Mondriaan aan de Amstel Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     September 13, 2013    
3752   0   0   0   0   0

Dossiers

Mondriaan is alom bekend als schilder van composities van vierkanten en rechthoeken in primaire kleuren. ‘Mondrian’, zoals hij buiten Nederland heet, was een kunstvernieuwer van wereldformaat, die werkte in Parijs, Londen en New York. Het Amsterdams Gemeentearchief presenteert nu een onbekende Piet Mondriaan: schilder van stadsgezichten en landschappen in en om Amsterdam rond 1900– een jongen uit de Achterhoek voor wie in de hoofdstad nieuwe werelden opengingen.

Op de expositie in het Gemeentearchief, van 18 februari tot en met 15 mei, zijn ruim 60 schilderijen, aquarellen en tekeningen van de jonge Mondriaan (1872-1944) te zien, afkomstig uit collecties in de hele wereld. De tentoonstellingsmakers hebben vele onbekende gegevens over Mondriaans vormende jaren ontdekt. De Canadees Robert Welsh, een van de medewerkers aan de catalogus, wist van een groot aantal kunstwerken te achterhalen welke plek in of bij Amsterdam erop staat afgebeeld, vooral door vergelijking met oude foto’s en inspectie ter plekke. Marty Bax bracht Mondriaans Amsterdamse vrienden- en kennissenkring in kaart. Dat was niet gemakkelijk, want brieven of andere aantekeningen van Mondriaan uit die periode zijn niet bewaard gebleven en ook later was hij erg spaarzaam met mededelingen over zijn Amsterdamse jaren. Op de tentoonstelling zijn naast de kunstwerken zelf ook een aantal foto’s plattegronden, brieven en andere documenten te zien.

Najaar 1892 arriveerde Piet Mondriaan, 20 jaar oud, in Amsterdam, om te gaan studeren aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten op de Stadhouderskade. Hij kwam uit Winterswijk, waar zijn vader hoofdonderwijzer was op een protestants-christelijke school. Piet trok in bij de tweelingzoons van Johan Adam Wormser, een goede vriend van Mondriaan senior. Wormser had met zijn schoonvader H. Höveker een uitgeverij op het Singel en een boekhandel, sinds juni 1892 op nummer 154 van de Kalverstraat. Later werd boekhandel Höveker en Wormser bekend als Standaardboekhandel, naar het antirevolutionaire dagblad De Standaard. Na een fusie met boekhandel Bas verhuisde de winkel in 1991 naar de Leidsestraat.

