Het Amsterdam van Marianne Philips Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 14, 2013    
3232   0   0   0   0   0

Dossiers

In Slotermeer is sinds 1953 een Marianne Philipsstraat, maar de boeken van deze veelgeprezen schrijfster zijn al jaren niet meer leverbaar. Ten onrechte. Zeker ‘Henri van de overkant’, over het Amsterdam van haar jeugd rond 1900, verdient een herdruk.

In de zomer van 1936 wist Rietje Majoor, het dienstmeisje van de familie Goudeket-Philips in Bussum, niet wat ze hoorde. Haar mevrouw stelde voor om samen een dagje naar Artis te gaan. Ze reisden met de stoomtram, de Gooise moordenaar: “Gewoon derde klasse tot Muiderpoort, we hadden koffie en brood mee. Ik liep op rozen, ik liep op wolken. Ze bracht me bij het boeddhabeeld en stond er stil. Toen heeft ze iets gezegd over de enorme rust die ervan uitging.” Zo citeerde R. Verheyen Majoor in Marianne Philips 1886-1951 – leven & werk (Gent 1971). Later begreep Rietje dat haar wekgeefster, de schrijfster Marianne Philips, niet alleen haar een plezier wilde doen. Philips wilde er zeker van zijn dat alle details klopten van haar roman Henri van den overkant, waarin haar held en zijn vriendinnetje een dag naar Artis gaan.
In de herfst van 1936 kwam het boek uit, met als ondertitel Een jeugd tusschen twee eeuwen.
Marianne Philips was 50, het was haar vierde roman. Ze liet in het boek Henri Godschalk, zoon van een joodse antiquair, de visuele indrukken van haar eigen jeugd in haar geliefde Amsterdam opnieuw beleven. De Bildungsroman is ook te lezen als een ode aan de stad, met prachtige beschrijvingen “van het geliefde stadsbeeld van Breitner, Witsen en Querido”.
Henri, geboren in 1885, woont op Kloveniersburgwal 45, het vierde huis vanaf de Nieuwe Hoogstraat. Het is een deftig pand met een stoep en het opschrift: “Maurice Godschalk. Antiquités. Het stond op het raam met degelijk vergulde letters. Zo zagen de mensen het die uit de Oude Hoogstraat kwamen en de brug van de Kloveniersburgwal opliepen.” Daar zit nog steeds een antiquair, schreef de recensent van het Weekblad voor het Israëlitisch Huisgezin in 1937 verrast. 

Kloveniersburgwal scheidde jood van niet-jood

Het boek gaat over de verhouding van Henri met “die van de overkant”, legde Marianne Philips uit in een lezing. “De oostzij van de Kloveniersburgwal, waar de kapitale huizen stonden, was zo ongeveer de grenst van de jodenbuurt. Daar woonden de gezeten joodse burgerfamilies. Aan de westzij van de gracht, vooral naar de Nieuwmarkt toe, stonden kleine winkelhuizen met apart verhuurde verdiepingen. Daar hingen iedere dag waslijnen met hemden en rooie broeken en blauwe onderrokken. Langs die zij ging het verkeer naar de Zeedijk met z’n matrozenkroegen en daarop hadden ook allerlei kleine sloppen en stegen hun uitmonding. Het grachtwater van de Kloveniersburgwal scheidde jood van niet-jood en bezitter van niet-bezitter.”

