Hoe Amsterdam na 1578 een wereldstad werd Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 06, 2011    
6527   0   0   0   0   0

Deel 2 van nieuwe stadsgeschiedenis

“Het wonder van Amsterdam, zo mag je het best noemen, deze periode 1578-1650,” zegt prof.dr. Maarten Prak, hoogleraar Geschiedenis in Utrecht en prominent lid van het redactieteam van de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam. Dat is het ambitieuze vierdelige vervolg op de achtdelige stadsgeschiedenis die de Amsterdamse professor Hajo Brugmans in de jaren dertig in zijn eentje schreef. Dit nieuwe project is teamwerk en dat kan eigenlijk ook niet meer anders. (Zie Ons Amsterdam van april en mei jl). Het boek dat in november verschijnt is overigens nog maar de helft van deel 2, dat als totaal de hele periode 1578-1813 bestrijkt. Om praktische redenen stelde uitgeverij SUN de verschijning van deel 2-II (1650-1813) uit tot maart 2005. Maar beide banden van deel 2 zijn wel als een eenheid opgezet. In deze eerste helft staan bijvoorbeeld al thematische hoofdstukken over stedenbouw en religie die doorlopen tot 1813.

In deel 1 (Een stad uit het niets) werd de middeleeuwse geschiedenis van de stad besproken. Sinds ongeveer 1200 ontwikkelde Amsterdam zich van wat terpjes langs de Amstelmonding (nu de Nieuwendijk), bewoond door wat ambachtslui en vissers, tot een serieuze handelsstad, die zich in 1578 aansloot bij de opstand van andere Hollandse steden tegen de landsheer, koning Filips II van Spanje. “Maar in 1578 was Amsterdam nog altijd niet veel meer dan een grote provinciestad,” aldus Prak. “Het was nog niet bepaald een moment waarop je grote verwachtingen van de toekomst mocht koesteren. Al had men hier van de Tachtigjarige Oorlog weinig last meer. In de Noordelijke Nederlanden was de strijd al beslecht. Het economisch wonder was voor een belangrijk deel ook de dánken aan het oorlogsverloop. In 1585 namen de Spanjaarden Antwerpen in, en daarmee werd Amsterdams grootste concurrent uitgeschakeld. Vele ondernemende Zuid-Nederlanders kwamen daarna de Amsterdamse economie versterken; ze hadden ook grote culturele invloed. In 1650 was Amsterdam een wereldstad. Dat het nog steeds internationaal een begrip is, is helemaal te danken aan deze periode. En, okay, aan Johan Cruijff.”

“Die roem en welvaart was ook te danken aan de soepele opstelling van het stadsbestuur, vooral in geloofskwesties. Aanhangers van andere geloven dan het calvinisme werd weinig in de weg gelegd. Amsterdam was daarin echt uitzonderlijk. Dat joden zonder veel belemmeringen het burgerrecht konden verwerven, was in bijvoorbeeld Utrecht ondenkbaar. Die tolerantie was geen ideologische zaak, het was puur pragmatisme. De handel mocht niet gehinderd worden. En ze gingen ook slim om met het immigrantenvraagstuk. Nieuwkomers werden allereerst aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor zichzelf en hun groepsgenoten. Maar voor wie het niet (meteen) redden, wás er een sociaal vangnet. Die steun was echter wel weer kariger dan voor de ‘echte Amsterdammers’. Daarmee werd veel autochtoon gemor voorkomen. Ja, ik weet dat sommigen dat zelfde recept ook nu willen toepassen. Maar dat kan natuurlijk niet zomaar. Het gelijkheidsideaal van de Franse Revolutie van 1789 laat zich niet meer wegpoetsen. Nieuwe tijden vragen nieuwe oplossingen!”



Voorpublicatie: Rembrandts Amsterdam was immigrantenstad

Geboren Amsterdammers ook toen een minderheid

Tekst: Erika Kuijpers en Maarten Prak

102004_Voorpublicatie_GvAMet Elsje Christiaens zou het slecht aflopen. Op haar achttiende vertrok ze uit haar geboorteplaats in Jutland, Denemarken en op 16 april 1664 stapte ze in Amsterdam aan wal in de hoop zo snel mogelijk een baantje te vinden. Ze nam haar intrek bij een slaapvrouw in de buurt van de haven. Na twee weken wilde die wel eens geld zien. Maar Elsje had nog geen werk gevonden. De volgende ochtend vroeg zij het meisje opnieuw om de huur. Nog steeds kon Elsje niet betalen. Er ontstond een woordenwisseling, waarbij de slaapvrouw Elsje met een bezem te lijf ging. Elsje verloor haar zelfbeheersing en nam de bijl die op een stoel voor het grijpen lag… Voor de dood van haar slaapvrouw moest Elsje Christiaens met haar eigen leven boeten. Op 1 mei bracht de scherprechter haar ter dood. Samen met een bijl werd haar stoffelijk overschot vervolgens tentoongesteld op de Volewijk, het galgenveld op de noordoever van het IJ, om daar door “de locht ende ’t gevogelte verteert te worden”. Zo tekende Rembrandt haar.

