De familie Six Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 14, 2014    
21283   0   0   0   0   0

Eeuwig verbonden met Rembrandt

Tot Amsterdamse oudste nog steeds bestaande elite-families behoort zeker de familie Six. De Sixen lieten her en der in de stad hun sporen na: de Sixhaven in Noord, de Six-Stichting (Amstel 218), het Jan Six-instituut (Oude Turfmarkt 129) en de Kolonel Sixkazerne (Kabelweg). Ook een niet-familielid drukte zijn stempel op de geschiedenis van dit patriciërsgeslacht: de schilder Rembrandt van Rijn.

Vanaf het begin van de 17de eeuw maken de Sixen deel uit van het Amsterdamse patriciaat. In 1586 verhuist de zijde- en lakenverver Charles Six (1535-1595) met zijn gezin uit het onrustige Frans-Vlaanderen (Saint-Omer) naar Amsterdam, een snel opkomende handelsmetropool. Hij betrekt een huis op de Nieuwezijds Voorburgwal. Als textielververs treden zijn zonen Guillaume (1564-1619) en Jean (1575-1617) in Charles’ voetsporen. Maar de bloei van de onderneming is vooral te danken aan het zakelijk inzicht van schoondochter Anna Wijmer (1584-1654), de echtgenote van Jean Six. Na diens vroege overlijden in 1617 weet zij –dochter van Zeeuwse textielkooplieden – op voortreffelijke wijze de familiebelangen te behartigen. Het verworven fortuin maakt het zelfs mogelijk grote stukken grond in de buurt van Lisse en Hillegom te kopen.
Haar zoon Jan Six I (1618-1700) maakt reeds in 1641 een kunstreis naar Rome. Aanvankelijk is hij een van de firmanten van de familiale textielververij, maar in 1649 trekt hij zich terug uit het bedrijf en wijdt zich geheel aan de muzen. Hij schrijft verzen en een toneelstuk dat zijn tijdgenoten lang niet slecht vinden en hij verzamelt kunst. Op middelbare leeftijd ‘gaat hij in de politiek’: in 1667 wordt hij schepen (‘wethouder’) van Amsterdam. Samen met zijn vrouw (Margaretha Tulp, dochter van de bekende chirurg Nicolaes Tulp) en kinderen, woont hij sinds 1669 in het huis Herengracht 619, in zijn opdracht gebouwd. Een spreuk in de architraaf van het woonhuis – “Salus huic Domui” (Zegen over dit huis) – herinnert aan hun voorspoed.
Jan Six wordt diverse malen geportretteerd door Rembrandt van Rijn (1606-1669). Vooral het geschilderde portret uit 1654 is indrukwekkend. Een ander schilderij met Rembrandts signatuur verbeeldt Jans moeder Anna Wijmer. Dat Jan een warme vriendschap met deze schilder onderhoudt, blijkt uit enige etsen, pentekeningen en een bijdrage aan Jans vriendenalbum. Later schijnt die vriendschap echter wat te zijn bekoeld. In 1691, tegen het eind van zijn leven, wordt Jan Six een van de tien burgemeesters van Amsterdam. Na één jaar stapt hij al weer op. Maar dankzij Rembrandts portret blijft Jan Six de bekendste 17de-eeuwse burgemeester én de bekendste Jan Six.

