Een moderne ‘spinazie-academie’ Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juni 03, 2011    
8214   0   0   0   0   0

Dossiers

De Nieuwe Huishoudschool, 1904-1970

11122003_Nieuwe_HuishoudschoolOp de Gabriël Metsustraat 8-10 staat het gebouw dat behoorde aan de Nieuwe Huishoudschool. In de ‘Gabriël met jus’, zoals de trambestuurders omriepen, werden van 1907 tot 1970 duizenden meisjes opgeleid tot huisvrouwen en dienstboden. Daarmee diende de opleiding, in eigen woorden, “groote oeconomische, hygiënische en ethische belangen”.

Hoeveel grappen zullen er niet gemaakt zijn over het huishoudonderwijs? Gelet op de weerstand die de ‘spinazie-academie’ door de jaren heen heeft ondervonden, zullen het er ontelbaar veel zijn geweest. Ook vandaag de dag is een glimlach niet te onderdrukken als men het archief in duikt op zoek naar bronnen over de huishoudscholen in Nederland. Toch is dit nu de bloeitijd van de huishoudschool achter ons ligt, meer een glimlach van vertedering. Om de prachtige, oprechte ernst waarmee basale zaken als koken, wassen en strijken rationalistisch en zonder enige vorm van ironie over het voetlicht werden gebracht. Maar ook om onderwijskundige ideeën die het niet gehaald hebben, zoals het fröbelonderwijs, of over verdwenen vaardigheden als het knippen van ondergoed. Maar bovenal om wat je vergund is aan inkijkjes in het leven van de meisjes om wie het onderwijs uiteindelijk draaide.

In de literatuur en de archieven valt de hoeveelheid verzuchtingen op dat men het niet cadeau kreeg, dat huishoudonderwijs. Het beste werd dat onder woorden gebracht door mevrouw M.E. Leliman-Bosch, die in 1933 het boek De geschiedenis van het huishoudonderwijs in Nederland het licht liet zien. Het is een triomfantelijk boek over de eerste vijftig jaar huishoudonderwijs, waarin de overwinnende partij het slagveld overziet en één voor één de in het stof vertrapte vaandels nog eens ophoudt. Eerst was er bijvoorbeeld ‘de oude traditie’ waartegen de huishoudscholen vochten, die vasthield aan een praktijk waarin vrouwen gewoon thuis, door moeder of zus, werden ingewijd in het huishouden. Deze vijand werd al snel afgelost door socialisten en feministen. Hen was het een doorn in het oog dat het huishoudonderwijs zich in tijden van veranderende sekseverhoudingen richtte op de traditionele huisarbeid van de vrouw. Eén voor één werden tegenstanders echter uitgeschakeld, in een strijd die doortastend, trots maar ook vol eigenzinnige humor werd gevoerd, zoals onderstaand recept tegen betweters duidelijk maakt:

“Gebruik drie flinke ongeluksprofeten, hak ze goed fijn, zodat ze niets meer hebben in te brengen. Voeg hierbij drie algemeen bekende zwartkijkers plus een handjevol mislukkelingen. Kook al deze bestanddelen gaar in een aftreksel van geboren pessimisten, vermeng de saus met een kleine hoeveelheid dooddoeners en geef het hele gerecht aan de hond om op te eten; dan zijn we daar ook weer van af.”

Toch dient ook de huishoudbeweging, ondanks de behoudende toon en de gerichtheid op de aanrechten van Nederland, te worden ingedeeld bij de emancipatoire bewegingen die eind 19de eeuw op gang kwamen. De strijd voor meer vrouwenrechten en een grotere mate van persoonlijke ontplooiing was ook de strijd van de vrouwen uit de huishoudschoolbeweging. “Verbeterde inzichten en werkwijzen,” schreef Leliman-Bosch in 1933, “hebben de gezinstaak vergemakkelijkt, zoodat de vrouwen, desgewenscht, meer tijd dan vroeger voor de opvoeding en het medeleven met de kinderen, voor geestelijke ontwikkeling, voor liefhebberijen naar eigen keuze, overhouden.” Toch was er weinig enthousiasme onder feministen, die volgens mevrouw Leliman-Bosch de waarde van “de echt vrouwelijke neiging tot toewijding en steun” miskenden en de “evolutie in huishoudelijke opvattingen” wantrouwden. De feministische zusters werd aangerekend dat zij weinig realistisch waren over de verhoudingen tussen man en vrouw, en over de vrouwelijke natuur: het grootste deel van de vrouwen bleef ondanks de voortschrijdende emancipatie huisvrouw, moeder of gezinshulp, en dit deel voelde zich “toch stellig niet minder gelukkig dan hare zusters, die een andere weg inslaan”?