In het begin van de roman is Henri vijf. Hij kijkt uit het raam op de eerste verdieping en ziet Sinterklaas aankomen langs het dak van het Oost-Indisch Huis. “Tussen al die kleine spitse daakjes zag hij heel duidelijk de punt van een mijter bewegen.”
Waar zou hij het eerst heen rijden? Helaas niet naar Henri’s huis; de jongen weet dat Sinterklaas niet bij joden komt. “Zou hij aan de overkant blijven en met zijn schimmel over de Hoogstraat springen?”
Schuin aan de overkant woont Mietje, het vrolijke dochtertje van Betje. Betje is Henri’s vroegere min en doet in huize Godschalk het grove schoonmaakwerk. Mietje mag wel eens spelen bij Henri. Hij is enig kind, zijn moeder heeft zich kort na zijn geboorte verdronken. De dag dat Henri een glimp opvangt van de Sint is Mietje voor het laatst bij Henri thuis. De huishoudster komt erachter dat Betje een aanhangster is van die verfoeide socialistenleider Ferdinand Domela Nieuwenhuis. “De hele overkant was rood, er had nog geen kindervlaggetje uitgehangen toen het koninginnetje voorbij kwam.” Henri wordt de omgang met Mietje verboden, maar de twee kinderen, die zich tot elkaar aangetrokken voelen, blijven elkaar toch zien. Zij vinden de letterlijke en symbolische brug die de tegengestelde werelden verbindt.
Als ze naar de lagere school gaan, kruisen hun wegen elkaar. Henri gaat naar de jongeherenschool Instituut Meulmans op de Raamgracht. “Het huis leek precies op zijn eigen huis, het had ook een brede stoep en hoge ramen met kleine ruitjes.”
Mietje zit op de armenschool op het Waterlooplein. Hij komt haar vaak tegen, “want ze moest over de brug bij hun huis en voor haar eigen plezier liep ze dan een eindje langs de Kloveniersburgwal en de Raamgracht. Dat vond ze prettiger dan de vuile Hoogstraat en de St. Antoniesbreestraat waar altijd sinaasappelschillen lagen en paardevuil en modder. “Daar stond hij naar te kijken, ze ging eerst langs de St. Antoniesluis en toen naar haar school aan de stille kant van het Waterlooplein. Het was een heel andere school dan de zijne, een grote nieuwe school van rode bakstenen en groengeschilderde kozijnen.”

Stapvoets naar de Muiderpoort
Philips kende het huis waar ze Henri liet wonen goed. Ze werd op 18 maart 1886 een paar huizen verderop geboren, Kloveniersburgwal 37, op de hoek van de Nieuwe Hoogstraat. Marianne was het vijfde kind van Zadok Philips en Esther Rozelaar. Haar moeder kwam uit een welvarende familie van diamanthandelaren op de Nieuwe Keizersgracht. Zadok Philips was voor zijn huwelijk handelsreiziger. Haar ouders dreven een manufacturenhandel, ‘In Garen en Band’, in de Sint Antoniesbreestraat. Toen de zaken beter gingen, vestigden ze zich als ‘Philips & Co’ op de Kloveniersburgwal 35, 37 en 37A.
Hoekhuis 37A is kort na 1945 gesloopt en twaalf jaar geleden vervangen door nieuwbouw. Het gezin woonde, inclusief winkel- en kindermeisjes en min, op de verdiepingen boven de zaak. Zadok Philips stierf toen Marianne anderhalf was. Op aandringen van haar broers – de Rooselaars hadden geld in de zaak zitten – hertrouwde Ester met Simon Kan. Onder de naam ‘S.I. Kan, Grossier in Garen, Band en Manufacturen’ werd de zaak voortgezet, maar met steeds minder succes.
Conform de familietraditie ging Marianne op haar zesde naar de Tesselschadeschool op de Plantage Muidergracht. Het was een stoer, streng gebouw. De kinderen Philips gingen niet naar sjoel; Simon Kan was geen orthodoxe jood, al werd er wel kosjer gegeten. Met de zaak ging het zo slecht dat hij moest worden opgeheven. Het gezin verhuisde in 1898 naar de huurwoning Den Texstraat 39. Niet lang daarna slaagde Marianne voor het toelatingsexamen voor de 2de hbs met vijfjarige cursus in de Roelof Hartstraat. Deze deftige school – de zoon van burgemeester Vening Meinisz werd er per koest afgeleverd – was pas in mei van dat jaar geopend. Mariannes moeder overleed in 1900, in het kraambed. De begrafenis in Muiderberg heeft Philips beschreven in Henri van de overkant (zoals de titel sinds 1950 luidt). De rouwstoet, met paarden en koetsen, ging van het sterfhuis stapvoets naar de Muiderpoort en daarna in lichte galop langs de Muiderstraatweg tot de begraafplaats. “Henri begon nieuwsgierig om zich heen te zien. Bij het hek stond een hele groep ellendig armoedige joodse bedelaars, de begrafenisgangers hielden hun giften tevoren al klaar, want het is loffelijk om aalmoezen te geven bij een begrafenis. (…) Achter het hek begonnen dadelijk de rijen staande grafzerken, de oudste, vooraan, hingen scheefgezakt tegen het gras. (…) Wildgroeiende wilgestruiken en vogelkers hadden zich uitgezaaid tussen de graven en schoten ongehinderd op, omdat de meeste nabestaanden liever niet snoeiden aan wat wilde groeien op een graf.”
Voor Marianne brak na haar moeders dood een nare tijd aan. De kinderen Philips moesten niets van hun stiefvader hebben en de oudsten gingen al snel hun eigen weg. Marianne bezocht nog een jaar de hbs voor meisjes op de Keizersgracht, daarna moest ze het huishouden doen, voor halfzus en –broer Jetje en Jules zorgen en boezelaars naaien in het atelier dat Simon Kan op de Nieuwe Keizersgracht was begonnen. Maar ook dat bedrijf ging over de kop. De armoede dwong ze te verhuizen naar Watergraafsmeer, toen nog een zelfstandige gemeente. Aan de Langeweg (nu Archimedesweg) betrokken ze een klein huisje dat uitzag op de spoordijk. Bij veel van hun nieuwe buren hing het portret van Domela Nieuwenhuis aan de muur en er woonden verschillende bekende socialisten.