In de adelstand
Na zijn overlijden in 1700 veilt Margaretha Six-Tulp de kunstverzameling van haar man. En er zullen nog heel wat veilingen van de Six-verzamelingen volgen. Het grootste deel van de familieportretten blijft daarentegen in de familie en wordt van vader op oudste zoon, een Jan, vererfd. De eerstvolgende is Jan II (1668-1750). Eigenlijk is het raar dat niet hij, maar zijn váder zal voortleven als dé ‘burgemeester Six’, want Jan II vervult deze functie bijna zonder onderbreking van 1719 tot 1748. Met de textielnijverheid houdt hij zich niet meer bezig, schijnt het. Maar onder andere door het opzetten van het postagentschap Amsterdam-Antwerpen behoort hij tot de allerrijkste Amsterdammers en tooit zich met de titel “Heer van Hillegom en Vromade”. In zijn huis Herengracht 495 lopen tien dienstbodes rond en hij rijdt in een koets met vier paarden. Ook hij verzamelt kunst. De derde vrouw van deze Six II brengt in haar huwelijk het portret mee van haar grootvader Dirk Tulp, geschilderd door Paulus Potter. Dit huwelijk is trouwens weer een illustratie van de sterke banden tussen de Sixen en de familie Tulp in de 17de en 18de eeuw.
In de 19de eeuw komt hier verandering in. Jan Six V (achterkleinzoon van de 18de-eeuwse rijkaard) overlijdt ongehuwd, waardoor de familieportretten aan zijn broer Hendrik toekomen. Deze mr. Hendrik Six van Hillegom (1790-1847) trouwt in 1822 met Lucretia van Winter. Zijn vrouw erft samen met haar zuster Anna (getrouwd met Willem van Loon) de beroemde verzameling oud-Hollandse en Vlaamse meesters van hun vader Pieter van Winter. Lucretia koopt het pand Herengracht 511. In dit huis zullen drie generaties Six – omringd door kunst – opgroeien. In 1841 wordt de familie in de Nederlandse adelstand verheven. Voortaan mogen ze de titel jonkheer of jonkvrouw voeren.

Veiling baart onrust
Na het overlijden van Lucretia en Hendrik hebben hun beide zonen Jan Pieter en Pieter Hendrik (ongehuwde twintigers) aanvankelijk niet veel interesse in de kunstverzameling van hun ouders; zij brengen de verzameling in 1851 op de veiling. Het rijk koopt voor een appel en een ei een dubbelportret van Abraham Masse en echtgenote door Frans Hals, maar de rest, waaronder enige Rembrandts, wordt wegens gebrek aan belangstelling teruggenomen. Toch heeft de veiling in verzamelaarskring enige onrust gewekt. Moet zo’n mooie collectie nu uiteenvallen, of erger nog: naar het buitenland verdwijnen? Daan Franken, directeur van de Kas-Associatie en mede-oprichter van het Rembrandt-fonds, roept daarom een fonds in het leven dat later ‘Frankenfonds’ gaat heten. Dit mag alleen worden aangesproken om stukken uit de verzameling-Six aan te kopen, indien deze op de veiling komen.
De verzameling blijft vooralsnog ongedeeld aan de Herengracht, beheerd door de oudste van de broers, Jan (1824-1899). (Net als Jan is Piet getrouwd en hij woont elders.) Bezoekers uit heel Europa komen de ‘Galerij-Six’ bekijken, maar ook om jonkheer Jan te consulteren, die zich heeft ontwikkeld tot een groot kenner van de klassieke oudheid en een groot penningkundige. In 1869 geeft de Utrechtse universiteit hem een eredoctoraat.
In 1857 wordt Jan Six VII geboren, in het huis aan de Herengracht dat van boven tot onder is gevuld met antieke vazen, beelden, schilderijen, prenten, boeken, handschriften en munten. De Galerij Six bestaat uit een collectie familieportretten: de helft van de verzameling Pieter van Winter, en aankopen van beide grootouders Hendrik en Lucretia. Deze Jan heeft bijna alles meegekregen om carrière te maken in kunst en cultuur. Ook maakt hij reizen naar Italië en het land van de klassieke oorsprong, Griekenland. Hij promoveert op een Grieks-mythologisch onderwerp en in 1896 wordt hij hoogleraar in de kunstgeschiedenis zowel aan de Universiteit van Amsterdam (waar hij Allard Pierson opvolgt) als aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten (in plaats van J.A. Alberdingk Thijm). Zijn esthetische gevoeligheid gaat naar verluidt zo ver dat hij als jongeman op het nippertje afziet van een verloving nadat de jongedame in kwestie met groene mitaines (vingerloze handschoentjes) op een bal is verschenen.
Vooral de familieverzameling heeft Six als kunsthistoricus gevormd. Niet minder dan 270 publicaties heeft hij op zijn naam staan, waarvan 17 over Rembrandt en maar liefst vijf over de relatie tussen deze schilder en Jans Six I. Het is opvallend dat Six al op 25-jarige leeftijd in 1882 de gemeente Amsterdam weet over te halen Rembrandts schilderij ‘De anatomische les van dr. Deyman’ (1656) op een Londense veiling te kopen. Dit werk is in 1841 door het Chirurgijnsweduwenfonds van de hand gedaan en vervolgens in Engels bezit gekomen. Het is helaas zwaar beschadigd door een brand in de 18de eeuw. Alleen een ziener als Six, die in het gelukkig bezit was van een voorstudie van dit werk, kon het belang hiervan inschatten. Rembrandt is er meesterlijk in geslaagd ons gevoelsmatig te betrekken bij deze anatomische les. Links zien we een arts met de gelichte schedelkap van het slachtoffer en boven het lijk (sterk verkort weergegeven) nog net de handen van anatoom Deyman met de ‘scalpel’. Weinig anatomische lessen zijn zo realistisch weergegeven. Zelfs in sterk gerestaureerde, fragmentarische staat weet het schilderij nog te boeien.

