Honderd jaar Maison de Bonneterie Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Februari 21, 2014    
4626   0   0   0   0   0

Dossiers

Maison de Bonneterie viert in maart haar 100-jarig bestaan. In 25 jaar groeide een kleine, 19de-eeuwse bonnetteriewinkel uit tot een gerenommeerd mode-instituut. De clientèle bestond uit deftige, welgestelde families die generaties lang kwamen om onder het genot van een Wiener melange hun garderobe samen te stellen. Hoe een ‘bolwerk van burgerlijke tuttigheid’ zich wist om te vormen tot een zaak zonder hoge drempels en met een uitnodigend karakter leest u in dit artikel.

 

Maison de Bonneterie viert in maart dit jaar haar 100-jarig bestaan. Een kleine 19de-eeuwse bonnetteriewinkel met een nevenvestiging in Den Haag, groeide in 25 jaar uit tot een gerenommeerd mode-instituut. De clientèle bestond uit deftige, welgestelde families die generaties lang bleven komen om hun garderobe samen te stellen. Maison de Bonneterie is een van de weinige overgebleven grote vooroorlogse modezaken in ons land en tot op heden weet zij het hoge niveau te handhaven. De firma is nog steeds eigendom van de familie van de oprichters en de vierde generatie zit nu in de directie. De eerste tachtig jaar werd er nauwelijks iets veranderd: niet aan het interieur en niet aan de omvangrijke organisatie. Maar de maatschappelijke veranderingen, ingezet in de jaren zestig, lieten zeker deze exclusieve zaken niet onberoerd. Wilde De Bonnettrie overleven dan moest het roer radicaal om en dat bleek geen eenvoudige zaak. De directeuren Colland en Koster zien geen reden om naar aanleiding van het jubileum de hele geschiedenis weer op te halen. Steeds weer die clichés over dikke tapijten waar bezoekers in wegzinken, de sacrale sfeer en de peperdure artikelen. Ze spreken liever over het veranderingsproces dat in hun modehuizen al jaren gaande is.

Josef Cohen en Rosa Wittgenstein

Maison de Bonneterie werd opgericht door Josef Cohen en Rosa Wittgenstein. Josef, afkomstig uit Dinslaken (Duitsland), reisde in kousen, handschoenen en gebreid goed. Tijdens een van zijn reizen ontmoette hij zijn toekomstige echtgenote Rosa, verkoopster bij Hirsch op het Leidseplein. Rosa kwam uit Warburg (Duitsland) waar haar ouders een meubelzaak hadden. Ze was een nicht van Sally Berg, een van de directeuren van Hirsch. Later kwamen ook Rosa’s zusters Emma en Selma bij Hirsch werken. Dat Josef en Rosa voor zichzelf wilden beginnen wekte bij de Hirsch-familie wel enige wrevel. Beide families hadden hetzelfde doel voor ogen: het oprichten van een groot modemagazijn zoals je die ook in Parijs had. Met ƒ 10.000 spaargeld achter de hand huurden Josef en Rosa een winkel in de Kalverstraat 181, hoek Olieslagerssteeg. In februari 1888 traden ze in het huwelijk en terugkomend van de huwelijksreis brachten zij meteen een verkoopster mee. Bertha Cohen was een dochter van Josef’s broer Leeser en zij zou nog jaren als eerste verkoopster blijven. Op 18 maart 1889 werd de bonnetteriewinkel (Frans voor gebreid goed) geopend met als personeel Bertha, een leermeisje en een boekhouder. Naast het tricot-goed gingen de Cohen’s al vrij snel dames- en kinderconfectie verkopen. Eerst alleen mantels en mantelpakken en vervolgens de eerste confectiejaponnen uit Parijs. Dames die op een modieuze garderobe gesteld waren plaatsten hun bestellingen in Parijs of Brussel. De meeste Grands Magasins stuurden daarvoor catalogi naar hun Europese relaties. Het lag dus voor de hand dat De Bonneterie, door zelf bij de buitenlandse ateliers te gaan inkopen, wilde proberen deze klanten te winnen. Voor kinderen richtten zij zich op de Engelse mode, met vooral de legendarische matrozenpakjes, zoals die ook door kinderen van het Engelse koningshuis werden gedragen. De pakjes waren zo degelijk van kwaliteit, dat ze vaak tot verdriet van nakomende broertjes en zusjes nog jaren meegingen.