Huishoudbudgetten en voedingsleer

In Amsterdam begon de huishoudschoolbeweging in de jaren tachtig van de 19de eeuw vorm te krijgen. Maatschappelijke discussies richtten zich in die tijd op tal van kwesties die aan de thuisomgeving raakten. De arbeidersbeweging maakte zich druk over de ‘sociale quaestie’, een term die de brede lading dekte aan belabberde toestanden waarin arbeiders zich bevonden: slechte woningen, slecht eten, zwaar en vuil werk, met zedelijk verval tot gevolg. De middenklasse merkte dat de sociale questie ook hun huishouden, en luidde de noodklok wegens het gebrek aan nette dienstmeisjes. De medische wetenschap kwam met vernieuwende inzichten in het belang van persoonlijke hygiëne en goede voeding; economen rekenden voor hoe de staatseconomie kon profiteren van efficiëntie in het beheer van huishoudbudgetten, enzovoort. Alles tezamen genomen was het bedenken van een huishoudschool, waar op systematische wijze gewerkt werd aan het disciplineren en verlichten van huishoudsters, slechts een kwestie van tijd.

De vonk die in Amsterdam de eerste huishoudschool tot gevolg had, was een tentoonstelling van voedingsmiddelen in 1887, waar Jeltje de Bosch Kemper en Hendrina Scholten-Commelin onder de indruk raakten van een op Duitse en Engelse ideeën geschoeide kookdemonstratie. Met een klein huishoudbudget was het toch mogelijk voedzame en smakelijke maaltijden te serveren, als men de nieuwste wetenschappelijke inzichten in de voedingsleer maar kende. De doelmatige rationalisering van zoiets basaals als koken maakte diepe indruk op de dames, die na enkele jaren werken en lobbyen een blauwdruk klaar hadden liggen voor de eerste huishoudschool in Nederland. Deze school, De Amsterdamsche Huishoudschool, opende op 1 september 1891 zijn deuren. Eerst op Prinsengracht 293, later aan het Zandpad langs het Vondelpark werden cursussen aangeboden die meisjes op moesten leiden tot efficiënte en verantwoordelijke huishoudsters, dienstbodes en onderwijzeressen in het huishoudonderwijs. Het concept was een succes; ook in andere grote steden verrezen huishoudscholen en al in 1898 besloten de huishoudscholen van Den Haag, Rotterdam en Amsterdam tot een gemeenschappelijke examennorm.

Omdat volgens de reglementen alleen de bestuursleden van de scholen zeggenschap hadden en de leraressen meer invloed op de gang van zaken wilden, richtten zij in 1900 de Bond van Leraaressen bij het Huishoudonderwijs op. Die Bond, en het toenemende zelfbewustzijn van vrouwen in het huishoudonderwijs die deze symboliseerde, drukte uiteindelijk een groot stempel op de geschiedenis van het huishoudonderwijs in Nederland. De onderwijzeressen lieten zich geen poot uitdraaien, zeker niet toen het ‘concept’ huishoudschool zich steeds verder verspreidde doordat bijvoorbeeld de Haagse ‘kookschool’, diverse ‘stadsarmenscholen’ en ‘naai- en breischolen’ op het platteland het idee van een huishoudschool overnamen. Zo had de landelijke Bond van Onderwijzers voor leraressen op lagere scholen een minimum jaarsalaris weten te bedingen van ƒ 750. Leraressen in Amsterdam ontvingen in het beste geval ƒ 500, maar doorgaans minder. Dus werd het bestuur van de Amsterdamse Huishoudschool gevraagd om een salarisverhoging. Tegelijk werd aangedrongen op verdere modernisering van het onderwijs op basis van de nieuwste huishoudkundige inzichten. Tevergeefs: het bestuur ging niet mee in de eisen. Het gevolg hiervan laat zich het beste vertellen met dit citaat uit de jubileumkrant van de Nieuwe Huishoudschool uit 1954: “Het meerendeel van de leraaressen met aan het hoofd de toenmalige directrice, Mejuffrouw Meyboom, waren zich volkomen bewust van de opdracht die de Tijdgeest hen gaf. Zij namen met elkaar ontslag en kwamen in mei 1904 tot de oprichting van de Nieuwe Huishoudschool, met de hulp van vrienden en bekenden o.a. ouders van leerlingen. Een kapitaal op aandelen werd bijeengebracht en van september 1904 af werd in de Jan Luykenstraat 90 en 92 voorlopig onderdak voor de school gevonden.”

