Het Amsterdam van Willem Frederik Hermans Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Augustus 15, 2013    
3978   0   0   0   0   0

Dossiers

Hij is geboren en getogen in Oud-West, maar uit zijn boeken spreekt weinig waardering voor deze buurt, noch de stad in haar geheel. Toch is de weergave van Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog bijna nergens zo scherp en beeldend als in het werk van Willem Frederik Hermans. Venijnig uithalen deed hij in later werk.

In zijn postuum verschenen roman Ruisend gruis nam Willem Frederik Hermans alsnog wraak op Ed van Thijn:
“Ik ben journalist en ik heb indertijd de ramp in de Bijlmermeer verslagen, toen er een vliegtuig tegen een flatgebouw aan is gevlogen.”
“Dat herinner ik me,” zei de Zuidmolukker, “allemaal bruine mensen woonden daar. De burgemeester kwam op de televisie en vertelde dat er tweehonderdvijftig dood waren. Achteraf bleken het er maar zevenenveertig te zijn. De wens is natuurlijk de vader van de gedachte geweest.”
Tijdens het bestuur van de socialistische burgemeester Van Thijn was Hermans in 1986 tot persona non grata in Amsterdam verklaard, vanwege zijn bezoek drie jaar eerder aan Zuid-Afrika, waar toen nog de apartheidspolitiek heerste. De relatie tussen Hermans en zijn geboortestad was niet altijd zo problematisch, de uithalen naar Amsterdam kom je in feite alleen tegen in zijn latere werk.
Willem Frederik Hermans is op donderdag 1 september 1921 geboren in de Nederlands Hervormde Diakonesseninrichting op Overtoom 283. (Nu staat hier het Revalidatiecentrum Amsterdam.) Hij woonde tot 1950 in de stad; eerst bij zijn ouders (Brederodestraat 93 eenhoog, vanaf 1929 Eerste Helmersstraat 208 driehoog) en van 1945 tot 1950 op kamers. Zijn jeugd bracht Hermans door aan de arme kant van het Vondelpark. In zijn gymnasiumtijd op het Barlaeus werd de zoon van het onderwijzersechtpaar Johannes Hermans en Rika Eggelte omringd door de zoons en dochters van notarissen en tandartsen die aan de betere kant van het park huisden. Zowel West als Zuid dienen dan ook, mét de binnenstad, veelvuldig als decor in het vroege werk van de schrijver. Noord en Oost daarentegen zijn vrijwel afwezig.

Vondelpark een kwelling
In zijn jeugd is Hermans met zijn ouders en drie jaar oudere zusje Corry dus maar één keer verhuisd. Na die verhuizing van eenhoog aan de noordkant naar driehoog aan de zuidkant van hetzelfde huizenblok, bleven zijn ouders daar “zoals een kanarie die soms onder in zijn kooi zit en soms bovenin, blijft waar hij is,” schrijft hij in ‘Gedachte over wonen in het buitenland’ (in De laatste roker).
Is voor het ene stadskind het Vondelpark een oase, voor de jonge Wim was het een kwelling. In het autobiografische verhaal ‘Dood en weggeraakt’ (De laatste roker) schetst hij de stille blijdschap die zich van hem meester maakt als hij zondagsochtends de gordijnen opentrekt en kan vaststellen dat het zwaar bewolkt is en er elk ogenblik een stortbui kan losbarsten. “Toen ik klein was betekende dit, dat ik niet met mijn zusje en mijn ouders door het Vondelpark zou behoeven te wandelen, dat ik thuis kon blijven en me bezighouden met dingen die ik echt belangrijk vond.”
Op de Pieter Langendijkschool in de gelijknamige straat werd Wim Hermans gepest door de arbeidersjeugd en uitgescholden voor ‘stijve jezus’. “Alle straten in de buurt waar ik ben grootgebracht, zijn naar zesderangsschrijvers genoemd,” schrijft hij in ‘De elektriseermachine van Wimshurst’ uit Een wonderkind of een total loss. “Mijn school was aan alle zijden door de achterkanten van hoge huurkazernes omgeven. Hun wrakke houten veranda’s hingen altijd vol wasgoed. Het binnenplein waarop de school stond, was bestraat met klinkers en omringd door een schutting die naar rottend hout stonk.” In zijn Fotobiografie nam Hermans er enkele foto’s van op.
En uit het verhaal ‘Elektrotherapie’ (in Moedwil en misverstand) blijkt dat hij zich al evenzeer een buitenstaander voelde op het Barlaeus Gymnasium, temidden van de gegoede jeugd. “De meeste jongens woonden in Zuid en Ronald (maar) in Oost. Hij ging nooit samen met anderen naar huis. Bij het Rijksmuseum gingen zij rechtsaf en hij rechtdoor.”

