De vaste route van Guus Luijters Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 01, 2013    
4063   0   0   0   0   0

De Amsterdamse schrijver en dichter Guus Luijters neemt ons mee op kroegentocht over de Wallen. Naar de cafés waar hij van zijn eindexamen tot aan zijn eerste baan vol overgave heeft gedronken.

Amsterdam 1960. Guus Luijters is zeventien en besluit na een bezoek aan café Blue Star, waar hij met zijn Spinozalyceumvrienden Kees en Mia aan de bar heeft gehangen, alleen verder te trekken richting de Oudebrugsteeg. Wij staan er nu 53 jaar later ook en zijn ogen gloeien weer op.
De jonge Guus wist dat hier dames van lichte zeden achter de ramen zaten, maar kende dit rosse deel van de stad niet. Wat zou de nacht gaan brengen? Thuis werd hij niet echt gemist. Zijn ouders zaten veel in hun nieuwe Vinkeveense huisje. Moeder had tartaar en een ei voor hem achtergelaten in de koelkast en een tientje. Dat werd het drinkgeld. Eenmaal de ‘sluis’ in, begon het geroezemoes. We horen het nu ook als we ons tussen de toeristen door een weg proberen te banen naar de Lange Niezel. Het zinderde.
“Hier begon de wereld”, mijmert Luijters. “Er waren winkels waar seksboekjes verkocht werden en er was de Broadway bar van Ricky en Dicky.” Een kroeg waar hij niet voor het laatst zou komen. “Dicky was de zoon van Johnny Meijer en zat vaak op het dak met zijn duiven. Aan de bar hingen louche jongens met een dure smaak. Naast hun wapen stond altijd een glas cola met Courvoiser, chique Franse cognac. Er werd gedobbeld voor veel geld. Ik herinner me de pooier Haagse Robby. Die kwam aanrijden in een grote auto, geflankeerd door twee meiden die een kop boven hem uitstaken. Terwijl hij dronk, gingen zij pezen (tippelen) in de Utrechtse straat en kwamen terug met bakken geld.”

Indische Johan
In deze bar leerde Luijters Indische Johan kennen, een vechtersbaas en pooier. Samen met vriend Kees werd die een vaste kroegmaat. Met zo’n sterke kerel aan zijn zijde kon hem weinig gebeuren aan de zelfkant; de schemerwereld van penoze, kermisklanten, handelaren, corrupte politieagenten, animeermeisjes en hoeren die hem mateloos fascineerde. Net als de vechtpartijen die overal plaatsvonden en waarvan je soms niet wist hoe ze begonnen waren. “Geen messen of schietwapens. Mannen gingen met elkaar op de vuist en de meiden schreeuwden. Ik heb zelf nooit gevochten, maar liep weleens wat schrammen op. Dan stroomde de adrenaline door je lichaam en was je in één keer nuchter.”
Broadway is opgeheven. Er worden nu mierzoete bagels en ranzige pizza’s verkocht. Café Emmelot op de hoek aan de Oudezijds Voorburgwal bestaat nog wel en is nauwelijks veranderd, constateert hij meteen na binnenkomst. De oude weegschaal waar je voor drie cent je gewicht kon beproeven, staat nog in de hoek naast de deur en de afgebladderde houten tafeltjes gaan ook al een tijdje mee. Het grote verschil met 50 jaar geleden is dat nu de ramen openstaan en toeristen genoeglijk een kopje koffie drinken op een terras.