‘Het knippen van ondergoed’

De Nieuwe Huishoudschool maakte als spin-off van de Amsterdamsche Huishoudschool een vliegende start. Niet alleen vertrokken op twee na alle leraressen naar de nieuwe school, ook een deel van het leerlingenbestand verhuisde mee, net als een deel van de administratie. Om in de financiën te voorzien was de school ondergebracht in de N.V. Nieuwe Huishoudschool, waarop aandeelhouders konden intekenen. Dat de coup, want zo kunnen we de breuk toch wel noemen, succesvol is blijkt uit het eerste jaarverslag: na een jaar konden aandeelhouders een dividend van ƒ 23 per aandeel van ƒ 500 tegemoet zien; 50% van de ‘overwinst’ werd als ‘winstaandeel’ uitgekeerd aan de leraressen. Een andere indicatie voor het succes zijn de gegevens uit de leerlingenadministratie. Werd het jaar begonnen met 200 leerlingen, aan het eind van het jaar waren dat er 438. De leerlingen die slaagden voor de verschillende examens, zoals die voor de ‘cursus voor dienstboden’ of de cursus ‘koken, strijken en knippen van ondergoed’, werden allen ‘geplaatst’, dat wil zeggen zij vonden emplooi als dienstmeisje.

In de jaren die volgden werd het succes uitgebreid: er kwamen meer cursussen, meer leerlingen en er werden meer meisjes geplaatst in huishoudens. Het meest in het oog springende feit was echter de bouw van een eigen schoolgebouw in de Gabriël Metsustraat in 1907, waarvoor de architect Willem Leliman werd aangetrokken. In nauw overleg met de toenmalige directrice, mejuffrouw Bosch (later, inderdaad, mevrouw Leliman-Bosch van De geschiedenis van het huishoudonderwijs), werd even achter het Museumplein een ‘doelmatig huis’ ontworpen waarin gemak en een intieme sfeer werden gecombineerd. Naast een serie klaslokalen voor lessen in wassen, koken en strijken waren er woonverblijven voor de inwonende directrice, enkele leraressen en - per schooljaar - twintig meisjes die te ver van school woonden om op en neer te reizen. Vanuit dit gebouw groeide de opleiding verder; in de jaren twintig telde een opleidingsprospectus acht voltijds opleidingen, zoals een ‘cursus tot opleiding voor onderwijs in koken en voedingsleer’, en maar liefst 28 afzonderlijke cursussen, zoals ‘het bereiden van vegetarische spijzen’, ‘wasschen van flanel, jaeger, wol, vitrage, kant enz.’ Dat die cursussen ook werden bezocht staat buiten kijf: het aantal leerlingen blijft tot 1940 groeien naar rond de duizend leerlingen per jaar. De meisjes, die uit heel Amsterdam en omliggende plaatsjes kwamen, waren meestal afkomstig uit de middenklasse en de beter gesitueerde arbeidersgezinnen. In de administratie van nieuwe scholieren staat vaak het beroep van vader of moeder aangeduid: naast typische middenstanders als koffiehuishouders, zadelmakers, rijksambtenaren, politieagenten en onderwijzers zijn er arbeiders als dokwerkers, stukadoors en een enkele ‘schacheraar’ vermeld. Ook is aangetekend waar de meisjes terecht kwamen als zij hun diploma hadden ontvangen. De meeste meisjes kregen direct uit school een aanstelling als ‘tweede of derde meisje’ in een burgerhuishouden, de leerlingen die voor lerares in het huishoudonderwijs hadden doorgeleerd vonden vaak emplooi in zorginstellingen. Elizabeth Maria Boeser werd in 1923 bijvoorbeeld adjunct-directrice van de in de Eerste Wereldoorlog in het leven geroepen Centrale Keuken in Amsterdam (de overkoepeling van de gemeentelijke gaarkeukens); Lina Nanninga was lange tijd hoofd van de huishouding in het ziekenhuis van Dordrecht, maar die had op een schaal van nul tot vijf dan ook alleen maar vijven voor vlijt.

Blijven over de twee meest voorkomende aantekeningen. Bij de meisjes die de opleiding niet afmaakten staat vaak de aantekening “getrouwd en naar Indië vertrokken”. Maar de meest voorkomende aantekening is toch nog iets mooier. De Nieuwe Huishoudschool, die na een gedwongen sluiting in de oorlog zou blijven bestaan tot hij in 1970 in de Hogeschool van Amsterdam werd opgenomen, geeft met die aantekening onbewust aan hoe dicht zij bij haar idealen is gebleven. Mw. Leliman-Bosch beschrijft in haar boek dat het bevorderen van gezondheid, opvoeding, welvaart en geluk “voor een groot deel in handen van vrouwen ligt”, en dat dit verantwoordelijke werk “niet overgelaten moest worden aan haar die niet voldoende onderlegd zijn, en die de beteekenis van haar taak niet voldoende begrijpen”. De aantekening bij het examen van Antoinette Getrude Hasselman, en bij vele anderen, zal haar met trots vervuld hebben: “Naar huis gegaan om het geleerde in praktijk te brengen.”

Tekst: Arjan Terpstra

November-December 2003

A. Terpstra is historicus.

Powered by JReviews