Het Amsterdam van Joost Zwagerman Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 16, 2013    
3588   0   0   0   0   0

Dossiers

Als ‘padvinder uit de provincie’ vergaapte Joost Zwagerman zich aan het kunstenaarsklimaat in Amsterdam. Hij nam er zelf hartstochtelijk aan deel, maar rekende in zijn romans met sardonisch genoegen af met het snobisme van de grachtengordel. De setting voor zijn verhalen werd hem regelmatig in de schoot geworpen. “Pas na vier jaar dacht ik: ik loop dagelijks door het decor van een roman.”

“Mijn beste tijd had ik toen ik als vreemdeling in Amsterdam kwam met al mijn zintuigen op scherp. Ik ben niet op situaties afgestapt als een investigative journalist die dacht: hier zit een verhaal in. Ook ging ik niet naar bepaalde cafés om veldwerk te verrichten voor een roman. Pas na een tijd ging het idee rijpen te schrijven over de culturele circuits waarin ik belandde.”
Dat geldt vooral voor de twee boeken die Zwagerman zelf het meest met het Amsterdam uit zijn beginperiode associeert: Gimmick! en Vals licht. Nog voordat hij zijn studie Nederlands zou afbreken om zich volledig aan het schrijven te wijden, debuteerde hij in 1986 met De houdgreep, een verhaal dat zich in Londen afspeelt. Gimmick! introduceerde hem in 1989 bij het grote publiek. Deze schets van het rauwe leven van een stelletje jonge postmoderne kunstenaars in hartje Amsterdam baarde veel opzien. Vals licht beschrijft een liefdesgeschiedenis tussen een schuchtere student en een prostituee in de Pijp. Het boek werd in 1993 verfilmd onder regie van Theo van Gogh. De roman was een succes, maar de film flopte jammerlijk.
De hoofdpersonages uit Zwagermans latere romans Chaos en rumoer (1997) en Zes sterren (2002) bekijken Amsterdam door een heel andere bril. Dat veranderde perspectief heeft alles te maken met de ontwikkeling van de schrijver zelf, die nu getrouwd is en vader van drie jonge kinderen. Inmiddels telt zijn oeuvre negentien boeken. Romans, dichtbundels, verhalenbundels, columns en essaybundels vestigden zijn reputatie als veelschrijver. Daarnaast is Zwagerman bekend geworden als interviewer, redacteur, recensent, cabaretier, radiomaker en presentator, onder andere van het VPRO-programma Zomergasten. Een aantal van zijn romans is vertaald in het Engels, Frans, Duits, Hongaars, Japans en Sloveens.