Nationaal erfgoed
Rond 1850 is er in Nederland nog weinig interesse voor het eigen cultuurerfgoed, met name voor dat van de Gouden Eeuw. Maar binnen één generatie verandert dat volledig. De familie Six speelt daar ook een belangrijke rol in. De vader van prof. Six, jhr. Jan Pieter, maakt al deel uit van verschillende gezelschappen die hiertoe bijdragen. Hij is medeoprichter van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (1858), lid van een commissie ter voorbereiding der stichting van een Nationaal Kunstmuseum en in 1877 lid van de Commissie van Toezicht. Deze laatste commissie, waarvan ook Six’ neef jhr. Willem van Loon deel uitmaakt, valt direct onder de Kroon en moet toezien op het beheer van de nationale verzameling in het Trippenhuis. Nadat deze verzameling is overgebracht naar het in 1885 geopende Rijksmuseum, volgt zijn zoon hem in de commissie op. Weliswaar bezit men nu een schitterend gebouw om kunst en cultuurgoederen in onder te brengen, het ontbreekt de staat nog weleens aan financiële armslag voor belangrijke aankopen. Hiertoe wordt in 1883 een particulier fonds, de Vereeniging Rembrandt, in het leven geroepen. Dit fonds stelt zich ten doel zoveel mogelijk werken van de Vlaamse en oud-Hollandse school te verwerven en daardoor te behouden voor het Nederlandse cultuurerfgoed.
Niet alleen in Nederland wordt men zich bewust van de rijkdom van de Gouden Eeuw, ook buitenlanders hebben die ontdekt. In 1875 verschijnt er een handzaam boekje over Nederlandse en Belgische verzamelingen, geschreven door de Engelse Lord Ronald Gower. Kunstminnende bezoekers kunnen in die dagen alleen al op de Amsterdamse Herengracht heel wat privéverzamelingen aflopen. Naast de verzamelingen van Van Eeghen, Van Loon en Van der Hoop wordt “the Six van Hillegrom Collection” hooglijk aangeprezen. Gower vindt hier meer dan honderd eerste klas werken uit de oud-Hollandse school. Twintig jaar later is de collectie-Six de enige belangrijke privéverzameling die Amsterdam nog heeft. De andere privé-collecties zijn voor een groot deel geschonken of verkocht aan het rijk of de gemeente. Daarentegen zou de verzameling Van Loon-van Winter – de zustercollectie van die van de Sixen – bijna geheel in één keer worden verkocht aan de Amerikaanse miljardairs-familie Rothschild. Dat laatste is voor cultuurminnend Nederland in 1907 reden genoeg om met argusogen te letten op de veiling van de verzameling van jhr. Pieter Hendrik Six.

