De vaste route van Menno Wigman Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     September 06, 2013    
2715   0   0   0   0   0

Anderhalf jaar geleden nam hij eens een meisje mee naar huis met een Limburgse achtergrond. “‘Het lijkt wel de woning van de kapelaan’, zei ze.” Menno Wigman heeft zijn etage in de Bonairestraat in de stijl van de Amsterdamse School ingericht. “Het begon met één kastje en toen werd het een obsessie.” Vanuit deze donkerbruine rust (“ik ben niet zo’n heel erg licht mens”) fietst hij een paar keer per week naar het stadse gewoel rond het Spui.

Naast de kachel staat een geweer met dichtgesoldeerde loop – een cadeautje van de schrijver Jan Willem van de Wetering (1931-2008) aan Wigmans moeder. Op de schoorsteen ligt Duits inflatiegeld uit de jaren twintig/dertig. Het noopt Wigman tot een kleine beschouwing over de crisis. “Voor sommige mensen vallen echt belangrijke opdrachten weg, maar in vergelijking met de crisis uit de jaren dertig van de vorige eeuw hebben we het volgens mij nu beter. Wat ik wel vervelend vind is dat de huidige sfeer jonge mensen ontmoedigt om naar bijvoorbeeld de kunstacademie te gaan.” Zelf heeft hij het altijd lastig gevonden te vertellen dat hij dichter is. “Op feestjes krijg je bijna onveranderlijk de vraag: ‘Waar leef je dan van?’ Daarom is het wel fijn dat ik mezelf nu Stadsdichter kan noemen, want dan denken mensen opeens dat ik misschien toch wel iets kan. Alsof het een soort Kemakeurstempel is.”

Gulle straat
Voor Wigman – die uit Santpoort komt en zich nog goed oude Amsterdammers kan herinneren die begonnen te lachen en naar hun hoofd te wijzen als ze hoorden waar hij opgroeide – begint Amsterdam eigenlijk bij de Singelgracht. “Maar ik vind het helemaal niet erg om hier te wonen, want ik leef en werk hier ongestoord.” Bovendien woonde collega-dichter Gerrit Komrij ooit ook in de Bonairestraat. “Verder valt er weinig over die straat te vertellen.”
Veel mooier vindt hij de parallellopende Paramaribostraat, waar we even een kijkje nemen. “Dit is echt een Amsterdamse Schoolstraat, met die mooie raampartijen op de tweede verdieping van de huizen.” Het is ook een gulle straat, want als hij collecteert voor het Kankerbestrijdingsfonds haalt hij hier altijd veel op. “In de Bonairestraat schelden ze collectanten uit, heb ik gehoord.”
We lopen richting Kinkerstraat en zodra we de Kinkerbrug over zijn, komt het hoge woord eruit: Wigman vindt de Kinkerstraat lelijk. Al heeft hij wel eens, ’s ochtends héél vroeg, in enigszins beschonken toestand, gedacht dat het meeviel.
We proberen de vinger op de zere plek te leggen – de kunststofvensters, de nieuwbouw, een belwinkel, de Febo, de McDonald’s, de kebabzaakjes. “Die overdekte galerij maakt er een armoedige koopgoot van. Mensen dwalen vaak over het belendende fietspad, waardoor het lastig fietsen is, en dan denk ik: ze kunnen toch niet verblind zijn door al die oogverblindende goederen in de etalages?” Fraai zijn wel de moeders en dochters die Wigman hier stevig gearmd met z’n tweeën uit winkelen ziet gaan. “Tot voor een paar jaar geleden liepen ze altijd in leggings. Dat is voor mij echt hét beeld van de Kinkerstraat.”