Peeskamertje aan de Ruysdaelkade
In zijn eerste zeven Amsterdamse jaren ging Zwagerman een ‘mooi verbond’ aan met de stad. Hij ging veel om met beeldend kunstenaars. Terugkijkend schetst hij het als de laatste periode waarin er een levendige uitwisseling van ideeën bestond tussen schrijvers en beeldend kunstenaars. Met eigen ogen nam hij waar dat onder die laatste groep de yuppificatie toesloeg. “Afgestudeerden van de Rietveld Academie overkwam wat voordien nog nooit een kunstenaar was overkomen. Het ene jaar zit je nog in je afstudeerproject en het volgende jaar wordt er zomaar ƒ 30.000 voor je schilderij geboden.” Er was nog geen roman over de yuppificatie, de graaimentaliteit en nieuwe zakelijkheid in Nederland. Zwagerman pakte de pen en schreef Gimmick!, een verhaal over het leven van kunstenaars in dienst van de media en de glamour.
Velen zagen het boek als een sleutelroman en meenden schilders als Rob Scholte en Peter Klashorst en de dichter Koos Dalstra te herkennen. Volgens Zwagerman was het helemaal geen sleutelroman, al had hij wel het taalgebruik van deze kunstenaars als bouwstof voor de roman benut. Later zou Rob Scholte pas echt een boekje over de scene opendoen, toen hij het slachtoffer van een aanslag was geworden. “Daarbij vergeleken is Gimmick! een vrolijk deeltje uit de Kameoleonserie,” zegt Zwagerman.
Gimmick is de naam van de discotheek waar het ‘witte neuzen nachtleven’ van deze generatie kunstenaars zich in turbotempo afspeelt. Model voor die discotheek stonden de inmiddels verdwenen Roxy op Singel 465/467 en Richter in de Reguliersdwarsstraat 42. “Richter was een van de discotheken die ik veel bezocht, vers gearriveerd in Amsterdam als jonge padvinder uit de provincie,” zegt Zwagerman. “Het drugsgebruik in het boek is gebaseerd op de Richter, niet de Roxy. Er werd overmatig gehandeld in cocaïne, destijds yuppiedrug nummer één, reden voor de burgemeester om medio jaren negentig de zaak dicht te timmeren. Coke vergroot je zelfbeeld. Ik zal eens even de wereld veroveren.” De personages in de roman gedragen zich daar ook naar. Personage Eckhardt: “Wij zijn nog meer bourgeois dan de directeur van het Stedelijk. De directeur is de proleet en wij zijn de zakenmensen.” Deze exponenten van de generatie Nix maken kunst die geen boodschap meer bevat. Zij houden in het Stedelijk Museum een groepsexpositie onder de ironische titel The Amsterdam Dream. De naam is een schot in de roos: “Kunstenaars worden popsterren en geldschieters.” Bij gebrek aan onderwerpen om voor te vechten zoeken kinderen van de jaren zestig extremen op, heeft Zwagerman eens gezegd. Hij gebruikte dit doorgeschoten Amsterdamse kunstklimaat als achtergrond voor een liefdesdrama. Hoofdpersoon Walter Raam wordt gesloopt door heftig liefdesverdriet voor Sammie. De wanhoop brengt hem uiteindelijk op de rand van de afgrond, al zijn succes en seksuele uitspattingen ten spijt.
De liefde die aan destructie grenzende proporties kan aannemen, keert terug in Vals licht. Hier gebruikt Zwagerman de Amsterdamse prostitutie als vergrootglas voor verlatingsangst in een verhaal dat draait om Simon Prins, een teruggetrokken student, die verliefd wordt op het hoertje Lizzie Rosenfeld. De opzet voor het verhaal lag al klaar, toen Zwagerman eind jaren tachtig in de Van Ostadestraat in de Pijp woonde – een liefdesrelatie blijkt onmogelijk omdat een van de partners lijdt aan pseudologica fantastica: liegen en zelf geloven wat je liegt. “Dat heb ik zelf meegemaakt,” zegt Zwagerman. “Iemand liegt het eigen leven aan gruzelementen en maakt neurotici van de mensen om zich heen.” Hij woonde vier jaar in de Pijp, toen hij ineens dacht: “Ik loop dagelijks door het decor van een roman.” Via zijn uitgeverij de Arbeiderspers sloot hij contracten af met twee vrouwen die er als prostituee werkten. Zij vertelden hem allerlei feitelijkheden, maar hun identiteit zou Zwagerman geheim houden. Dagelijkse dingen die zij onbelangrijk achtten, maar die nodig waren om het decor levensecht te tekenen. “Hoe ziet die ruimte eruit achter die peeskamertjes, met hoevelen delen ze die keukentjes? Dat weet geen mens.”
Tijdens een wandeling van de Ruysdaelkade naar de Albert Cuyp bezoekt Simon een koffiehuis in de Gerard Doustraat. Daar ziet hij Lizzie voor het eerst. Haar bleke gezicht brengt hem acuut in vervoering. “Op een zaterdagmiddag ontmoette hij haar opnieuw, in de Reguliersbreestraat waar ze met vier grote plastic tassen langs Tuschinski zeulde en de Hema binnenging.” Na hun eerste ontmoeting in haar werkdomein aan de Ruysdaelkade ontkiemt hun relatie. Die speelt zich grotendeels af tussen Simons huis in de Pijp en haar zeegroene studentenkamer in de Sarphatistraat. “Dit rare, bakvisachtige onderkomen is op een bijna stereotiepe manier in tegenspraak met haar peeskamertje aan de Ruysdaelkade,” denkt Simon.
Lizzie dist de ene leugen na de andere op: ze wordt gevolgd door haar ex-man en heroïnedealers die oude rekeningen willen vereffenen. Daardoor bewegen beiden zich als opgejaagd wild door de stad. Voor Simon komt een einde aan alle onrust als hun liefde spaak loopt en hij tijdelijk in onderhuur gaat op het Realeneiland. “Hoewel meer en meer ontsierd door bonkige nieuwbouw vormden Bickers-, Prinsen- en Realeneiland een pittoreske wijk van gerenoveerde pakhuizen en bijna dorpse klinkerstraatjes, moeilijk te bereiken voor autoverkeer en goeddeels gevrijwaard van winkels en horeca.” In deze dorpse enclave kunnen zijn wonden helen. Simon realiseert zich dat de zeegroene onderwateretage van Lizzie “besmet gebied was, een infectiehaard van herinneringen”.