Een eerste uitbreiding

In 1893 werd Kalverstraat 179 erbij gehuurd, terwijl men in 1901 een eigen pand kon kopen op de andere hoek van de Olieslagerssteeg, Kalverstraat 183. In datzelfde jaar verwierf de firma het predikaat hofleverancier. In de jaren daaropvolgend werd Rokin 138 tot en met 148 aangekocht, waarmee het doortrekken van Kalverstraat naar Rokin mogelijk werd. In 1907 gaven de Cohen’s de architecten Jacot en Oldewelt opdracht tot het ontwerpen van een groot modemagazijn. In 1899 hadden deze heren al enige furore gemaakt met hun ontwerp voor Nieuw Engeland op het Koningsplein. De opdrachtgevers waren behoudend van aard, voor hen geen eigentijdse bouwwerken, maar massieve monumentale panden die voor alles moesten imponeren. Het uit omstreeks 1850 daterende pand Kalverstraat 183 bleef gehandhaafd. Het werd met de nieuwbouw verbonden door een middenstuk waarin een glas-in-lood lichtkoepel, drie gaanderijen, twee brede trappen en twee liften werden opgenomen. Dit sloot aan op de in zandsteen opgetrokken monumentale nieuwbouw aan de Rokinzijde in een precieus traditionalistische stijl. Kalverstraat 183 had drie verdiepingen, het pand aan het Rokin kreeg er vijf, waarvan de twee bovenste bestemd waren voor kantoren en ateliers.

Een feestelijke heropening

Op 15 maart 1909 werd het grandioos verbouwde Maison de Bonneterie feestelijk heropend. De twintig etalages toonden de nieuwste Parijse couture. De winkel was ingericht in Louise XVI-stijl. Ontelbare spiegels weerkaatsten het beeld van de fraai uitgestalde kostbare artikelen en de kristallen luchters zorgden voor een feestelijke verlichting. Honderdvijftig verkoopsters, enkele liftboy's en portiers stonden klaar om de clientèle te verwelkomen. Op de parterre waren verschillende kleine afdelingen samengebracht zoals kousen, handschoenen, sjaals, zakdoeken, jupons, reticules, boa's, tricotages, hoeden en Engelse jongeherenconfectie. De erboven gelegen etages waren ingericht voor mantels en japonnen. De afdelingen bont en avondtoiletten waren bijzonder groot. Op enkele vitrines na, waarin een avondjapon werd tentoongesteld, was op deze afdelingen geen kledingstuk te zien. Alles hing in kasten en de klant kon in een van de 32 passalons plaatsnemen om zich daar door de verkoopster enkele stukken te laten tonen. Elke afdeling had haar eigen verander-atelier. Deze ateliers waren van wezenlijk belang, want je mocht dan bij De Bonneterie dure kleren kopen, je kon er wel elk jaar mee terugkomen om ze te laten vermaken. De kwaliteit was onbetwist. Een mantel hier gekocht, die na tien jaar al tekenen van slijtage vertoonde, dat werd door de klant niet geaccepteerd. Voor de oorlog richtte Maison de Bonneterie zich vooral op de mode uit Wenen, Berlijn en Parijs en vanaf het einde van de jaren twintig vooral ook op Amerika. Voor het eerst konden dames voor elk moment van de dag een passend kledingstuk kopen: ochtendjaponnen, visite-, diner- , souper-, en avondjaponnen, sport-, reis-, automobiel-, dag- en avondmantels. Geheel nieuw was ook dat men onder één dak de bijpassende accessoires kon uitzoeken. Maison de Bonneterie trachtte door het gehele land de zaak onder de aandacht te brengen. Duizenden folders werden verstuurd, waaruit men schriftelijk of telefonisch kon bestellen. In hotels in belangrijke provincieplaatsen werden shows gegeven om te tonen hoe men in de grote stad gekleed ging. Zichtzendingen werden door geheel Nederland franco bezorgd.