In oorlogstijd passief maar oplettend
Verreweg het beste werk van Hermans speelt zich af tijdens de Tweede Wereldoorlog in Amsterdam. Wie een beeld wil krijgen van de stad in de periode 1940-1945 kan in de Nederlandse literatuur nauwelijks beter terecht dan bij romans als De tranen der acacia’s (1949), Ik heb altijd gelijk (1951), De donkere kamer van Damokles (1958) en het Boekenweek-geschenk In de mist van het schimmenrijk (1993, maar geschreven tijdens de oorlog). Hermans geeft in Ik heb altijd gelijk een fascinerend beeld van de chaotische eerste meidagen van 1940, toen niet alleen de Duitsers Amsterdam bezetten, maar ook zijn zus Corry (Debora Stegman in de roman) samen met haar oudere neef Piet Blind (Leendert Middelbos) met wie zij een verhouding had, een eind aan haar leven maakte op de toenmalige Zuidelijke Wandelweg.
Hermans zat niet in het verzet en, ten overvloede, collaboreerde evenmin met de Duitsers. Hij was in september 1940 gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam, werd er razendsnel wetenschappelijk assistent en tekende in 1943 de loyaliteitsverklaring niet. Vreemd genoeg ging hij zich na een oproep wel vrijwillig melden in de Euterpestraat, maar de SD was niet geïnteresseerd. Hij staakte zijn studie en raakte in kringen van (oudere) schrijvers en dichters zoals Adriaan Morriën, Charles B. Timmer en de leraar Frans Martin Premsela. In eigen beheer bracht hij clandestien een eerste dichtbundeltje uit, Kussen door een rag van woorden. Tegen het eind van de oorlog bezocht Hermans diverse clandestiene cercles, onder andere bij wijnhandelaar Jan Boex op Postjeskade 249 en bij toneelacteur Louis van Gasteren senior, een lid van de Kultuurkamer.
Hoe passief hij toen verder ook was, in de oorlogsjaren heeft Hermans in het op den duur onttakelde en uitgehongerde Amsterdam bliksemgoed opgelet en dat naderhand minstens zo goed verwerkt in zijn verhalen en romans. Karel R. uit In de mist van het schimmenrijk is een student-verzetsstrijder die in de Concertgebouwbuurt van onderduikadres naar onderduikadres moet vluchten, totdat hij zijn einde vindt in een van de somberste doodlopende straatjes die Amsterdam kent: de Grimnessesluis aan het eind van de Nes met uitzicht op het toenmalige Binnengasthuis. De teloorgang van Karel R. gaat gelijk op met de onttakeling van Amsterdam.
De tranen der acacia’s geeft een nog aangrijpender beeld van de stad-in-verval: “[Arthur Muttah] slenterde door de jodenhoek, waar elke dag meer huizen werden uitgehold tot zij vanzelf uitstortten. Dikwijls waren de portieken dichtgemaakt met prikkeldraad, al onmiddellijk had men dat gedaan, nadat de Duitsers de deuren hadden ingeslagen. Alles leek hier vuil uit te scheiden. Als de zon scheen droogde het op, woei je in het gezicht met de geur van oud vermolmd papier. Het duurde soms lang voor je hier een mens ontmoette, al stonden op het Waterlooplein nog altijd handelaars.”
In De tranen der acacia’s ligt de westgrens van de stad nog bij de Postjeskade en die aan de oostkant bij de “de weg naar Muiden” waarin we de Weesperzijde en Weespertrekvaart herkennen. Plan-Zuid is net gebouwd en het verval van de gehavende stad is goed af te lezen aan de Wolkenkrabber op het huidige Victorieplein, die een voorname rol speelt in de roman. Ook aan seks geen gebrek in oorlogstijd: de vrijscène tussen Arthur Muttah en de Tjechische Andrea Corvàc in de op- en neergaande lift in de Wolkenkrabber is legendarisch: “De lift rammelde zachtjes in de koker.”
Nooit opgehelderd is de plaats van het pand waar Arthur met zijn halfzus Carola en zijn grootmoeder woont: mogelijk vlak bij de Tweede Kostverlorenkade, “over de stalen hefbrug” bij een door Duitsers gevorderde school. Maar waar precies? Vermakelijk is dat Hermans in De tranen de Dijkdwarsstraat (tussen Keizersstraat en Dijkstraat) laat uitkomen op de Snoekjesgracht. Dat kon toen niet en dat kan nog altijd niet.
Ook in veel beschouwend werk komt Amsterdam in oorlogstijd voor. In de essaybundel Door gevaarlijke gekken omringd herinnert Hermans zich dat het enige pistoolschot dat hij ooit hoorde afschieten in mei 1940 weerklonk in de Pieter Langendijkstraat: “Pang.”