Het einde van het kapitalisme
Mietje-van-Betje werkt na school in het ene dienstje na het andere. Henri gaat naar de Handelsschool in het Huis met de Hoofden, Keizersgracht 123. Bij dit huis “hoorde een griezelig verhaal van een dienstmeid die zeven dieven successievelijk het hoofd had afgeslagen”. Iedere ochtend loopt Henri met zijn schooltas de brug over naar de kant van Mietje. “Hij vond het jammer dat er een lelijke platte brug over de Kloveniersburgwal was gelegd, een asfalten brug waaruit geen vonken meer konden springen vanonder de hoeven van de karrepaarden.” Aan de oude, hoge brug heeft hij mooie herinneringen. “Als de regentes met het koninginnetje in de stad was reed ze altijd een keer uit naar de kant van de Kloveniersburgwal. Dan klonk eerst luchtig het paardengetrappel, dan hoorde je het gejuich in de verte en even later draafden de glimmende bruine paarden met de prachtige huzaren al over de keien van de brug. En daarna kwamen de koetsen met het hof en de lichtgeklede buigende koninginnen.”
Henri had er toen hij klein was ook een opstootje gezien. “De Hoogstraat was plotseling volgelopen met een zwarte mensenmassa die bij stromen uit de nauwe opening van de brug gulpte. Boven de hoofden vlogen rode lappen die klapperden in de winde en uit de monden steeg een gedempt loeiend. (…) Nu klonk gekletter van dravende voetstappen langs de gracht, de agenten van de St. Pietershal kwamen aanrennen, een hele kolonne koperen helmen wierp zich in de menigte.” Later wist Henri dat dit een van de mislukte hongeropstootjes was geweest die in de jaren negentig zo vaak de gegoede burgerij hadden opgeschrikt.
Op de Handelsschool raakt hij bevriend met Marks Zadoks, in navolging van zijn vader een socialist in hart en nieren. Mark is op school een buitenbeetje, net als Henri, maar om andere redenen. Tijdens lange wandelingen door de stad probeert Mark Henri uit te leggen wat de beweging wil en wat proletarisch gevoel is. Samen gaan ze naar café De IJsbreker op de Weesperzijde. “Daar komen ’s avonds een heel stel partijgenoten bij elkaar, allemaal kopstukken. Hele avonden zitten ze er, tot in de nacht.”
De twee vrienden zitten in de vijfde klas als op 30 en 31 januari 1903 de legendarische spoorwegstaking uitbreekt. Mark is verrukt en opgewonden: “Mijn vader heeft net bericht gehad van de Rietlanden en van de Weesperpoort. Alles loopt leeg. Dit is het einde van het kapitalisme.” Al snel wappert de rode vlag op het gebouw van de bootwerkersvereniging Recht en Plicht, de staking van de transportarbeiders wordt gewonnen, tot dusver vijandige socialisten- en anarchistengroepen staan als kameraden naast elkaar. “Een golf van machtsgevoel liep door de arbeiders van Amsterdam.” Thuis moet Henri het snerpende commentaar van zijn vader aanhoren. In zijn hart leeft hij mee met de stakers – en verliest met hen.