Knuffelstudent
“Het stond hier altijd blauw van de rook en het was stampvol. Ook de eerste keer toen ik me naar binnen wist te wringen. Er kwam muziek uit een taperecorder en achter de bar stonden een dikke en dunne blonde vrouw die de hele zaak wisten te bespelen. Iedereen zong mee. Zoiets had ik nog nooit gezien. Ze beklommen de bar met een Laurel & Hardy masker op en dansten dat de vonken eraf sprongen.” Deze kroeg bleek de barometer van de Wallen te zijn. Was hier leven in de brouwerij, dan elders ook.
Emmelot werd Luijters’ huiskamer waar hij in zijn studententijd bijna elke dag kwam, acht jaar lang. Bij binnenkomst gooide hij geroutineerd 25 cent in de jukebox en drukte op F7 om What a diff’rence a day makes! van Dinah Washington te horen. Hij nestelde zich op zijn vaste kruk in het midden van de bar en het grote innemen van bier en jenever kon beginnen – en daarmee de ontwrichting van tijd.
Als het geld op was, goot een van de kroegdames, Marie, met alle liefde de fles leeg boven de mond van haar knuffelstudent of zette zij een schoteltje bij de deur met de boodschap: denk aan de portier! “We hadden ambities, maar deden niks. Marie riep weleens: ‘Wat studeren jullie? Beffelogie?’ Kees studeerde Frans en ik Nederlands. Voor de vorm dan. Ik kreeg een kick van het anti-intellectuele. Gesprekken gingen niet over politiek of literatuur, maar over het trainen van bepaalde spieren of over niets. ‘Gaan we nog vissen?’ Ik vond dat fantastisch. Natuurlijk waren we Fremdkörper. Mijn vader was afdelingshoofd in een rekenmachinefabriek. We zaten niet op de sportschool, werkten niet, maar vormden ook geen bedreiging.”

Animeermeisjes
We lopen door de Stormsteeg richting Zeedijk waar de zeemanscafé’s Norske, Finske en Danske zaten en animeermeisjes je hun persoonlijke aandacht gaven in ruil voor drank. Maar ook niet meer dan dat. Mannen die dachten dat er iets te versieren viel, pisten naast de pot, vertelt de schrijver smakelijk. In ’t Mandje kwam hij niet vaak. “Er werd teveel aan me geplukt. Ik was wel stom verbaasd toen ik Gerard Reve aan de bar aantrof. Ik kon dat niet plaatsen. Hij was toch geen nicht? Hij lachte en zei: ‘Jij bent hier toch ook.’”
We sluiten de kroegentocht af in de legendarische Cotton Club aan de Nieuwmarkt, waar de wanden nog steeds rood zijn als ossenbloed, zoals de Amsterdammer ooit dichtte. “Hier was iedereen zwart”, vertelt hij. Meteen wordt hij teruggefloten door de jongedame achter de bar, de achterkleindochter van de toenmalige eigenaar ome Frits. “Ik zou zeggen: donkere jongens.” Luijters lacht en stelt zijn verhaal bij. “Er werd hier voor groot geld gegokt en er traden fantastische jazzmuzikanten op. Soms haalde ome Frits de rasp en de percussie-instrumenten tevoorschijn en werd er geïmproviseerd. Of de blinde sterke man kwam een act doen met een spanveer tussen zijn tanden.”
Nippend aan een jenever zegt hij geen spijt te hebben, van geen enkele verspilde minuut. En dat waren er nogal wat vanaf zijn eindexamen tot zijn 26ste. “Het was de zoektocht naar mezelf, het verlengen van mijn jeugd en het grote uitstellen van verantwoordelijkheden. Toen ik in 1969 redacteur werd bij Propria Cures, liep het obsessieve cafébezoek wel op zijn einde. Maar ik heb er nog steeds heimwee naar. Het was leven in het moment. Licht leven en als je doorging – om vier uur ging de eerste ochtenkroeg open voor taxichauffeurs – eindigde het niet. Een wit stenen koffiekopje met jenever en je was weer de man.”

Naam Guus Luijters (Amsterdam, 1943)
Is schrijver en dichter. In 2012 verschenen In Memoriam. De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945 en het bijbehorende Addendum
Nieuwste boek Kinderkroniek 1940-1945, Brieven, getuigenissen en dagboeken uit de Shoah, verscheen in september bij Nieuw Amsterdam
Opvallend Drinkt nog maar één borrel per dag

Katja Kreukels
Oktober 2013


Powered by JReviews