Woningnood in naoorlogs Amsterdam
Ook de stad rond 1950 is door Hermans als decor en plaats van handeling gebruikt. Paranoia (gesitueerd op Amstel 188), De woeste wandeling en een groot deel van Ik heb altijd gelijk spelen zich af direct na de Politionele Acties. Woningnood vierde hoogtij en het oostelijk havengebied was nog een havengebied waar schepen met soldaten en repatrianten uit Indië aankwamen. Op de Javakade woonde nog geen enkele Amsterdammer: in het filmscenario van De woeste wandeling druipt de kade van de regen als familieleden onder paraplu’s op een passagiersschip uit Indonesië staan te wachten.
In Paranoia vind je het stadhuis uiteraard nog niet op het Waterlooplein, maar in het Prinsenhof op de Oudezijds Voorburgwal. En kennelijk op de plek van het latere kraakpand de Grote Wetering lijkt een melkdistributiebedrijf zo kort na de oorlog nog “es-esser, es-esser, es-esser, es-esser, es-esser” te sissen. De woningnood bij Hermans is een andere dan die uit het begin van deze eeuw, beschreven door onder anderen Neel Doff en Meijer Sluyser. Geen onder water gelopen kelderwoningen vol ratten bij Hermans. In Ik heb altijd gelijk woont repatriante Gertie Riemers met haar vader en broer op twee bedompte zolderkamertjes van Wouwermanstraat 162, een fictief adres. “Wij mogen geen nasi goreng maken, omdat ze vinden dat het stinkt.”
Na zijn vertrek uit het verstikkende ouderlijk huis maakte Hermans een niet veel vrolijker periode door. Hij trok van kamer naar kamer: Botticellistraat 24, Marnixstraat 290, Amstel 188, Apollolaan 129 eenhoog. Hij maakte een moeizame start in de literatuur en zag in de loop van 1948 zijn relatie met Juus Hartman, moeder van de latere choreograaf Toer van Schayk, stranden. Een carrière in Canada als houthandelaar liep binnen een half jaar uit op ontslag, zijn inkomen als redacteur van het literaire tijdschrift Criterium stopte met de opheffing van het blad. Eind 1948 keerde hij terug uit Canada en kreeg nul op het rekest toen hij huisvesting zocht in het Witsenhuis voor kunstenaars bij het Oosterpark. De oorzaak? Hermans had zijn lidmaatschapsgeld niet betaald aan de Vereniging van Letterkundigen.
Na zijn huwelijk met Emmy Meurs in 1950 kwam er meer evenwicht in Hermans’ leven. Hij studeerde eindelijk af, ging wonen in Voorburg en daarna, in 1952, in Groningen waar hij wetenschappelijk medewerker werd op de Rijksuniversiteit. Niettemin bezocht hij ook toen nog vele malen zijn geboortestad. Al zijn uitgeverijen (aanvankelijk W.L. Slam en J.M. Meulenhoff, vanaf 1949 G.A. van Oorschot, sinds 1962 De Bezige Bij en voor het specialistische werk later af en toe Thomas Rap en De Harmonie) waren in Amsterdam gevestigd.
Aan de vooravond van de Boekenweek werd in februari 1953 in de Stadsschouwburg zijn toneelstuk ‘Het omgekeerde pension’ opgevoerd. De schrijver mocht er koningin Juliana een handje geven. Hermans ruim 40 jaar later in Malle Hugo: “In de pauze werden de schrijvers van de eenakters voorgesteld aan die arme koningin, die zich nooit op haar gemak voelde, omdat ze altijd met vliegende schotels in de weer was, veel te weinig goede boeken had gelezen en dus (…) niet wist wat ze tegen schrijvers zeggen moest.”
Hermans bezocht in deze jaren kunstenaarssociëteit De Kring, exposeerde fotomontages in Moderne Boekhandel en foto’s in La Cave Internationale. In 1952 moest hij op de Prinsengracht vóórkomen in verband met een proces wegens het voor katholieken vermeende discriminerende karakter van Ik heb altijd gelijk. In 1955 promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam.