Amsterdam was in het midden van de 17de eeuw het toonbeeld van een multiculturele samenleving. De stad groeide vooral dankzij de massale immigratie. Dat dit voor moeilijkheden kon zorgen, maakt het voorbeeld van Elsje Christiaens duidelijk. Mensen stonden wantrouwig tegenover de vreemde gewoonten van immigranten en de immigranten op hun beurt vonden de Hollanders maar vreemde snuiters; ‘botteriken’ was het meest gehoorde verwijt. Toch slaagden oude en nieuwe Amsterdammers erin naast en met elkaar te leven.

Via de akten van ondertrouw kennen we de herkomst van de mensen die in Amsterdam huwden. Alleen al uit Denemarken, Elsjes geboorteland, gingen tussen 1626 en 1650 489 mannen en 338 vrouwen in Amsterdam in ondertrouw. In totaal gingen in het tweede kwart van de 17de eeuw 3835 Scandinaviërs een eerste huwelijk aan in Amsterdam. Samen vormden zij 15% van de buitenlanders die in deze periode in Amsterdam trouwden. Alle buitenlanders samen vormden toen op hun beurt weer ruim een derde van alle huwenden in Amsterdam.

Tussen 1575 en 1675 bleven de huwenden van buiten Amsterdam in de meerderheid. En in de eerste helft van de 17de eeuw waren die niet-Amsterdammers vooral buitenlanders. Daarbij moeten we dan nog bedenken dat een groot deel van de ‘geboren Amsterdammers’ in feite tweede- en derde-generatie-immigranten waren. Het is dus niet overdreven om te beweren dat Amsterdam in de 17de eeuw een stad van immigranten was, een stad waarin de geboren Amsterdammers een minderheid vormden.

Zuiderlingen, Duitsers, Scandinaviërs

Binnen de Republiek was de belangrijkste toeleverancier van nieuwe immigranten Noord-Holland, waar steeds een vijfde tot een kwart van de Nederlandse immigranten in Amsterdam vandaan kwam. Aan het eind van de 17de eeuw werd Zuid-Holland het belangrijkste herkomstgebied van nieuwe Amsterdammers. Andere belangrijke herkomstgebieden waren Overijssel gedurende de gehele eeuw, Friesland in de eerste helft daarvan en Gelderland juist na 1650.

Vanuit het buitenland kwam de toestroom in verschillende golven. Rond 1600 was de Zuid-Nederlandse immigratie het belangrijkst. Meer dan de helft van de ‘buitenlanders’ die trouwden kwam daar toen vandaan. Al betrekkelijk vroeg in de 17de eeuw werd Noord-Duitsland het belangrijkste herkomstgebied. De Scandinavische immigratie kwam nog weer later op gang. Kort na 1600 kwam 4% van de buitenlanders hiervandaan, later in de eeuw vijf keer zo veel. Het Duitse Rijk was in het eerste kwart van de eeuw al het geboorteland van 62% van de in Amsterdam huwende buitenlanders en in de tweede helft stabiliseerde het Duitse aandeel zich op 54%. Behalve op deze zeer grote groepen oefende Amsterdam ook aantrekkingskracht uit op migranten uit Frankrijk, Engeland en Schotland en talrijke andere Europese landen.

