaak tijdelijk groenten en vooral aardappelen gestald die door anderen uit en naar Amsterdam werden gesmokkeld. Zodra er even geen controlerende landwachten in zicht waren, fietste men verder.
Na de oorlog moest het Tolhuis als etablissement het niet meer hebben van het uitgaanspubliek uit de grote stad. Maar het verwierf zich wel een belangrijke positie in het buurtleven. Talloze noordelingen vierden hier hun bruiloft (en alle jubilea daarvan), de klaverjasclub kwam er bijeen en de visvereniging.

Tolhuistuin bloeit op
In en naast de door Shell beheerste Tolhuistuin veranderde na de jaren zestig veel. Pal links van de tuin werd op het eigenlijke Shell-terrein in 1971 naar ontwerp van architect Arthur Staal het ruim 80 meter hoge kantoorgebouw Overhoeks gebouwd, beter bekend als de Shell-toren. Staal ontwierp in 1977 ontwierp Staal ook het futuristische nieuwe bedrijfsrestaurant in het zuidwesten van de Tolhuistuin. Het naastgelegen IJ-paviljoen werd toen gesloopt. Aansluitend werd het overgebleven deel van de Tolhuistuin opgeknapt en de parkachtige stijl hersteld. De plataan – die even oud was als het Tolhuis van 1859 – mocht gelukkig blijven staan.
Los daarvan werd ook het Tolhuis zelf uitgebreid: architect Theo Bosch bouwde in 1989 in opdracht van stadsdeel Noord een trouwzaal aan de tuinzijde, zodat het Tolhuis vanaf de straat zijn aanzien behield. Sinds 1998 is het Tolhuis een rijksmonument.
Kort na 2000 werd duidelijk dat Shell zijn verouderde laboratoria wilde vervangen door een nieuw te bouwen state of the art technologiecentrum iets westelijker op de IJ-oever. Het bedrijf verkocht de inmiddels volgebouwde Tolhuistuin van 1859 weer terug aan de gemeente. Aan de westoever van de oude Volewijck zijn ook nu luxe flatgebouwen verrezen en links naast de Shell-toren, ging in april het fraaie filminstituut Eye open.
De rest van de Tolhuistuin wordt ‘teruggegeven’ aan de Amsterdammer. Met ‘Tolhuistuin’ wordt nu (door de beherende stichting) veel meer dan alleen de buitenruimte bedoeld, want ook de voormalige Shell-kantine en enkele andere gebouwen op het terrein horen erbij: een plek voor manifestaties, tentoonstellingen en performances, zowel overdekt als in de openlucht. De noodzakelijke verbouwingen zijn pas dit najaar klaar, maar de afgelopen zomers werd al een voorschot op de nieuwe toekomst genomen. (Zie: www.tolhuistuin.nl) In de vallende zomeravond kan men hier weer een glaasje drinken onder de blote hemel. Of in het Tolhuis zelf natuurlijk, dat zich (geheel los van de Tolhuistuin) nog altijd prima weet te handhaven.

Tekst: Jessica Schots
J. Schots doceert kunstgeschiedenis en is manager/producent bij Soundwise.