Hier gebeurde het... Blaeustraat, 22 februari 1672 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 17, 2011    
5704   0   0   0   0   0

Uitslaande brand bij kaartenmaker Blaeu

Een felle brand legde op 22 februari 1672 in enkele uren de drukkerij van de wereldberoemde cartografische uitgeverij van Joan Blaeu, gelegen achter de Nieuwe Kerk, in de as. De bluswerkzaamheden werden bemoeilijkt door de vrieskou, waardoor brandspuiten bevroren, en door omwonenden die de blussers voor de voeten liepen om, beladen met huisraad, door de nauwe steegjes tussen de (nog niet gedempte) Nieuwezijds Voorburgwal en de drukkerij een veilig heenkomen te zoeken.

Joan Blaeu was 75 jaar toen deze catastrofe zich voltrok, en zijn roem als cartograaf, drukker, uitgever en boekhandelaar was ongeëvenaard. Zijn vader Willem Jansz. Blaeu (1571-1638), die in de leer was geweest bij de Deense astronoom Tycho Brahe, had het bedrijf opgezet en vermaard gemaakt. Aanvankelijk maakte hij alleen globes, maar al snel vervaardigde hij ook landkaarten, waarin hij alle nieuwtjes van ontdekkingsreizigers verwerkte. Willem Blaeu was ook een slim zakenman, die het verbod op handel met de katholieke (Zuid-Europese) wereld omzeilde door als pseudoniem de naam van zijn Keulse agent te gebruiken. Bovendien gaf hij ook literair werk uit, zoals dat van Vondel. Hij had een goed lopende boekhandel op het Damrak (nu nummer 46), met als gevelsteen 'de Vergulde Sonnewijser' (hoek Mandemakerssteeg, die in zijn tijd ook wel het Blaeusteegje werd genoemd). Zoon Joan zette de zaak vervolgens met evenveel enthousiasme en succes voort, eerst nog met zijn broer Cornelis die echter al jong stierf. In 1637 was de drukkerij al wegens ruimtegebrek verplaatst naar de Bloemgracht (nu nummer 76, hoek Tweede Leliedwarsstraat), en in 1666 had Joan er nog een bedrijfsruimte bijgekocht. En het is dat pand, dat uitbrandde.

Dit enorme complex ten noorden van de Gravenstraat kwam leeg te staan toen de Latijnse school verhuisde naar het vrijgekomen Aalmoezeniersweeshuis op het Singel; de wezen waren namelijk juist verhuisd naar nieuwbouw op de Prinsengracht (later verbouwd tot Gerechtshof). Op de vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz van Berkenrode uit 1625 is de school duidelijk te herkennen als een langwerpig gebouw aan een steegje tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Nieuwendijk. Vanuit de Gravenstraat kon je de school via een zijsteegje zien liggen. Toen Blaeu zich hier vestigde, ging dat steegje de Blaeustraat heten, en dat is zo gebleven. Aan het eind ervan stond een door Hendrick de Keyser gebouwd poortje met de voor leerlingen opwekkende tekst ‘disciplina vitae scipio’ (tucht is de staf des levens). Een deel van de poort is later overigens in kopie geplaatst in de ingang van het Barleus Gymnasium.

