Hier gebeurde het... Westerkerk, 27 juli 1704 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 20, 2011    
3546   0   0   0   0   0

Weeskinderen slachtoffer van instorting Met donderend geweld stortte tijdens de middagdienst van zondag 27 juli 1704 om kwart voor twee een gewelf van de Westerkerk in. Dominee Jacobus Streso had net het gebed beëindigd en wilde aan de bijbellezing beginnen toen “een groot gekraack” werd gehoord. “En in het selven ogenblik zag men aen de oostzijde van de kerk ten noorden regt boven de galderij daar de Aelmoessenierskinderen zitte, een gedeelte van de eerste boog instorten, en binten, plancke, puyn en stof van blauwen leyen op een gedeelte van de galderij met een seer groote forsse [kracht] nedervallen.”

Bij de ramp in de Westerkerk kwamen zes kinderen uit het Aalmoeziersweeshuis om het leven, liefst 44 raakten gewond. De regenten van het weeshuis beschreven de gebeurtenissen van die dag in het notulenboek van het tehuis. Het is een aangrijpend ooggetuigenverslag. In de kerk brak paniek uit. Mensen “drongen elkanderen over de stoelen onder de voet” om maar zo snel mogelijk naar buiten te komen. De weesjongens op de galerij die niet gewond waren verdrongen zich voor het hek waarmee die afgesloten was. Sommige jongens sprongen naar beneden en raakten alsnog gewond. Door het gedrang kon het hek niet geopend worden, totdat iemand die het hoofd koel had weten te houden op het idee kwam om het hek van buitenaf te openen. De dominee bleef als versteend op zijn preekstoel staan en ook de hoogst aanwezige magistraat, burgemeester François de Vroede bleef gechoqueerd staan toekijken. Die laatste was eerder hoofdschout geweest, zeg maar hoofdcommissaris van politie, zodat diens gebrek aan daadkracht wel opvallend was. In actie kwamen wel de drie begeleiders van de weeskinderen, die met behulp van vrijwilligers de gewonden naar buiten brachten. Mr. Lodewijk Mierinck en dr. Hubertus Krieck, twee regenten van het weeshuis die toevallig ook in de kerk aanwezig waren, hadden inmiddels chirurgijns laten halen. Een op de Westermarkt wonende chirurgijn, Jan Kemp, was direct eerste hulp gaan bieden. De regenten stuurden ook mensen naar het weeshuis op de Prinsengracht bij de Leidsestraat (nu gerechtsgebouw), om daar op de ziekenafdeling alles in gereedheid te laten brengen. En ze lieten op advies van de gealarmeerde vaste dokter van het huis, dr. J. Gaubius, brandewijn en bier aanrukken. Het zal geholpen hebben tegen de shock en om het naar binnen gekregen gruis weg te spoelen. Presiderend burgemeester Nicolaas Witsen zegde alle steun toe.

Het was “erbarmelijk te sien” hoe de jongens eraan toe waren die naar het weeshuis werden vervoerd – drie jongens die al dood waren en anderen met de dood op de lippen. Sommigen waren “so bebloed aen het Hooft en aangesigt” dat ze niet herkenbaar waren. Twee van hen stierven nog dezelfde dag. Een dramatisch slot van die dag was dat schoolmeester Joost van den Bergh bij het naar bed gaan van de kinderen ontdekte dat de 16-jarige Christoffel Verpoorten ontbrak. Zijn bange voorgevoelens werden de volgende dag bewaarheid toen deze verpletterd onder het puin werd aangetroffen, zijn psalmboekje nog in de hand geklemd.

Een indrukwekkende rouwstout

De gewonden werden ’s maandags bezocht door de vrouw van burgemeester De Vroede en zij deelde namens de burgemeesters mee dat de beste chirurgijns gehaald moesten worden en dat het de kinderen aan niets mocht ontbreken. Op de begrafenis van de overleden weeskinderen, die al dinsdagsmiddags was, liet het stadsbestuur het echter afweten. Maar de stoet was indrukwekkend genoeg, met honderden weeskinderen, gestoken in hun blauw-zwart tenues met op de linkermouw een biesje met de stadskleuren wit, rood en zwart. Ook het weeshuispersoneel ging die dag in het zwart gekleed. Er was op weg naar het Leidsekerkhof, dat ongeveer lag waar nu de voormalige Hogere Economische School staat aan het Raamplein, zoveel volk op de been dat er geen doorkomen aan was.

Erg in aanzien stond het Aalmoezeniersweeshuis niet; het was het sociale vangnet voor de kinderen die niet in aanmerking kwamen voor de andere weeshuizen die de stad en de verschillende kerkgenootschappen erop nahielden. De kinderen waren er opgenomen omdat ze de ouderlijke zorg om wat voor reden dan ook moesten ontberen. Van de getroffenen bij deze ramp was 54% wees geworden, van 36% zat de moeder zonder inkomen omdat de vader op zee voer, in Oost-Indië zat of vermist was. Er waren zes onechte kinderen bij en één vondeling. Voor dit soort kinderen was het gebouw aan de Prinsengracht in 1666 neergezet. Het heeft dienst gedaan tot 1825.

Hoe het afliep met de gewonden is vastgelegd in de administratie van het weeshuis. De meesten gingen aan de slag bij een baas. Zes gingen als soldaat naar Oost-Indië. Liefst negen jongens liepen weg en eentje werd wegens wangedrag het huis uitgezet. Maar drie van hen overleden binnen een paar jaar na het ongeluk, en zij zijn waarschijnlijk die dag nooit te boven gekomen. Dirk van Claveren, die anderhalf jaar later stierf, had bijvoorbeeld gangreen “van de knie tot de toone”.

‘De moordenaar’

Hoe had die ramp nu eigenlijk kunnen plaatsvinden? De door Hendrick de Keyser ontworpen Westerkerk stond er pas 63 jaar toen het gebeurde. Waarschijnlijk is een verzakking van de toren – gereedgekomen in 1638 – de oorzaak van de ellende geweest. Het Stadsfabrieksambt – de voorloper van Publieke Werken – liet na de ramp vele trekhaken aanbrengen om de toren in model te houden. Toen de Westerkerk in 1981 350 jaar bestond, schreef het blad van die Dienst dat er altijd problemen met de Westertoren zijn geweest en dat hij ook kromgetrokken is: hij leunt tegen de kerk en het onderste stenen deel wijkt naar het noorden en het houten bovenste deel de andere kant op. En daarom was het gewelf aan de noordkant bij het orgel ingestort. Onjuist, want daar heeft nooit een galerij gestaan. In het jaar dat het orgel gereed kwam, 1687, was ertegenover een galerij voor weeskinderen gebouwd. Die is midden 18de eeuw vergroot door een zijvleugel, vermeldt stadshistoricus Jan Wagenaar. Deze vleugel is in 1946 om esthetische redenen gesloopt, tot genoegen van de (kerkelijke) gemeente, die deze galerij nog steeds “de moordenaar” noemde vanwege de ramp met de weeskinderen. Dat schreef dr. C.P. Gunning in 1957 in gek genoeg één van de weinige geschriften over deze kerk, een brochure van 30 pagina’s. De bron voor het rampverhaal bleef Wagenaar en een journalist die in 1847 het notulenboek had ingezien.

De rampzalige gebeurtenis was ruim een halve eeuw geleden dus nog niet vergeten, al wist men de juiste plek niet meer. Die was boven de galerij die er nog steeds staat, in de hoek waaronder nu de sopranen staan bij cantatediensten.

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman

Oktober 2003

Powered by JReviews