Tandarts betaald met schilderijen
Mondriaans toelating tot de Rijksacademie, onder leiding van de beroemde August Allebé, kostte geen moeite, want hij bezat al de middelbare akte tekenen. Het schoolgeld was wel een probleem, want vader Mondriaan, zelf een verdienstelijk tekenaar, vond een voortgezette kunstopleiding overbodig. Met zijn middelbare akte kon  Piet ook wel meteen tekenleraar worden. “Een andere man betaalde drie jaar lang mijn studie, “ vertelde Mondriaan kort voor zijn dood aan een Amerikaanse journalist, vermoedelijk doelend op oud-tekenleraar J. Braet van Uberfeldt te Doetinchem. Uit het archief van de Rijksacademie blijkt echter dat zijn collegegeld vanaf het tweede jaar werd betaald uit een beurs van het Koninklijk Huis ten behoeve van veelbelovende maar armlastige kunststudenten. Wormser gaf Mondriaan niet alleen onderdak, maar voorzag ook in zijn levensonderhoud. Als tegenprestatie illustreerde Piet de vrome boeken en brochures die Wormser uitgaf.
Op de Academie was hij een redelijk goede, maar niet uitblinkende student. De studenten kregen onderwijs in algemene kunsttheorie, afbeelden van het menselijk lichaam en stillevens. Landschapschilderen werd er niet onderwezen, afgezien van de perspectiefleer. Zijn eerste stillevens exposeerde Mondriaan al eind 1892 bij de Utrechtse kunstenaarsvereniging Kunstliefde. Modeltekenen en –schilderen was niet Mondriaans sterkste kant. (Dat manco zou hem opbreken toen hij in 1898 en 1901 meedon naar de Prix de Rome, met als inzet een jaar Italië. Zijn lijnvoering was te grof, vonden de examinatoren.) Maar voor esthetica kreeg hij van professor Jan Six een tien. In 1894 voltooide Mondriaan de dagopleiding; in cursusjaren 1894-1895 en 1896-1897 volgde hij nog wel avondlessen aan de Rijksacademie.
Begin 1894 verliet Mondriaan huize Wormser in de Kalverstraat en verhuisde naar de zolder van Ruysdaelkade 75, waarvan zijn jongere broer Willem Frederik de vorige onderhuurder was. Al diezelfde zomer kon hij zelfstandig de derde verdieping huren van Eerste Oosterparkstraat 180, in een van Amsterdams nieuwste buurten, Het hele jaar 1897 woonde hij op de Ringdijk aan de rand van de Watergraafsmeer. In 1898 verhuisde hij naar Stadhouderskade 5, twee hoog, bij het begin van de Overtoom. En eind 1898 vestigde hij zich op het adres Albert Cuypstraat 158, waar hij de zolderverdieping huurde. Dit bleef jarenlang zijn officiële adres.
Mondriaan moest in zijn eigen levensonderhoud voorzien. In 1898 solliciteerde hij vergeefs naar een baan als tekenleraar in Enschede. Bij gebrek aan een vaste betrekking verdiende hij nu de kost met het maken van illustraties in medische handboeken, het maken en verkopen van kopieën van kunstwerken uit het Rijksmuseum, het in opdracht schilderen van portretten en het schilderen van landschapjes, alweer voor de verkoop. Ook gaf hij tekenlessen aan particulieren. Waarschijnlijk vond de betaling nu en dan in natura plaats: in de vorm van maaltijden of – in het geval van Mondriaans tandarts – behandelingen. Zijn mooiste opdrachten waren het ontwerpen van een preekstoel in de Engelse Kerk op het Begijnhof (1898), in hout uitgevoerd door L.F. Edema van der Tuuk, en een plafondschildering (1899) in het huis van de arts Abraham van de Velde, Keizersgracht 698. Laatstgenoemde opdracht dankte hij aan zijn voormalige leermeester prof. Six, de eerste aan zijn gereformeerde tandarts Adriaan Biersteker.