Chaos en bevroren bluswater

Ooggetuige van de voor Blaeu zo rampzalige brand was de schilder/uitvinder Jan van der Heyden (1637-1712). Zijn verslag is te lezen in het in 1690 verschenen boek, waarin hij een door hem sterk verbeterde variant op de brandspuit presenteerde en dat zo overtuigend deed dat zijn vinding in heel Europa werd overgenomen. Van der Heyden beschreef in zijn boek ook een groot aantal branden in Amsterdam. Sinds 1657 werden die bestreden met een brandspuit, die was uitgevonden door Hans Hautsch uit Neurenberg. De traditionele leren emmertjes konden daar niet tegen op, zodat de stad in 1672 al 60 van die spuiten had. Maar ideaal was de Hautsch-spuit niet, en bij de brand in de Blaeu-drukkerij bleek waarom. Hij werkte namelijk alleen als hij dicht bij de vuurhaard stond, zodat je hem in smalle steegjes nauwelijks kon gebruiken. Bovendien gaf hij geen ononderbroken straal, zodat bij strenge vorst het water in de slangen bevroor. “Terwijl dus de eene spuit voor en de andere na bevroor, verzwaarde de brand niet weinig (...) en maakte groote verleegentheit en vluchting onder de buuren; elk trachte zyne goederen te bergen, maar de straaten waaren zo bezet van spuiten, ladders en ander zwaare gereedschappen, dats’ er niet als met groote moeite en confusie, ten deele door, ten deele overheen, konden geraaken. Dat hielp voort alles in verwarring, de ryen volk die ’t water overgaven, overhoop, d’emmers onder de voet, en ’t volk van de spuiten af: tot datze alle bevroren en onbruikbaar geworden zynde, men geheellyk van ’t blussen af zach.” Een jaar later zou met succes de eerste brand met een Van der Heyden-spuit worden bestreden. Omdat de uitvinder – hij zou ook nog aan de wieg staan van de straatlantaarn - ook een statistiek bijhield van de brandschade, om te kunnen concluderen dat zijn spuit geld opleverde, weten we hoeveel schade Blaeu heeft geleden. Dat was ƒ 355.000, want behalve het pand en de drukpersen was ook bijna de hele oplage van de net gedrukte Spaanse versie van zijn beroemd geworden Atlas Major (negen delen) inclusief de koperplaten verloren gegaan. De schade van de buren werd geschat op ƒ 27.000. Voor dat laatste bedrag was toen al een fiks grachtenpand te koop, zodat het in huidige geldwaarde een miljoenenstrop was.

Holbrood

De reeds bejaarde Joan Blaeu heeft zijn drukkerij niet meer op deze plek uit haar as laten verrijzen. Na zijn overlijden, krap twee jaar later, zetten zijn twee zoons – met weinig succes – de zaak nog tot het eind van de eeuw voort. Hun moeder liet een deel van de vrijgekomen grond bebouwen met huurhuizen, zodat dat deel van het steegje tussen Nieuwezijds Voorburgwal en de bebouwing van de Nieuwendijk dat vanouds ’t Hol heette, nu Blaeu-erf wordt genoemd. Een zijsteeg naar de St. Nicolaasstraat draagt nog steeds de naam ’t Hol. En het stukje naar de Nieuwezijds, dat in de tijd van de Latijnse school (gedurende 75 jaar) Schoolstraatje werd genoemd, werd later Zwarte Handsteeg gedoopt. Waar de drukkerij stond, bouwde stadsbouwmeester Daniël Stalpaert in 1675 voor de Diaconie een bakkerij, die tot na de Tweede Wereldoorlog charitatief ‘Holbrood’ heeft geproduceerd. Daarna heeft de bakkersvakschool er gezeten en nog later een handschoenenfabriek.

Het buurtje, dat ernstig verloederd was door verkrotting en leegstand, is begin jaren tachtig gered door Stadsherstel. Die restaureerde en reconstrueerde het deel bij de Nieuwezijds Voorburgwal en de St. Nicolaasstraat. Dat was de opmaat om ook het andere deel op te knappen. Tussen de St. Nicolaasstraat en het Blaeu-erf ligt nu nog een stukje grond braak, waar ooit een fabriekspand stond waarin het hele jonge dagblad De Telegraaf werd gedrukt.

De brand in 1672 heeft nadrukkelijk zijn sporen nagelaten. Het maakte een einde aan de bloeitijd van de firma Blaeu. De wereldfaam van Amsterdam als boekenstad begon daarna ook te verbleken, zodat deze brand symbolisch ook als omslagpunt gezien kan worden. Het buurtje draagt nog in twee straatnamen de sporen van de aanwezigheid van de beroemde drukker/uitgever, zij het dat het Blaeu-erf en de Blaeustraat alleen toegankelijk zijn voor bewoners. In 1974 dreigde een uitslaande brand in de St. Nicolaasstraat dit oude stukje binnenstad wederom te verwoesten, maar de schade viel deze keer mee – mede dankzij de vondst van Jan van der Heyden.

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman

Oktober-November 2002

Powered by JReviews