Stadslegenden: Stichting Amsterdam Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 30, 2016    
1888   0   0   0   0   0

Dossiers

'Twee Visschers met een Hondt'


Lang geleden (toen Amsterdam nog niet eens bestond) was er een bisschop van Utrecht, Coenraad, die gebieden in Friesland in leen kreeg met een waarschuwing erbij: die ruwe lieden daar waren allergisch voor gezag van buiten! Dat wilde Coenraad weleens zelf zien. Hij voer incognito naar Stavoren. Zijn scheepje verging en als zielige drenkeling, maar nog wel levend, spoelde de bisschop bij Stavoren aan. Zijn vermomming kon beter: aan zijn zegelring zagen de Friezen dat hij iets met de nieuwe heerser te maken had. Dus bonden ze hem vast aan de mast van een wrakkig koggeschip zonder roer en duwden dat de ruwe Zuiderzee weer op. Coenraad leek reddeloos, maar een stoere Friese jongeman kon dat niet aanzien. Met een roeispaan over zijn schouder sprong hij aan boord, een trouwe hond aan zijn zijde. Moeizaam hield de jongeman het schip enigszins overeind en op koers. Tot het hard ging stormen en Muiden, de beoogde kunstplaats, uit zicht raakte. Het scheepje strandde veel westelijker. De hond blafte blij en de opgeluchte mannen maakten eindelijk kennis. De jongeman bleek Wolfger te heten. Coenraad bood hem een baantje aan. Maar Wolfger besloot ter plekke een nieuw leven op te bouwen. De bisschop gaf hem het gebied in leen en profeteerde een glorierijke toekomst. Wolfger werd de eerste Heer van Amstel en zijn nederzetting zou Amsterdam gaan heten.


Zó staat het verhaal van het ontstaan van Amsterdam in schoolboekjes (bijvoorbeeld Uit Amsterdams verleden van L.C.T. Bigot, 1899) en in verzamelingen van Amsterdamse volksverhalen (M. Koord, 1965). De vertelling heette steeds vele eeuwen oud. En als een schoolkind twijfel uitsprak, verwees de meester korzelig naar het middeleeuwse stadszegel, waarop twee mannen met een hond in een kogge te zien waren. Rond 1400 werd dit verhaal dus al verteld, was de suggestie. Meester vertelde (en wist?) niet dat op de oudste versie van dat zegel alleen maar een leeg schip te zien is. Al evenmin dat in de 17de eeuw (op z'n vroegst) weliswaar verhalen de ronde deden over verdoolde schepelingen die bijna per ongeluk de stad stichten, maar zonder bisschop en Wolfger. De conclusie ligt voor de hand. Niet het zegel geeft bewijs voor de verhalen, maar de legenden zijn pogingen de afbeelding te duiden.

Losse praatjes
"Twee Visschers met een Hondt ende schip sonder roer (dit is noch het oude wapen van Amsterdam) waren de eerste die eene hutte aen den Dam om de ghelegentheyt van het Y ende den Amstel oprichteden", schreef in 1863 kroniekschrijver Petrus Scriverius. Schoolmeester en Amsterdam-allesweter Jan ter Gouw merkte daar in 1865 bij op: "Volgens anderen echter is 't aan den Zeedijk geweest, dat zij 'zich nedergeslagen, en in hutten van riet gewoont hebben', waar zij ook hun eerste kerkje bouwden en aan S. Olof wijdden. En weêr volgens anderen, is het aan de Nes geweest, en hebben zij daar hun oudste kapel aan S. Pieter gewijd." Daarvoor verwees hij naar stadsbeschrijver Tobias van Domselaer (1665) – maar die noemde het al "losse praatjes". Ter Gouw zag dat die mannen allesbehalve op vissers leken. Beiden geharnast; de een houdt het banier vast van de hertogen van Henegouwen (waarvan het graafschap Holland soms deel uitmaakte), de ander een banier met de drie Amsterdamse andreaskruizen. Het schip was bovendien geen vissersboot, maar een kogge, een robuust handelsvaartuig.
Een nogal onbeholpen poging het stadszegel te doorgronden, vond Ter Gouw. Dan had een "rijk begaafd dichter van dezen tijd" dat toch beter aangepakt. Hij bedoelde de Amsterdamse boekhandelaar, literator en strijder voor de katholieke emancipatie Jozef Alberdingk Thijm. In zijn Volks-Almanak voor Nederlandsche Katholieken publiceerde Thijm eind 1855 de 'Legende van Amsterdam'. In 1875 werd het een veelverkochte brochure. Een helemaal nieuw verhaal! Ter Gouw: "Hij heeft de legende in verband gebragt met personen en gebeurtenissen van omstreeks 1100, waardoor zij eene historische kleur verkrijgt, en er tevens een reden gevonden is, waarom men gewapenden in plaats van visschers in 't schip ziet." Intussen erkent Thijm in zijn inleiding van 1875 ruiterlijk dat "mijne verdichting op geene enkele overlevering steunt".

Dikke duim
Ziedaar (in rijmvorm) de versie die wij aan het begin samenvatten. Net als Wolfger van Amstel (1095-1131) heeft ook bisschop Coenraad (overleden in 1099) echt bestaan; de Duitse koning Hendrik IV maakte hem in 1086 graaf van Stavoren. Maar de rest zoog Thijm uit zijn dikke duim. De nu klassieke versie is dus een schoolvoorbeeld van invented tradition, om met de Britse historicus Eric Hobsbawm te spreken. Overigens is het wel hoogstwaarschijnlijk dat Utrechtse bisschoppen een rol hadden in de ontginning van Amstelland.
Wat verbeeldde Amsterdams stadszegel dan wél? Daar zijn de geleerden het inmiddels over eens. De kogge staat voor de handel, waarmee Amsterdam rijk werd. De linker man staat voor het grafelijk gezag, de ander voor de stedelijke gemeenschap. En de hond is een bekend symbool van trouw.
Vermoedelijk hadden Scriverius c.s. en Thijm achterliggende boodschappen. De eerste was mogelijk jaloers op de ontstaanslegenden van het illustere Rome (Romulus en Remus) en de oude handelsrivaal Antwerpen (Brabo). En Thijm had er zeker plezier in om een katholieke geestelijke een hoofdrol te geven in Amsterdams ontstaan.
Vorig jaar oktober verscheen zowaar een gloednieuwe vertelling: De Legende van Amsterdam. Het eeuwenoude verhaal over het ontstaan van Amsterdam, door verpleegkundige en amateurhistoricus Richard Jeanson. Eigenlijk wilde hij hetzelfde als Thijm: een oud verhaal weer in de aandacht brengen en tegelijk het historisch geloofwaardiger maken. Zo'n bisschop die in zijn eentje naar Stavoren vaart, dat kón natuurlijk niet, besefte hij. Dus verving Jeanson hem door de Duitse koningszoon Hendrik V, jeugdige leerling en afgezant van Coenraad. Zijn doelgroep is kennelijk breed: de stijl is die van een jongensboek, maar met een aangekondigde vertaling is zes talen wil hij ook de toeristenmarkt bereiken. Of het historisch stutten van een mythe een erg zinvolle exercitie is, kan men zich echter afvragen.

Powered by JReviews