Van calvinist tot theosoof
In 1893 deed Mondriaan belijdenis en sloot zich aan bij de gereformeerde gemeente in Amsterdam. Begin 1894 beschilderde hij de school van zijn vader in Winterswijk met een godsvruchtige voorstelling, getiteld ‘Uw Woord is de Waarheid’. Hoelang hij zich zelf als gelovige gereformeerde is blijven beschouwen, weten we niet. Vermoedelijk bleef het gereformeerde milieu in de jaren negentig voor hem van belang, als was het maar voor het verkrijgen van opdrachten. Maar geleidelijk verschoof zijn belangstelling naar de theosofie.
Het godsdienstig leven was rond de eeuwwisseling in hevige beroering. Modernistische theologen verkondigden dat sommige bijbelse wonderverhalen niet letterlijk maar symbolisch begrepen moesten worden. Voor mensen als Abraham Kuyper en vader Mondriaan was dat godslastering, voor vele anderen (zoals Piet Mondriaan) een openbaring. De modernisten wezen ook op overeenkomsten tussen het christendom en oosterse godsdiensten, zoals die onder meer in de Nederlandse koloniën werden beleden. De christenen hadden niet exclusief de waarheid in pacht, preekte dominee P.H. Hugenholtz van de Vrije Gemeente, die zich al in 1878 van de Hervormde Kerk had afgescheiden. Mondriaan volgde naar verluidt enige tijd catechisatie bij Hugenholtz in het gebouw der Vrije Gemeente op de Weteringschans – nu Paradiso.
Als reactie op de territoriumdrift van de gevestigde kerken die alle een eigen god schiepen naar hun eigen beeld, werd het pantheïsme razend populair. God was geen persoon, maar ‘het goddelijke’ dat alles en iedereen doordringt. Deze gedachte vinden we ook terug in de theosofie, in 1875 als stelsel ontworpen door ‘Madame’ Helena Blavatsky. De theosofie zou een wetenschappelijke synthese zijn van alle wereldreligies. Theosofen streefden naar een universele broederschap van alle mensen, ongeacht stand, ras of geslacht. Het goddelijke liet zich aan sommigen kennen door mystieke intuïtie, maar ook door de bestudering van de natuur en universele meetkundige principes.
In kunstenaarskringen was de theosofie rond 1900 zeer populair. Verscheidene medestudenten van de Rijksacademie, onder wie de architecten Karel de Bazel en Mathieu Lauweriks, traden al in 1897 toe tot de kersverse Nederlandse Theosofische Vereeniging. Mondriaan begon zich waarschijnlijk pas voor de theosofie te interesseren door gesprekken met de predikantenzoon L.F. Edema van der Tuuk (van de preekstoel in de Engelse Kerk) en de kunstenaars Marien Hack en Herman Walenkamp, die in 1897 naast hem woonden op de Ringdijk. Dat het gelijkheidsideaal van de theosofen bij hen ook een politieke veratling vond, blijkt uit het feit dat beeldhouwer Hack en tekenaar-architect Walenkamp, net als De Bazel al rond 1895 bij de Amsterdamse politie als gevaarlijke anarchisten te boek stonden. Mondriaans ‘burgerlijke’ vriend, de bosbouwkundige Albert van den Briel vond het maar niets, zoals hij in de jaren zestig aan mondrianoloog Robert Welsh schreef: “Het is mij altijd een raadsel geweest, hoe M. Tusschen die groep gekomen is. Er waren naar mijn mening, gevaarlijke elementen bij.” Een ander ‘gevaarlijk element’ was schilder Paul Goudman, ook een voormalig klasgenoot. In 1903 weigerde hij, als dienstplichtig soldaat, deel te nemen aan de onderdrukking van de Spoorwegstaking. Mondriaan liet hem onderduiken in zijn atelier in de Albert Cuypstraat; daar werd huiszoeking gedaan, maar de vogel was al gevlogen.

Een anti-burgerlijk trefpunt
Een belangrijk trefpunt van het anti-burgerlijke kunstenaarswereldje in de Pijp was de ‘Molen zonder wieken’ in de Tolstraat, ter hoogte van het huidige Hendrick de Keyserplein. Diverse kunstenaars woonden er officieel (zoals de kleurrijke Jopie Bremer) en vele anderen waren er kind aan huis, zoals journalist/tekenaar Joop Siedenburg, schrijver Arthur van Schendel, schilder Marinus van Raalte en de ‘Amsterdamsche Joffers’ Lizzy Ansingh en Georgine Schwartze. Er vonden verhitte beraadslagingen en vele spontane feesten plaats. Ook Mondriaan kwam er zo vaak dat hij er leek te wonen. “De Molen is ’t tooneel geweest van een drama, waarvan geen gegevens bekend werden, maar dat een vrouw het leven kostte; zelfmoord (?)”, schrijft Van den Briel. “M. was er alleen als mede-inwoner indirect bij betrokken. Hij heeft me wel verteld dat er dram was, maar niet in welken vorm.” Ook onderzoekers Bax en Welsh hebben niet kunnen ontsluieren wat er nu precies gebeude. Vast staat wel dat Mondriaan er behoordelijk van in de war was en tijdelijk, met Van den Briel, rust zocht op het Brabantse platteland.
Niet alle vrienden van Mondriaan waren even radicaal. Albert van den Briel (die Mondriaan in 1900 had leren kennen bij een toneelstuk van Ibsen) was tamelijk rechts en zijn kunstenaarsvrienden Simon Maris en Albert Hulshoff Pol deden niet aan politiek. Simon, die in 1900 van Antwerpen naar Amsterdam verhuisde, was de zoon van Willem Maris, een beroemde landschapschilder van de zogeheten Haagse School. Met beide vrienden trok Mondriaan er vaak op uit om te gaan schilderen langs de Amstel of het Gein. Daar woonde hij nog dichterbij dan eerst, sinds hij omstreeks 1902 weer op de Ringdijk woonde, nu met zijn broers.
Met dat buiten schilderen was Mondriaan al begonnen toen hij nog op de Stadhouderskade woonde: hij schilderde toen veel aan de westelijke stadsrand, de landelijke Vinkenbuurt (de omgeving van de huidige De Clerqstraat, toen Lange Bleekerspad) en de Schinkelbuurt. Na 1900 zocht hij zijn onderwerpen wat verder van de stad. Hij had inmiddels een fiets, nog tamelijk bijzonder in die tijd. Vanaf de Ringdijk kon hij verschillende routes volgen. De kortste liep dwars door de Watergraafsmeer (over de Middenweg) naar Diemen, en vandaar langs de Weespertrekvaart en de Gaasp naar Schoonoord (nu Driemond) aan het Gein. Als hij zijn tocht langs het Gein in Abcoude wilde beginnen, had hij de keus uit twee trajecten: langs de Amstel (met café Het Kalfje) en de Bullewijk, of – korter – na een paar honderd meter Amsteloever langs de Weespertrekvaart naar Duivendrecht en vandaar over de oude Utrechtseweg. Onderweg vereeuwigde hij ook vele malen boerderij Weltevreden aan de Duivendrechtselaan, die in de jaren dertig werd afgebroken.