Beeld van de stad steeds clichématiger
Vanaf de jaren zestig komt Amsterdam nog maar sporadisch en dan altijd negatief voor in Hermans’ literaire werk. Vooral zijn lotgevallen op de Rijksuniversiteit Groningen, waar hij het niet tot hoogleraar fysische geografie brengt maar slechts tot lector, houden hem bezig. Ook letterlijk wordt de afstand tot Amsterdam steeds groter. Na zijn universitaire ontslag verhuist hij in 1973 naar Parijs, waar hij van zijn schrijverschap gaat leven. Als Age Bijkaart schrijft Hermans van 1973 tot 1979 een wekelijkse column in Het Parool, maar de veranderingen in de stad lijken dan al aan hem voorbij te gaan.
Clichématig wordt Sita van de Wissel in Uit talloos veel miljoenen (1981) bij een bezoekje aan Amsterdam in de Leidsestraat beroofd van haar dure krokodilleleren handtas. “Tasse stele gebeurt hier tegeswoordig elleke dag, zei [Ome Simon]. Je ben je lefe niet meer seker in de stad.” In dit boek rekent Hermans ook af met uitgever Geert van Oorschot, met wie hij dan al een jarenlange vete koestert. Uitgever Dick Hosselaar zetelt in de roman echter op Prinsengracht 681A, terwijl Van Oorschot op Herengracht 613 zit.
Hermans’ beeld van de stad is er een van clichés geworden. In ‘Eventjes in Amsterdam’ uit Door gevaarlijke gekken omringd (1989), heet het bijvoorbeeld: “Open plekken in de huizenblokken worden niet meer opgevuld, opgebroken straten blijven afgesloten en gaten in het wegdek worden gaten gelaten. Amsterdam verandert langzaam in een lege puinhoop. Zelfs het plaveisel van de eertijds zo deftige Apollolaan zit vol kuilen, dichtgegroeid met mos en brandnetels. Als het zo doorgaat lukt het Amsterdam, het Venetië van het Noorden, nog vlugger in het moeras te verdwijnen dan het echte Venetië.
Daarentegen is het functioneren van de Amsterdamse gemeenteraad fraai vastgelegd in het verhaal ‘De laatste roker’ in de gelijknamige verhalenbundel (1991). Hermans situeert een politiebureau op het “Stompie Moeketsieplein, vroeger Steve Bikoplein genaamd”. Ter herinnering: in 1978 vernoemde de raad het Pretoriusplein naar een van de strijders tegen de apartheid in Zuid-Afrika, ANC-voorman Biko. Toen een andere ANC-activiste, Winie Mandela, het wat al te lastige zwarte jongetje Stompie Moeketsie liet doodslaan, bleef het evenwel nog lang erg rustig in de raad.
Inmiddels was Hermans in 1986 wél door het Amsterdamse gemeentebestuur in de ban gedaan, wegens zijn bezoek aan Zuid-Afrika. Een tentoonstelling van zijn foto’s in het Stedelijk Museum werd (bijna) voortijdig gesloten. Hermans werd verboden in hoofdstedelijke overheidsgebouwen op te treden. En was het niet de overheid, dan waren het wel burgers: een lezing in De Balie moest worden onderbroken vanwege een (valse) bommelding. Pas met de Boekenweek van 1993, waarvoor hij het geschenk schreef, werd de ban door de Amsterdamse politici opgeheven. Hermans maakte een glorieuze intocht in het Amstel Hotel. Van een definitieve terugkeer naar de stad kon geen sprake meer zijn, daarvoor had Amsterdam hem minstens Villa Betty aan het Vondelpark moeten aanbieden. Toen Hermans weer wat dichter bij Nederland en zijn zoon en kleinzoons wilde wonen, kwam hij in 1991 niet verder dan tot Brussel.
Willem Frederik Hermans overleed op donderdag 27 april 1995. Het zou een mooi gebaar zijn als de stad op 1 september 1996, de dag dat hij 75 jaar zou zijn geworden, een straat naar hem vernoemt. Of dat ooit gebeurt is maar de vraag. De Pieter Langendijkschool heet sinds 1992 immers niet de W.F. Hermansschool, maar de Annie M.G. Schmidtschool en voor Brederodestraat 93, waar Hermans zijn eerste jaren doorbracht, heeft stadsdeel Oud-West in het plaveisel een dichtregel laten aanbrengen… van Judith Herzberg.

Bob Polak
December 1995

Powered by JReviews