Syndroom van Herostratos
Bij de Hema ontwaren wij de eerste Oranjeversieringen. Morgen is de inhuldiging van Willem Alexander. Wigman schreef er als stadsdichter een gedicht voor. Het Parool was “gek genoeg” traag met plaatsing. “Het gaat over een verwarde man die op 30 april iets wil doen waardoor zijn naam in alle kranten komt te staan, zoals bijvoorbeeld Karst T. in Apeldoorn in 2009. “Het is kleinzielig en egoïstisch om beroemde mensen iets aan te doen alleen om zelf in de aandacht te komen.” Hij legt in zijn gedicht een link met Herostratos, die in 365 voor Christus de Tempel van Artemis in de fik stak omdat hij eeuwige roem wilde. “De Griekse staat verbood het volk zijn naam ooit nog uit te spreken, maar uiteindelijk staat hij toch in de encyclopedieën en in Duitsland hebben ze het over het syndroom van Herostratos.”
“Ik kan nog wel begrijpen dat Het Parool er niet blij mee was, maar de kwestie speelt toch. Door mensen als Volkert van der G. en Mohammed B. is er veel veranderd. Er worden voor de inhuldiging nu ook mensen uit voorzorg vastgehouden. Het gevaar komt niet van protesteerders, maar van de maniakale eenling.”
Op de Elandsgracht komt Koninginnedag dichterbij; al bij de eerste kruising schalt het Amsterdamse levenslied oorverdovend. Wigman is vooral van Koninginnenacht. “Als arme student kocht ik ’s nachts op de vrijmarkt goedkoop kleren. Ik ben ook wel eens op de vrijmarkt op het Mercatorplein beland en dan zie je dat er heel veel echte armoede heerst in de stad. De dingen die daar op de kleedjes liggen, stellen écht helemaal niets voor.”

Het Liegend Konijn
De Prinsengracht (rechtsaf) voert ons naar de Runstraat, naar het “afvoerputje” van menig drinkavond: café De Doffer. Het allerfijnste café vindt hij De Pels, even verderop in de Huidenstraat. “Als ik daar in m’n eentje binnenstap, ken ik altijd wel iemand, dat is prettig. Ik kwam een keer met een ex-vriendin terug van vakantie en toen zijn we met onze koffers gelijk naar De Pels gegaan.”
Maar het is zaak niet te veel in hetzelfde café te komen. “Dan gaan mensen roddelen, dat heeft ook met verveling te maken. Iemand zei eens dat De Pels iets van een terrarium heeft, waar de dieren uit pure verveling elkaars kop afbijten.” Zo valt het Wigman op dat sommige dames in dit café elkaar nogal belasteren, al geeft hij direct toe dat ook mannen ‘oude wijven’ zijn en schrijvers ‘enorme roddelaars’. “Maar je moet weten tegen wie je het doet. En wat ook bij de kunst van het roddelen hoort, is dat je af en toe over jezelf roddelt. Het is toch een soort vlooien, wat apen doen.”
We lopen de Heisteeg in, naar café De Zwart waar Wigman de avond soms aftrapt, al zegt hij dat aarzelend. “Het heeft iets van een cliché, omdat ik dichter ben en De Zwart de naam heeft literair te zijn, maar ik vind het fijn om er te zitten. En dan, zoals ze dat noemen, ga ik ‘de steeg’ in, richting De Pels.”
Een deel van de etalage van Athenaeum is tot zijn aangename verrassing gevuld met exemplaren van het poëzietijdschrift Het Liegend Konijn. “Goed dat ze dat doen.” Tot zo’n tien jaar geleden werkte hij met veel plezier om de hoek bij antiquariaat Egidius, tegenwoordig een Giftshop. “Ik was daar echt op mijn plek. Eindeloos over boeken ouwehoeren. Ik dacht altijd dat boekenliefhebbers vreedzame mensen waren, maar er is hier een keer behoorlijk onrustbarende ruzie geweest over een in leer gebonden uitgave van de Essais van Michel de Montaigne. Die heren sloegen bijna elkaars schedel in.”

WIE: Menno Wigman (Santpoort, 1966)
IS: dichter, vertaler en essayist
DEBUUT: ’s Zomers stinken alle steden (1997)
LAATSTE BUNDEL: Mijn naam is Legioen
LIEFHEBBER: van de Amsterdamse School

Marcella van der Weg
Juli/Augustus 2013


Powered by JReviews