Zuivere gevallen van acute décadence
Mondriaan zelf schreef later over zijn onderwerpskeuze in die jaren : “Ik schilderde bij voorkeur landschappen en huizen gezien bij grijs, donker weer of in zeer sterk zonlicht, wanneer de dichtheid van de atmosfeer de details aan het gezicht onttrekt en de grote contouren van de dingen accentueert. Dikwijls maakte ik schetsen bij maanlicht, koeien, liggend of onbeweeglijk staande in vlakke Hollandse weilanden, of huizen met dode, lege ramen. Ik heb deze dingen nooit romantisch geschilderd, maar ben van meet af aan altoos een realist geweest.”
In 1905 kreeg Mondriaan, na een nieuwe retraite in Brabant (Uden) een atelier aan het Rembrandtplein, in het gebouw van kunstenaarsvereniging Sint Lucas. In 1906 verhuisde hij naar Albert Cuypstraat 272, in 1908 naar Sarphatipark 42. Rond 1907 maakte hij waarschijnlijk kennis met zijn avantgardistische kunstbroeders Leo Gestel (buurtgenoot) en Jan Sluijters, die inspiratie hadden opgedaan in Parijs. Samen met hen bekende hij zich tot het ‘luminisme’: “Het eerste dat ik in mijn schilderen veranderde, was de kleur. Ik liet de natuurlijke kleur los om haar te vervangen door de zuivere kleur. Ik had ondervonden dat de kleuren der natuur niet op doek kunnen worden weergegeven. Instinctief voelde ik dat de schilderkunst een nieuwe wijze moest vinden om de schoonheid der natuur te beelden.”
Langzaamaan begon hij ook bepaalde vormen, bijvoorbeeld van boompartijen langs het Gein, te abstraheren. In 1909 exposeerden Mondriaan, Sluijters en Cornelis Spoor (een vooraanstaand theosoof) samen in het Stedelijk Museum. Vooral Mondriaans opmerkelijke kleurgebruik baarde veel opzien. “Nooit heb ik zulke zuivere gevallen van acute décadence zóó duidelijk voor ogen gehad. Het zijn, wat de medicus noemt: typische ziektebeelden,” schreef literator en psychiater Frederik van Eeden. Alleen schrijver Israël Querido nam het voor Mondriaan op: “Hij voelt het wezen der kleur in al zijn geheimenissen, en daarom juist kan met hem niet volgen.”
Mondriaan voelde dat de grote stad Amsterdam voor hem te klein was geworden. Begin 1912 verhuisde hij naar Parijs. Hij schoor er zijn baard af en veranderde zijn naam in Mondrian.

Peter-Paul de Baar
Februari 1994

Powered by JReviews