Verdere expansie

In 1912 liet het echtpaar Cohen door Jacot een villa bouwen aan het Vondelpark, naar een voorbeeld in Wiesbaden. In 1913 werd in Den Haag een filiaal geopend aan het Buitenhof, eveneens ontworpen door Jacot en Oldewelt. In 1927 volgde in Amsterdam nog een uitbreiding door het betrekken van de panden Kalverstraat 185 en 187, welke rond 1970 overigens weer verkocht werden. Omdat het echtpaar geen kinderen had, namen zij twee Duitse neven op in de zaak. In 1905 kwam Alfred Cohen, jongste broer van Bertha, later gevolgd door Max Cohen, zoon van Josef's broer Sally. In 1921 namen Alfred en Max de directie over nadat Josef en Rosa zich hadden teruggetrokken. In 1924 overleed Josef Cohen. Rosa bleef achter de schermen echter de stuwende kracht. Directie en cheffins kwamen bij haar thuis verslag uitbrengen van hun inkoopreizen. Omdat Max geen en Alfred wel kinderen had werd in 1933 de jurist Paul Herz in de zaak opgenomen. Herz was een zoon van Emma Wittgenstein en zijn ouders hadden een textielzaak in Aken. Van zijn oom Max kreeg hij een harde leerschool bij De Bonneterie. Al had je gestudeerd, je kon geen kapsones hebben vond oom Max. Om bij De Bonneterie te mogen werken was een hele eer. Leerlingen kwamen graag ook al verdienden zij niets. Ze kregen gratis een prima opleiding zo was de redenering. Sommigen brachten het tot cheffin zoals juffrouw Neeter van de japonnen en juffrouw Ernsting van de mantels. Een groot deel van hun leven zouden wij wijden aan De Bonneterie en de klanten. Aan de verkoopsters – gekleed in zwart of blauw, cheffins mochten daar grijs en bruin aan toevoegen – werden hoge eisen gesteld. De discipline onder het personeel was groot. Onnodig met elkaar praten, smijten met liftdeuren, touwtjes onnodig doorknippen, een slordige afdeling, dat kon allemaal leiden tot een boete. Kwam je te laat dan schreef de portier je naam in een boek dat hij dezelfde morgen nog naar de directie bracht. Dat was dan weer een kwartje boete. Naast een basissalaris ontvingen de verkoopsters provisie over alles wat zij hadden verkocht. Dit systeem bevorderde het krachtig met de ellebogen werken tussen de verkoopsters. De cheffins waren het hart van de zaak. Behalve de verkoop deden zij ook de inkoop voor hun eigen afdeling. In overleg met de directie bepaalden zij het assortiment en het was hun eer te na om niet van een inkoopreis terug te komen zonder iets exclusiefs.

Een hoge drempel

De Bonneterie was niet een zaak waar je als voorbijganger zo maar eens naar binnen liep om wat rond te snuffelen. Alleen wanneer je moeder haar trouwjapon hier al had gekocht en daarna tot haar dood aan toe klant was gebleven, dan durfde je onbevangen het pand te betreden. De Cohen's hadden bewust een hoge drempel opgebouwd om te voorkomen dat de vaste clientèle zou worden geconfronteerd met de langere standen. Vanaf de gaanderij werd je komst door de cheffin geregistreerd, die vervolgens probeerde de klanten zo eerlijk mogelijk over de verkoopsters te verdelen. Sommige klanten wilden steeds dezelfde verkoopster, die moest dus altijd beschikbaar zijn, ook als ze net aan haar lunch bezig was. Het passen kon wel een of twee dagen in beslag in nemen en werd dan onderbroken met een lunch in het al even chique Formosa aan de overkant. In alle kleding zat het etiket van Maison de Bonneterie. Er stond als het ware de doodstraf op het noemen van de naam van de fabrikant. Het personeel kende alleen maar een nummer. Zo konden klant noch concurrent op een spoor worden gebracht. In 1939 kon de firma bogen op een vaste clientèle die 15.000 namen telde. Er werkten 750 employés waarvan 400 in de Amsterdamse vestiging. Maar het 50-jarig bestaan zou niet worden gevierd.