Een opvallende plaats onder de immigranten namen de joden in. Ook zij arriveerden in verschillende golven. Eind 16de eeuw vestigden zich de eerste Spaanse en Portugees-joodse families (of sefardim) in Amsterdam, vanaf omstreeks 1630 begonnen joodse families uit Midden- en Oost-Europa te arriveren (de asjkenazim). Tot de eerste groep behoorde onder anderen de uit Porto afkomstige Duarte Fernandes. Hij staat op 28 november 1598 voor het eerst in een Amsterdamse akte vermeld. Fernandes, wiens joodse naam Josuah Habilho was, moet toen bijna 60 jaar oud zijn geweest. Dat belette hem niet om in Amsterdam een bloeiende handelsfirma op te zetten. Met een van zijn zoons verzond hij graan, maar ook hout, teer en hennep naar Portugal en vandaar importeerde hij suiker en zout. Hij gebruikte Hollandse schepen en assuradeurs, maar handelde zelden met Hollandse kooplieden. Wel behoorde hij tot de eersten die in 1609 een rekening openden bij de Wisselbank. In zijn huis vond de oprichtingsvergadering plaats van de Santa Companhia de Dotar Orphas e Donazellas, een liefdadige vereniging die geldelijke steun verleende aan joodse wezen en bruidjes op het Iberisch schiereiland. Duarte Fernandes was dus een geslaagd man toen hij in 1620 naar Hamburg vertrok, waar hij waarschijnlijk ook is overleden.

Zelfs als ze niet zo succesvol waren als Duarte Fernandes, konden heel wat immigranten een behoorlijk bestaan opbouwen in Amsterdam. Willem Verbeeck bijvoorbeeld kwam uit de Zuidelijke Nederlanden, waar hij in 1582 of 1583 was geboren. Omstreeks 1600 arriveerde hij via Keulen in Amsterdam. Verbeeck was geen geloofsvluchteling. Hij was katholiek en had van de inquisitie in het Zuiden dus niets te vrezen. Het is daarom het waarschijnlijkst dat hij zich aangetrokken voelde door de economische vooruitzichten. Verbeeck begon als bontwerker een winkel in de Papenbrugsteeg. Volgens zijn zoon Hermanus, die later een autobiografie zou schrijven, waren er ten tijde van Willems komst naar Amsterdam niet meer dan een handvol bontwerkers in de stad werkzaam. In 1609 trouwde Willem Verbeeck met Adelbertha Keilert uit Overijssel, ook een immigrante dus. Te oordelen naar de welstand en opvoeding van Willems kinderen kan het niet slecht zijn gegaan met de bontwinkel. De 17de eeuw was een periode van strenge kou, die niet voor niets bekendstaat als de Kleine IJstijd. Warme kleding was een noodzaak en wie het zich kon veroorloven, droeg daarom bont.

Elsje Christiaens, Duarte Fernandes en Willem Verbeeck kunnen niet zomaar naast elkaar worden geplaatst als drie vertegenwoordigers van de migranten in 17de-eeuws Amsterdam. De Portugese joden waren klein in aantal en over het algemeen al welgesteld toen zij in Amsterdam aankwamen. Zuid-Nederlanders, zoals Willem Verbeeck, behoorden vaak tot de middenklasse; zij hadden een opleiding genoten en waren niet zelden in het bezit van enig kapitaal voordat zij huis en haard verlieten. Zij spraken de taal van hun nieuwe vaderland, dat in feite trouwens ook hun oude vaderland was; dat de scheiding tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden definitief zou worden, was omstreeks 1600 nog geen uitgemaakte zaak. En heel belangrijk was ook dat net op het moment dat zij arriveerden, de Amsterdamse economie aan een torenhoge vlucht begon, waaraan de nieuwkomers een bijdrage leverden, maar waarvan zij ook konden meeprofiteren.

Hoe anders was de situatie voor veel Duitse en Scandinavische immigranten! De Duitsers en Scandinaviërs waren veruit de grootste groep. Ze kwamen weliswaar uit gebieden die al langer contacten onderhielden met Holland en spraken soms een taal die veel op het Hollands leek, maar voor hen was de Republiek beslist buitenland. Ze vertrokken vaak noodgedwongen van huis, met niet veel meer dan de kleren die ze aanhadden. In Amsterdam aangekomen moesten ze ontdekken dat de beste baantjes al waren vergeven. Voor hen restte het werk dat bij de geboren Amsterdammers niet zo populair meer was: aanmonsteren op de vloot naar Indië, laden en lossen in de haven, werken als dienstmeisje of knecht, in onaanzienlijke beroepen met weinig vooruitzichten.

Afgaande op de ondertrouwregisters werden sommige beroepen in Amsterdam geheel gedomineerd door immigranten. Van de schoenmakers, de losse arbeiders en de droogscheerders (lakenbereiders) die in de 17de eeuw in Amsterdam in ondertrouw gingen, was meer dan 80% afkomstig van buiten Amsterdam. Onder de bakkers, de kleermakers en de opperlieden liep dit zelfs op tot 90%. In veel andere beroepen bedroeg hun aandeel de helft of meer.