Hulp van Deterding
Na het overlijden van zijn oom (1905) is prof. Six de bemiddelaar tussen de familie en het rijk, dat overweegt een deel van de verzameling te kopen. Hij is hiervoor de aangewezen persoon. Hij heeft immers in de Commissie van Toezicht van het Rijksmuseum gezeten, hij kent het Frankenfonds, heeft nauw samengewerkt met bestuursleden van de Vereeniging Rembrandt en kent de Six-verzameling zeer goed. De familie biedt 39 schilderijen, waaronder ‘Het melkmeisje’ van Vermeer, tegen ƒ 750.000 onder de voorwaarde ‘alles of niets’. De Vereeniging Rembrandt (inclusief het Frankenfonds) draagt ƒ 200.000 bij, de staat de rest. De aankoop en de voorwaarde oogsten veel kritiek van jongere kunsthistorici. Niet alleen de aankoop van ‘Het melkmeisje’ rechtvaardigt echter de aankoop. Onder de schilderijen bevinden zich namelijk ook werken van onder meer Van Ostade, Rubens, Metsu, Moreelse en Ruysdael. Een verrassing bezorgt de bekende oliemagnaat Sir Henry Deterding. Uit het geveilde deel van de erfenis koopt hij twee belangrijke werken van Ter Borgh en Jan Steen en schenkt die aan het Mauritshuis. Er volgen nog enkele veilingen uit Six-collecties: in 1920, 1921, 1923 en tenslotte, na het overlijden van prof. Six (1926), in 1928-1932 nog een deel van de Six-van Winter-verzameling, waaronder vijftig oud-Hollandse en Vlaamse meesters en een tiental etsen van Rembrandt. ‘Het straatje’ van Vermeer, nagelaten door een familielid, wil prof. Six in 1921 rechtstreeks aan het rijk verkopen. Maar na een jaar gesoebat en getraineer van rijkswege veilt hij het tenslotte bij het veilinghuis Frederik Muller met een openbare verklaring hiervan in De Tribune van 23 juni 1921: “Dit geld zal strekken om van de herinneringen, die mijn familie nog aan Rembrandt bezit, een stichting te maken en er zoo elke geldswaarde aan te ontnemen”. Weer is Deterding de reddende engel: hij koopt ‘Het straatje’ en schenkt het aan het Rijksmusuem.

Stichting maakt eind aan geldgewin
In 1915 moet prof. Six zijn geliefde familiehuis aan de Herengracht verlaten. Het zal worden gesloopt ten behoeve van de verbreding van de Vijzelstraat. In ruil biedt de gemeente hem het pand Amstel 218 aan, met overbrenging van het volledige oude interieur. Six en zijn vrouw schenken in 1921 hun verzameling van 48 klassieke vazen aan de gemeente Amsterdam. Pas in 1967 krijgen deze een plaats in de archeologische verzameling van de Universiteit van Amsterdam, het Allard Pierson Museum. In 1922 brengt hij – zoals aangekondigd – de familiepotretten onder in een stichting, waarbij hij en de zijnen afstand doen van ieder geldgewin inzake de portretten. Onder deze portretten bevinden zich ook die van Rembrandt en Paulus Potter. Op de universiteit blijkt Six na zijn dood in 1926 moeilijk te vervangen. De leegte wordt pas opgevuld nadat er twee instituten zijn opgericht, kunstgeschiedenis en archeologie, die zijn oude vakgebied bestrijken. De familie Six schenkt een groot gedeelte van de vakboeken, de Jan Six boekerij, aan de universiteit. Een kleine herinnering hiervan is terug te vinden in het opschrift onderaan het bordje van het Archeologisch-historisch Instituut, Oude Turfmarkt 129, ‘Jan Six Instituut’.
Tenslotte terug naar de kunstverzameling. Nu anno 1991 groeit inmiddels de vierde generatie Six op aan de Amstel 218. Vooral dankzij prof. Jan Six vindt men daar – behalve een door diens achterkleinzoon geleid modern reclamebureau – een bijzonder boeiende verzameling portretten van een Amsterdamse patriciërsfamilie in hun oorspronkelijke context, en kan daardoor een blik werpen op een stukje geschiedenis van de handelsmetropool Amsterdam en haar voorname burgers.

M.J. Cok-Escher
December 1991

Powered by JReviews