Ballentent aan het Spui
Na Gimmick! en Vals licht wilde Zwagerman een andere visie op de stad laten zien. Hoofdpersoon Otto Vallei uit Chaos en rumoer (1997) beweegt zich ‘als een soort wezel door Amsterdam’. Hij voelt zich alleen thuis in zijn woonwijk Buitenveldert, “zijn gekoesterde niemandsland. Achter de verzameling van blauw- en zilverspiegelende kantoorgebouwen stonden de bakstenen woningen met Hollandse strengheid in het gelid.” Otto is een schrijver met een writer’s block en kan geen aansluiting vinden bij het culturele klimaat van OSM’ers, Ons Soort Mensen, “de blitse, bijdehante binnenstadbewoners en de verwaten arrivés in Zuid”. Een alibi om zich in culturele kringen te bewegen doet zich echter voor als Otto radiopresentator kan worden van het programma Chaos en rumoer, opgenomen in het restaurant van het Stedelijk Museum, omgedoopt tot Museum Amsterdam.
Als nieuwbakken mediaman dient Otto aanwezig te zijn bij de prijsuitreiking van de Eurobank-Literatuurprijs in hotel Pantheon op het Rokin. “Een pleisterplaats voor vermogende toeristen; geen Amsterdammer zou er ooit een voet zetten.” Zwagerman mixte hiervoor de buitenkant van het Amstel Hotel aan het Professor Tulpplein met het interieur van Hotel The Grand op de Oudezijds Voorburgwal. Dat kende hij goed omdat hij in 1992 met Vals licht was genomineerd voor de AKO-Literatuurprijs, waarvan de prijsuitreiking aldaar plaatsvond. In hotel Pantheon zet Otto zichzelf voor de camera’s voor schut door schreeuwend af te geven op zijn gehate genomineerde collega Ed Waterland. Deze heeft niet alleen zijn vrouw, maar ook zijn romanidee gejat, denkt Otto, die zich in Waterlands boek meent te herkennen. Otto vlucht uit het hotel en belandt op het Spui. Hij denkt veilig te zijn in ‘café Ruyters’ – een samenvoeging van Hoppe en De Zwart – aan de kop van de Spuistraat. Tot zijn ontsteltenis is dat echter juist de locatie waar Ed Waterland door een cameraploeg wordt gefilmd, terwijl een meute hem als winnaar van de Eurobankprijs komt feliciteren.
In deze satirisch getoonzette roman speelt de tegenstelling tussen de hectische binnenstad en de dorpse rust van een buitenwijk als Buitenveldert een centrale rol. De personages Otto Vallei en Ed Waterland belichamen deze uitersten. Otto komt altijd pas tot zichzelf als hij het viaduct van de ringweg is gepasseerd. Maar soms reiken de tentakels van de binnenstad tot hier. “Hij was nog niet tot rust gekomen of er werd een krater in Buitenveldert geslagen. Op het fietspad langs een on-Amsterdamse sloot kwam hem een fietser tegemoet aan wie op grote afstand was te zien dat hij hier niet woonde, niet wilde wonen en misschien zelfs helemaal niet wilde zíjn. Hier naderde een fietsende dissonant. Een OSM’er. Hier naderde de grachtengordel, het straatrumoer, het postmodernisme. Op die fiets zat Ed Waterland.”
In Chaos en rumoer zegt Otto’s uitgever Arnoud Zegel, voor wie Zwagermans uitgever bij de Arbeiderspers Theo Sontrop model stond: “Niet de wegopbrekingen of de hondenpoep, maar de cultuurhysterie is het virus dat vreet aan de fundamenten van de grote steden.” Inmiddels heeft Sontrop gekozen voor een quarantaine op Vlieland. Zwagerman heeft in Chaos en rumoer ‘met sardonisch plezier’ korte metten gemaakt met het culturele klimaat in Amsterdam. Zijn visie op de strekking van het boek is gespeend van mildheid: “Er bestaan nogal wat vooroordelen over het snobisme en de bekrompenheid van de culturele elite uit de grachtengordel. En wat blijkt: die vooroordelen zijn allemaal waar! Dàt is de kwintessens van Chaos en rumoer.”
Met een knipoog zet Zwagerman een jaar later zijn collega-schrijvers te kakken in het verhaal ‘White Palace’ uit de verhalenbundel Het jongensmeisje (1998). Een geldbeluste pooier en pornoboer wordt onverwacht eigenaar van café De Zwart op het Spui. Diens vriendin Margootje heeft zich namelijk voor 7,5 ton “deze drankbak in de maag laten splitsen”. De patjepeeër krijgt het aan de stok met “de schrijverds” op wie hij neerkijkt. Het zijn immers “armoedzaaiers wier jaarinkomen lager ligt dan dat van de gemiddelde bijstandskip”. De tegenstellingen escaleren in een vechtpartij. De nieuwe eigenaar wil de schrijverds eruit hebben om deze “ballentent aan het Spui” te verbouwen tot een “White Palace” met iedere vrijdagavond kinky parties en drugs. Zwagerman, nog steeds zichtbaar in zijn sas: “Het is een hilarisch verhaal omdat ik de gemiddelde LPF’er liet belanden in café De Zwart. Wat gebeurt er dan?”

