De vaste route van Eli Asser Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 20, 2011    
4763   0   0   0   0   0

"Die politieagent heeft mijn leven gered"

Hij was het ‘knapste jongetje van de klas’. Dus mocht de 11-jarige Eli Asser (1922) toelatingsexamen doen voor het Barlaeusgymnasium – en met succes. Thuis in de Jodenbreestraat 55 vonden ze het maar bijzonder: zijn vader was ten slotte een hardwerkende, maar arme standwerker. Dagelijks wandelde de latere (tekst)schrijver van onder meer ’t Schaep met de vijf poten vanuit het ouderlijk huis naar de Weteringschans en weer terug. Veelal met zijn hoofd in de wolken, dromend van zijn Eefje.

Voor de ingang van het stadhuis, uitkijkend over het Waterlooplein, bekruipt hem de weemoed. “Dit was het getto. Een joods wereldje van marktkooplieden en kleine winkeliers, dat goed samenging met de niet-joden van bijvoorbeeld de Nieuwmarkt. Een vruchtbare manier van leven. Straatarm, maar héél levendig en blijmoedig. En met veel grappen.” Asser werd er geboren; in de ‘weggevaagde’ Joden Houttuinen, waar de bewoners ‘echt op elkaar gepropt zaten’. Rond zijn vijfde verhuisde het gezin naar de ‘feestelijke’ Jodenbreestraat. “Die was voor de iets beter gesitueerden.”

Ook dat laatste ouderlijk huis, schuin tegenover het Rembrandthuis en de Mozes en Aäronkerk, heeft plaats gemaakt voor nieuwbouw. “Het was een jeugd in de crisisperiode, toen de armoe echt losbarstte. Mijn vader ging ’s ochtends al heel vroeg de deur uit, met grote pakken koopwaar op zijn rug en borst. Dan stapte hij op lijn 8 die toen nog door de Jodenbreestraat reed en ’s ochtends altijd vol zat met standwerkers uit de buurt. Soms had ‘ie een slechte dag en kwam hij ’s avonds met dezelfde bepakking weer thuis. Maar het gebeurde ook dat hij helemaal los was. Een zwaar leven. Maar het waren goede jaren. En toen kwam Hitler aan de macht.”

Razzia in de Jodenbuurt

Asser herinnert zich nog goed hoe NSB-colporteurs even verderop op het Rembrandtplein leuzen scandeerden als ‘De doodsklok luidt over het Nederlandse jodendom’. “Toch dachten wij nog dat het wel los zou lopen.” Maar op zondag 9 februari 1941 trok een groep vernielzuchtige NSB’ers door de Jodenbuurt. “Het was afgelopen met het goede gedrag en wij hadden zoiets van: laat maar komen.” De Jodenhoek bereidde zich voor op een nieuwe aanval – die kwam op 11 februari.

“Ik liep naar de Blauwbrug en zag opeens een grote groep WA-mannen op me af komen rennen. Ik draaide me om en rende met ze mee, zodat ik niet zou opvallen. Op het Waterlooplein ontstond een enorme knokpartij en ik stond daar middenin.” Voor de Mozes en Aäronkerk zag Asser Hendrik Koot ‘leegbloeden’. De WA’er overleed een paar dagen later aan zijn verwondingen. “En dat gaf de Duitsers natuurlijk een stok om ons mee te slaan.” Op 22 februari vond de eerste razzia in de Jodenbuurt plaats.

We staan op de hoek van de Amstelstraat en de Blauwbrug – de brug waar Asser ‘niets gebeuren kan’. “Het was een uur of half vijf. Ik kwam terug uit school en de brug was afgezet door een haag van Duitsers met geladen geweer. De hele buurt was afgesloten.” Vreselijk verliefd – en dus afwezig – als hij was, drong de situatie nauwelijks tot hem door. “Hier op de hoek stond een Amsterdamse agent die zag dat ik recht op die brug afliep. Hij begon mij plotseling af te blaffen: ‘Opgesodemieterd,’ schreeuwde hij en schopte me terug de Amstelstraat in. Die man heeft mijn leven gered.” De joodse jongens en mannen die die dag op het Jonas Daniël Meijerplein bijeen zijn gedreven, werden naar Buchenwald gedeporteerd.

Het gevoel dat hij tekort is geschoten ‘ten opzichte van de wereld die weg is’ heeft Asser later flink dwarsgezeten. “Ook ten opzichte van mijn ouders. Een gruwelijk gevoel. Op het Barlaeus ging ik met heel andere mensen om, kwam ik in de dure, chique huizen in Oud-Zuid. Ik leefde in twee verschillende werelden.” Bovendien was Asser ‘erg bezig’ met Eefje Croiset, een leerlinge van de Industrieschool voor de Vrouwelijke Jeugd – naast het Barlaeus en zo is het gekomen – met wie hij een leven lang samen zou blijven. Onlangs is ze overleden.

Consternatie!

Via de Utrechtsestraat naderen we het Frederiksplein, waar Asser, op weg naar school, zijn vrienden Rémy en Sylvain ontmoette. De drie ‘armoedzaaiers’ zorgden bij het literaire gezelschap van het Barlaeus voor een ware revolutie. “Op zaterdagavonden lazen we altijd bij een leerling thuis voor uit eigen werk. Bij ons thuis, twee hoog achter, kon dat natuurlijk niet. Dat begrepen ze wel. Maar wij hadden ook geen geld voor het voorgeschreven donkerblauwe pak.” Dus togen de drie vrienden op hoop van zegen in hun nette bruine kloffie – zonder lange broek, met ‘drollenvanger’ – naar de eerste bijeenkomst. “Consternatie! Maar na overleg hebben ze de statuten aangepast.”

Rémy en Sylvain overleefden de oorlog niet. De laatste schreef nog wel een kaartje vanuit Westerbork: ‘Beroep: landverhuizer. Volgende adres: Polen’. “Dat is humor. Maar wel macaber.”

We passeren het Kronkelpaadje. Het Weteringplantsoen (“ons plantsoentje”) bleek een heel geschikt parkje voor jong verliefden. Elie en Eefje ‘kronkelden’ er heel wat af – maar alles in het nette. Want hoewel ze al lang kennis aan elkaar hadden, was het even wachten op de eerste echte kus. Die mocht pas in de nacht van 5 op 6 oktober 1940 op het stoepje voor Weteringstraat nummer 4; Eefjes ouderlijk huis. “We hebben een kwartier staan wachten, tot de klok twaalf sloeg.” Het was Eefjes achttiende verjaardag.

Het ‘heiligdom der heiligdommen’ komt in zicht; het Barlaeus staat in de steigers, samen met de oude school van Eefje. Asser deed in juni 1941 nog net op het nippertje eindexamen en wist, samen met zijn lief, uit handen van de Duitsers te blijven. Uit de voormalige Industrieschool komt een bouwvakker gelopen. Desgevraagd antwoordt deze dat de twee scholen worden samengevoegd tot één. Asser is er even stil van. “Wonderbaarlijk.”

Tekst: Marcella van der Weg

Mei 2003

Elie Asser maakte onder meer naam als auteur van de populaire televisieseries ’t Schaep met de 5 Pooten en Citroentje met suiker. Onlangs werd ’t Schaep weer van stal gehaald en bewerkt tot theatervoorstelling. Recentelijk schreef hij in nauwe samenwerking met zijn vrouw Rembrandt was mijn buurman en Wie maakt me los, beide ontleend aan persoonlijke oorlogservaringen.

Powered by JReviews