In de ban van de solidariteit
Het hoofdstuk over de spoorwegstaking leest als een spannend ooggetuigenverslag. Philips had zich er goed voor gedocumenteerd. Ze las het ‘Verraadrapport’, dat de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij had opgesteld nadat een tweede massastaking in april 1903 door grote verdeeldheid in het linkse kamp was mislukt. Zelfs maakte ze een gulden over naar het KNMI om het weer in die periode te achterhalen. Voor haar was het dan ook geen gebeurtenis uit het geschiedenisboekje; als zeventienjarige had ze de staking van dichtbij meegemaakt. Vanuit het huis aan de Langeweg zag ze de soldaten langs de spoordijk patrouilleren. Ook zij leefde mee en raakte in de ban van de solidariteit van de stakende spoorwegarbeiders.
Een paar jaar later zag ze een opvoering van Op hoop van zegen van Herman Heijermans in het Grand Théâtre in de Amstelstraat. Het ellendige lot van de vissers maakte diepe indruk, zei ze in een interview uit 1950: “Na de voorstelling raakte ik in gesprek met een van de acteurs, Mari van Warmelo. ‘Kan er nou niets gedaan worden, dat daar verandering in komt?’ Vroeg ik. ‘Jawel,’ zei hij. ‘Dan moet je beginnen met socialiste te worden en je te organiseren.’” Prompt werd ze lid van de SDAP. “In die tijd was het nog een uitzondering en enigszins een blamage als een meisje van goeden huize zich publiekelijk ‘rood’ verklaarde.”
Zo gauw ze meerderjarig was, zocht ze een kamer en een baan. Ze werd in 1907 telefoniste en correspondente bij diamantslijper I.J. Asscher in de Tolstraat en sloot zich aan bij de Algemene Bond van Handels- en Kantoorbedienden. In 1910 werd ze secretaris van de afdeling Amsterdam. In de bond leerde ze Samuel Goudeket kennen, toen beursbediende en later commissionair in effecten. Ze hadden dezelfde socialistische idealen en gingen vaak ’s avonds naar De IJsbreker, waar ze enthousiast discussieerden over de nieuwe tijd. Ze trouwden op 1 mei 1911. Mariannes familie brak met haar, omdat het paar niet in de synagoge wilden trouwen. Het echtpaar ging in Bussum wonen en kreeg drie kinderen. Ze trad in 1919 voor de SDAP toe tot de Bussumse gemeenteraad en was daarmee een van de eerste vrouwelijke raadsleden. Toen ze 40 was, ontdekte ze haar ware roeping: schrijven. Ze publiceerde in totaal zes romans, twee bundels korte verhalen, een Boekenweekgeschenk, en een paar novellen.

Op zoek naar haar joodse wortels
In 1936 viel het de recensenten op dat Philipse met Henri van den overkant op een zeer persoonlijke wijze was teruggekeerd naar haar joodse wortels. De schrijfster verwees naar de gebeurtenissen in Duitsland en zei in een lezing: “Men zoekt in deze tijd allicht naar een brug tussen jood en niet-jood.” Ook zocht ze naar de band tussen orthodoxe joden en mensen als Henri’s vader, die zijn oorspronkelijke liberale geloofsopvatting liet verwateren. Philips, die op haar trouwdag het orthodoxe deel van haar familie demonstratief de rug toekeerde, schreef 25 jaar later een teder portret van een orthodoxe jood in de figuur van Henri’s zachtmoedige oude oom Eli, die ze modelleerde naar haar eigen grootvader, Abraham Levie Rooselaar.
Philips is niet tot de joodse religie teruggekeerd, al verdiepte ze zich in het chassidisme, een mystieke vorm van het joodse geloof. Ze voelde zich toch meer thuis bij de theosofie en de oosterse filosofie. Sporen daarvan zijn te vinden in Henri van de overkant. Op een Hemelvaartsdag neemt Henri Mietje een hele dag mee naar Artis. Die dag is een sfeervol hoofdstuk in de roman geworden, geroemd door alle recensenten. Het is niet zo vreemd dat het dienstmeisje zich zo goed herinnerde dat haar werkgeefster lang was blijven stilstaan voor het Boeddha-beeld. Marianne Philips laat Henri er iets bijzonders beleven: “Natuurlijk had hij geweten dat bij het pauwenhuis een groot zwart beeld stond, een Indisch beeld van een man met veel te stijve armen die ongemakkelijk zat in een rare schelpachtige bloem.” Maar het was of hij het beeld voor het eerst echt zág. “De jongen keek omhoog in de machtige zachte Boeddhablik van de gesloten ogen. De gouden parel tussen de wenkbrauwbogen stond midden in zijn eigen hart, een gouden korrel van vrede in de schil van zijn bestaantje. Hij wist niet meer dat hij Henri Godschalk heette en dat hij met Mietje-van-de-overkant in Artis zat. Er waren geen namen meer en geen dingen, alleen een naamloze lichte blijdschap.”

Martje Breedt Bruyn is eindredacteur van Vrij Nederland en auteur van Tijdloze ogenblikken – leven en werken van Marianne Philips, dat dit najaar bij Uitgeverij Vita verschijnt.

September 1996 

 

 

Powered by JReviews