Geen luidruchtige feeststemming

'De alom heersende werkloosheid, politiek onzekerheid, ellende waarin velen van onze medemensen buiten hun schuld zijn geraakt, veroorloven ons geen luidruchtige feeststemming', vonden Max en Alfred. Het personeel ontving een gratificatie en de directie schonk ƒ 10.000 aan het Amsterdamsch Centraal Comité voor jonge werklozen. Het personeel bood vier gebrandschilderde ramen aan, ontworpen door Jean Gregoire. De ramen kregen een plaats in het trappenhuis in Amsterdam, waarvan twee de oude winkels in de Kalverstraat 181 en 183 voorstellen met de mode van de jaren 1889 en 1901. Het derde raam beeldt de periode 1913 uit met de oprichting van het Haagse filiaal. Het vierde raam toont het gebouw aan de Rokinzijde met de mode van 1939. De ontwerper wilde hiermee geluk, jeugd, vreugde, harmonie en blijde toekomst (een bruidspaar) symboliseren. Hoe anders zou het een jaar later toegaan. Ondernemingen met een joodse directie moesten voor 30 november 1940 worden aangemeld. Enkele maanden later werden Max en Alfred gedwongen hun zaak te verlaten Verwalter werd de Amsterdammer Herman van de Oudewetering. Na zijn komst werden vervolgens de joodse personeelsleden ontslagen. De Duitsers roofden De Bonneterie leeg! Hele partijen textiel stuurden zij naar Duitsland met het opschrift: 'Liebesgaben vom Holländischen Volk'. Huismeester Beyen, wiens etage op het Rokin met een loopbrug was verbonden met de winkel, wist nog heel wat goederen weg te slepen en elders veilig onder te brengen. Zo kwamen de kostbare bontmantels in de kelders van het Bunge Huis terecht. Mannelijke personeelsleden, gezocht voor de arbeids-einsatz, werden door Beyen 's avonds na acht uur in de ateliers van De Bonneterie te slapen gelegd. In 1943 werd de winkel verplaatst naar een etage van De Bijenkorf. De Bonneterie werd opslagruimte voor textiel importbedrijf. Rosa en Max en Alfred met zijn gezin kregen in januari 1942 van de Duitsers een vrijgeleide naar Portugal in ruil voor kostbare schilderijen van oude meesters als Jan Steen en Jan van Goyen uit de verzameling van Alfred Cohen. Vanuit Portugal reisden zij per boot via Cuba naar Amerika waar ze familie hadden. Alfred's Leo was toevallig op zakenreis in Amerika toen de oorlog uitbrak. Deze Cohen uit Holland kwam er in dienst bij het Nederlandse leger en veranderde zijn familienaam in Colland. Alfred en Max bleven na de oorlog in Amerika wonen, maar verbleven regelmatig in Amsterdam omdat zij nog wel directeur waren. Rosa keerde terug en overleed op 81-jarige leeftijd in Amsterdam. Alfred en Max volgden haar respectievelijk in 1950 en 1951. In het trappenhuis hangt een plaquette met de namen van 66 personeelsleden, omgekomen in Duitse concentratiekampen. Nog elk jaar op 4 mei worden zij herdacht.

Een nieuwe generatie

Paul Herz overleefde de kampen en begon na de bevrijding met veel energie aan de wederopbouw van De Bonneterie. Hij trouwde met Ellen David, kleindochter van Sylvain Kahn en Julie Berg, medeoprichters van het modehuis Hirsch. In 1951 werd hij met 50% van de aandelen opvolger van Max. Alfred werd opgevolgd door zoon Leo en een andere zoon, Rolf, ging naar de vestiging in Den Haag. In 1948 werd voor het eerst iemand van buiten de familie benoemd als directiemedewerker. David van Dijk, afkomstig van Nieuw Engeland, kreeg de leiding over de parterre. Hij bleef tot 1976. Inge Vecht, een nicht van Herz en kleindochter van Emma Wittgenstein werd cheffin van de hoedenafdeling, in die tijd nog met twaalf verkoopsters. Leo Colland werd de grote bontexpert en Herz zelf nam de damesconfectie voor zijn rekening. Herz en Colland werden met hun gezinnen de nieuwe bewoners van de villa van Jacot aan het Vondelpark. Op 27 juli 1966 stierf Paul Herz in zijn auto op weg naar huis. Zijn echtgenote Ellen David nam zijn plaats voorlopig in. Achteraf lijkt het wel of met de dood van Herz een tijdperk werd afgesloten.