Niet creperen maar ook niet klaplopen

Voorzover er van een vreemdelingenbeleid kan worden gesproken, bestond dit in de eerste helft van de 17de eeuw voornamelijk uit een poging het systeem te behoeden voor uitputting. De gevestigden waren zich bewust van het economische belang van immigratie. Het ging Amsterdam voor de wind als nooit tevoren in de periode dat de stad een favoriete migratiebestemming werd. Er was nauwelijks een familie in de stad die niet direct of indirect banden had met migranten. Veel migranten brachten waardevolle kennis en contacten mee, waar de Amsterdamse economie van profiteerde. Nog grotere aantallen, vooral jonge mannen en vrouwen, brachten de meest productieve periode van hun leven in de stad door en deden het werk waarvoor de gevestigde Amsterdammers geen belangstelling hadden, omdat het slecht betaald werd en op de lange termijn weinig bestaanszekerheid bood. Die mensen waren welkom. Ook waren de autoriteiten van Amsterdam begaan met het lot van vluchtelingen. Zij vonden het een christenplicht om zulke mensen op te nemen, al was het maar tijdelijk. Maar de problemen door de enorme toestroom van mensen waren duidelijk. Onder de immigranten bevonden zich ook mensen met een bedenkelijk verleden of slechte vooruitzichten, mensen die de Amsterdammers nadeel zouden berokkenen omdat ze zich misdroegen of omdat ze aanspraak maakten op voorzieningen die de autochtonen betaalden. Deze risico’s lokten een getrapte reactie uit. De stedelijke regering bracht een vangnet aan, in de vorm van de aalmoezeniers. Niemand hoefde in Amsterdam te creperen in de 17de eeuw. Tegelijkertijd nam het stadsbestuur afschrikkingsmaatregelen, zoals de inrichting van het Rasphuis en het Spinhuis en de verordeningen tegen de bedelarij, om te laten merken dat Amsterdam voor paupers geen paradijs was. Migrantengemeenschappen werden aangemoedigd zelf de eerste nood te lenigen. Dat laatste was een slimme zet, want daardoor konden niet alleen de kosten voor een deel worden afgewenteld, maar kregen diezelfde gemeenschappen ook zelf een belang bij de regulering van de immigratie. Het doorzenden van armlastige nieuwkomers, zoals de Portugees-joodse gemeente deed, suggereert dat zo’n beleid in kleine en daardoor betrekkelijk overzichtelijke gemeenschappen effectief kon zijn. Maar bij de veel grotere lutherse kerk lijkt het nauwelijks te hebben gewerkt.

Een apart voorzieningenpakket schermde de belangen van de gevestigden af van de migratiestroom. De kwaliteit daarvan lag op een veel hoger peil. In het Burgerweeshuis ontvingen de kinderen een voedselpakket dat zowel gevarieerder als calorierijker was dan wat de kinderen in het Aalmoezeniersweeshuis kregen voorgezet. Zorgvuldig bewaakten de huiszittenmeesters en de regenten van het Burgerweeshuis de toegankelijkheid van hun voorzieningen. Op deze manier konden ook de gevestigden worden verzoend met de toeloop van immigranten.

Dankzij de immigratie veranderde het sociale landschap van Amsterdam fundamenteel van karakter. De stadsgemeenschap, die in 1578 nog bijeen werd gehouden door een gemeenschappelijke afkomst en activiteit, wellicht zelfs door het gevoel dat men elkaar kende, was in de eerste helft van de 17de eeuw uiteengevallen in een bonte verscheidenheid van klassen en standen, economische belangen en religieuze overtuigingen. Het wonderbaarlijke was dat al die groeperingen erin slaagden min of meer vreedzaam met elkaar om te gaan. Van ernstige botsingen is althans niets gebleken. Ongetwijfeld droegen de groei en de welvaart van de Amsterdamse economie daar veel aan bij. Zolang het voor iedereen beter ging, was er weinig reden om elkaar naar het leven te staan. In de tweede helft van de 17de eeuw werd die voorspoed minder vanzelfsprekend. Dat had natuurlijk ook gevolgen voor de manier waarop de gevestigden zich opstelden tegenover de buitenstaanders.

Dit artikel bestaat uit fragmenten uit het hoofdstuk ‘Gevestigden en buitenstaanders’, door Erika Kuijpers en Maarten Prak.

Oktober 2004

Powered by JReviews