Hufterige omgangsvormen
In Zes sterren (2002) schiet dezelfde weerzin tegen het omhooggevallen culturele klimaat in de hoofdstad wortel in Oom Siem, hoofdredacteur van Goedemorgen, een gratis blad met hotelrecensies dat drijft op de inkomsten van adverterende hoteliers uit het hele land. “In Amsterdam runt de firma Arrogantie en Snobisme de tent,” vindt oom Siem. Hij walgt van de stad, maar vestigt er wel zijn tijdschrift om serieus genomen te worden. Zijn neef Justus komt bij hem in dienst, nadat hij is afgewezen voor de Rietveld Academie. Voor hem koopt hij een appartement op de Groenburgwal. “Dat maakt op de adverteerders een wereldse indruk.” Zelf wil oom Siem in Amsterdam nog niet dood gevonden worden. Dat gebeurt uiteindelijk in zijn eigen huis in Alkmaar waar hij door zelfmoord zijn einde vindt. Na Siems dood brengt Justus een themanummer uit over Amsterdam. Hij noemt Amsterdam daarin een werelddorp wanneer hij in een opzettelijk kneuterig jargon het nachtleven aanprijst. “U zult zich vergapen aan het excentrieke publiek in de trendy maar tevens knusse Reguliersdwarsstraat.”
Het mag een opmerkelijke ommezwaai worden genoemd. Zwagerman heeft zelf immers goede tijden beleefd tussen de culturele elite van Amsterdam. Halverwege de jaren negentig trof een vriendenclub van schrijvers, journalisten en essayisten elkaar regelmatig in schrijverscafé De Zwart. “Van daaruit trok de karavaan stadinwaarts,” vertelt hij. “De Zwart en Schiller op het Rembrandtplein waren door een streng aan elkaar verbonden. Dat waren wij. De harde kern, zeg maar Adri van der Heijden, André Klukhuhn en ik, gebruikte restaurant Tartufo op Singel 449 als tussenstop.”
Als veertiger zit Zwagerman in een andere levensfase. Zijn Amsterdamse jaren heeft hij gevoelsmatig achter zich gelaten. Hij fietst voornamelijk op en neer tussen zijn huis in Oud-Zuid en zijn werkkamer in de Pijp. De hoofdstad ervaart hij als een dorp in vergelijking met veel wereldsteden. “Amsterdam is een soort Efteling, een verkneuterd geheel, niet voor niets Venetië van het Noorden genoemd. Wat anderen zo pittoresk aan Amsterdam noemen, vind ik toch wel heel erg bouwpakketachtig,” schampert Zwagerman die zowel opleeft in provinciesteden als Deventer en Groningen, als in Europese hoofdsteden als Londen en Parijs. Overal eigenlijk, als het maar niet Amsterdam is. “De Amsterdamse binnenstad heeft het uiterlijk van een dorp, maar er heersen de hufterige omgangsvormen van een bananenrepubliek in Latijns-Amerika.”
Zeker na de moord op Theo van Gogh is voor hem het laatste restje aardigheid om in Amsterdam te wonen er inmiddels wel af. Hij heeft het zogenaamd ludieke en relaxte Amsterdam door de jaren heen zien veranderen in een dictatuur die door ‘straatklootzakken’ wordt geregeerd. Voorlopig houden privé-omstandigheden hem hier. Maar hij begrijpt nu waarom bewonderde collega’s als Gerrit Komrij, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans destijds uit Amsterdam zijn vertrokken. “Reve koesterde een gezonde weerzin tegen de op lucht gebaseerde zelfingenomenheid van veel Amsterdammers. Ik begin hem steeds beter te begrijpen.”

E. Potters is historica en publiciste.

Mei 2005

Powered by JReviews