Het eind van de klassieke mode dictatuur

Langzaam maar zeker keerde de jongere generatie zich af van dit in hun ogen 'bolwerk van burgerlijke tuttigheid'. Je kocht geen kleren meer in een zaak waar ook je ouders kwamen. De grijze flanel broek met omslag werd verruild voor een spijkerbroek. Niemand droeg meer blazers, plooirokken, collegejassen of stropdassen, een enkele zonderling daargelaten. Er was een eind aan de klassieke mode dictatuur gekomen. Ook oudere klanten wilden wel eens gaan kijken in een van de nieuwe boetieks die overal in de stad verschenen. De grote vooroorlogse modehuizen hielden geen stand: Hirsch, Gerzon, Krause en Vogelzang, Lampe en later ook Maison de Vries in 1987 en Nieuw Engeland in 1988 verdwenen allemaal met in hun kielzog het bekende café-restaurant Formosa. Er braken voor De Bonneterie moeilijke jaren aan, maar de familie had de vaste wil om te overleven. De fundering van het gebouw stond op instorten, een kostbare restauratie was nodig. Een adviesbureau kwam het bedrijf doorlichten en een ingrijpende reorganisatie was onafwendbaar. Een ervaren man uit het mode-vak werd aan de directie toegevoegd: Witteveen van de firma Krause en Vogelzang. Onrendabele ateliers en afdelingen werden opgedoekt. Wie droeg er nu nog een hoed of handschoenen en wie gebruikte er nog een mooie zakdoek?

Een meer uitnodigend karakter

Honderd personeelseden werden ontslagen. De etalages werden gemoderniseerd zodat de winkel een meer uitnodigend karakter kreeg. Mooie oude vitrines op de parterre maakten plaats voor moderne verkoopunits en menig kristallen kroonluchter verhuisde naar zolder. Om een breder publiek te trekken kwamen er nieuwe afdelingen, zoals witgoed, schoenen en parfumerie. Aan de Rokin-zijde kwam een coffee-shop. Op de mode afdelingen bleven de kleren niet langer in de kast maar werden zichtbaar opgesteld. Code-nummers maakten plaats voor grote namen zoals Dior, Louis Féraud, Guy Laroche, Jobis en Valentino. De inkoop werd voortaan centraal geregeld. Er kwamen twee filialen bij, een in de Beethovenstraat en een in Rotterdam. Tommy Littaur van De Bijenkorf volgde Witteveen op en bracht inkopers mee die het 'maison' moesten laten swingen. Maar dat werd een kwestie van jaren. Een instituut dat decennia lang een en al deftigheid uitstraalde verander je niet zo gemakkelijk in een eigentijdse onderneming. Tegenover de muziekterreur van de Kalverstraat werd na jarenlange aarzeling een pianist aangesteld, die op zaterdagen beurtelings iets klassieks of iets swingends speelde. Dat geeft wel aardig aan voor welke dilemma's de directie zich geplaatst zag. Van 1975 tot 1985 huurde de meubelzaak Pander de derde etage. Met de bruine, statige meubels die ook op de parterre ruim plaats kregen, werd elke poging tot vernieuwing de das omgedaan.

Een rijksmonument of meer

In 1982 namen Jim Colland, zoon van Leo, en Wim Koster, schoonzoon van Paul Herz, de leiding van de firma op zich. Littaur ging terug naar De Bijenkorf. Koster kwam van De Bijenkorf en Colland had gewerkt bij het warenhuis Globus in Zürich. De parterre is nu een levendige afdeling geworden en van drempelvrees valt niets meer te bespeuren. Waar herenmodezaken in de buurt met hun interieurs proberen de sfeer van 'vroeger'weer op te roepen, als decor voor de opnieuw in de mode geraakte klassieke kleding, hoeft De Bonneterie, die de perfecte entourage al heeft, slechts de mooie vitrines en passpiegels van zolder te halen. De kristallen kroonluchters zullen er nooit in slagen de kunststoffen units in een stralend licht te zetten. Dat de beide 'maisons' in Amsterdam en Den Haag moeten blijven bestaan, daar is iedereen het over eens. Ze staan dan ook op de lijst van rijksmonumenten, niet omdat ze zo geweldig mooi zijn, maar wel vanwege de gevels en de belangrijkste restanten van de interieurs: de koepels, de gaanderijen, de kristallen luchters. Dit soort 19de-eeuwse interieurs zijn nauwelijks meer te vinden en zeker niet in ons land. Met reeds gerealiseerde en nog geplande verbouwingen is Maison de Bonneterie vol zelfvertrouwen op weg naar de tweede eeuw van haar bestaand.

Els van Wageningen

Februari 1989 

Powered by JReviews