Architect Norbert Gawronski Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 22, 2011    
5913   0   0   0   0   0

‘Mijn gebouwen zijn toch niet lelijk!’

032004_ArchitectBeeldbepalende gebouwen in Amsterdam zijn van hun hand. Zelf zijn ze soms vergeten. Een serie portretten van bouwmeesters die hun stempel op de stad hebben gedrukt.

In deze aflevering: Norbert Gawronski, architect van het grote gebaar. Hij tekende onder meer voor het universiteitscomplex in de Roetersstraat, het Wibauthuis en de elektriciteitscentrale aan de Hemweg. Hij is van de heldere lijn; voor gefrummel moet je niet bij hem zijn.

Om het Wibauthuis en de Hemwegcentrale te bouwen, moet je geen bescheiden persoon zijn, en dat is N.J.J. Gawronski (78) dan ook niet. ‘Architect in ruste’ is wel het laatste waaraan je denkt als je hem een Hollandse regenbui ziet trotseren. We hebben afgesproken in het enorme universiteitscomplex in de Roetersstraat, ironisch genoeg in het deel dat later door Pi de Bruin aan Gawronski’s onvoltooide magnum opus is toegevoegd.

Architectuurliefhebbers lopen niet bepaald weg met de creaties van de van origine Poolse architect. De gebouwen passen niet in Amsterdam, zijn te strak en vooral veel te groot. Wie is de man die Amsterdam heeft opgezadeld met deze kolossen?

Norbert Gawronski werd in 1925 geboren in het Poolse Nowa-Wies. In 1943 werd de 17-jarige door de Duitsers naar een werkkamp weggevoerd. Hij wist in het najaar van 1944 te ontvluchten, en sloot zich aan bij het vrije Poolse leger in Frankrijk. Dat nam deel aan de bevrijding van Nederland. Gawronski keerde er geregeld terug voor vakanties en trouwde in 1953 met een Nederlandse.

Maar eerst moesten er nog andere dingen gebeuren. Het hele Poolse leger werd naar Groot-Brittannië overgebracht. En zo kwam het dat Gawronski naderhand een studie begon aan de School of Architecture van het Polish University College in Londen. Hij studeerde in 1952 cum laude af op het ontwerp voor een schoenfabriek. “Ik was een groentje. Ik kon niets, maar ik heb het door hard werken wel gehaald.”

Onmiddellijk na zijn afstuderen kon de jeugdige Pool al aan de slag bij de London County Council, in een enorme organisatie met 700 bouwkundigen. “Ik heb woningen en flats gebouwd bij Hyde Park, en hele wijken bij Greenwich en noem maar op. Ik had al jong een prachtige carrière.”

‘Ik werkte als een bezetene’

De geboorte van zijn zoon Jerzy (de huidige stadsarcheoloog van Amsterdam) was aanleiding om te verkassen naar Nederland. “Ik was Pools, mijn vrouw was Nederlandse, en Jerzy zou dan Brits worden. We hadden daar geen familie, niets. Het leek ons beter om naar Nederland te gaan.”

Gewapend met een aanbevelingsbrief van de beroepsorganisatie BNA ging hij de boer op, om meteen een aantal aanbiedingen te krijgen. Hij koos voor Publieke Werken in Amsterdam. Met de pas aangetreden stadsbouwmeester Ben Merkelbach (1901-1961) klikte het en de nauwelijks 30-jarige Pool kreeg meteen een hete aardappel doorgeschoven: het Wibauthuis. Het moest een werkplek worden voor 2000 ambtenaren van Publieke Werken zelf. Jaren van voorbereidend werk waren er in gestoken, maar tot dan toe vergeefs. “Ik maakte een ontwerp met verticale kolommen in de gevels, een strakke, hedendaagse conceptie. En ik tekende en tekende, maakte perspectieven, ik werkte als een bezetene.” De oude garde zag het niet zonder enige afgunst aan. “Het Wibauthuis is mijn eerste werk in Nederland en echt, daar heb ik alles in gegeven wat ik in me had. Dat is zo helder, en zo eerlijk.”

“Een kantoorgebouw, dat was in 1963 iets héél anders dan tegenwoordig. Toen moest je met minimale middelen iets zien te bereiken. De kwaliteit die er nu ingegooid wordt, die was er in mijn tijd niet. Ik zocht een antwoord op een sociaal vraagstuk, dat maakte het voor mij boeiend. En het Wibauthuis is een bijzonder gebouw. Het is gemaakt in prefab-techniek. Dat moest omdat we de arbeidsmarkt voor woningbouw niet mochten belasten met de bouw van kantoren.”

Het Wibauthuis werd ook de werkplek van Gawronski zelf. Hij werkte er aan andere grote opdrachten, zoals het hoofdkantoor voor de Gemeentewaterleiding, het Floraparkbad en de Jeugdherberg Vondelpark. “Ik heb altijd graag voor grote organisaties gewerkt, want daar krijg je grote en ingewikkelde opdrachten.”

Dat gold zeker voor Gawronski’s omvangrijkste opdracht: de uitbreiding van de Universiteit van Amsterdam op het Roeterseiland. Het begon betrekkelijk overzichtelijk met een nieuw laboratorium. Maar de geboortegolf kwam eraan, en de welvaart groeide, en ineens had iedereen studerende kinderen. De universiteit barstte uit haar voegen. Kon de groeiende instelling wel in de binnenstad blijven?

“Iedereen wilde de universiteit de stad uit hebben, naar Purmerend of Amstelveen. Maar ik heb laten zien dat het ook op eigen terrein kon, als je maar naar tien verdiepingen zou gaan.” En zo werd het Roeterseilandcomplex vanzelf groter en groter. “Het was een enorme opdracht voor een jonge man. Ik was zó hard aan het werken: een plan, dan weer een plan, het ene gebouw na het andere, en dan weer een masterplan. Siegfried Nassuth (geestelijk vader van de hoogbouw in de Bijlmermeer – SP) zei: ‘geen gefrummel’. En toen heb ik de gracht overkluisd. Niet met een lullig bruggetje, maar functioneel, met een gebouw van tien verdiepingen.”

‘Nieuwe truttigheid’

De samenleving kon de voortvarendheid van de stadsontwikkelaars maar nauwelijks bijbenen, en de universiteit evenmin. Het jaren durende project roept bij Gawronski dan ook gemengde herinneringen wakker. “Ik moest in fasen bouwen, weet je wat dat betekent? Dat je heel erg beperkt wordt in je materiaalkeuze, omdat je anders verschillen krijgt. Dat je te maken krijgt met veranderende inzichten. En dat je nooit een geheel kunt presenteren. Met het bureau Bouw en Huisvesting van de universiteit viel haast niet te werken. Zo tegen 1973 was iedereen me aan het aanvallen, met klachten over het zogenaamde gebruik van modieuze materialen en zo. Het was een nare tijd.”

Het eind van het liedje was dat Gawronski zijn Roeterseilandcomplex niet heeft kunnen afbouwen. Aan de Universiteit van Amsterdam was de stemming omgeslagen in de richting die door Gawronski wel vriendelijk met “nieuwe truttigheid” wordt aangeduid. Een poging tot samenwerking met de nieuwe bouwheer van de universiteit was gedoemd tot mislukken, en uiteindelijk werd de inmiddels al lang niet meer bij de gemeente werkende Gawronski bedankt voor zijn inzet. Stedenbouwkundig ‘troubleshooter’ Pi de Bruin werd erbij gehaald om het complex te voltooien.

Over het geheel genomen is het toch trots die overheerst als hij zijn Roeterseilandcomplex beziet. “Dat het nog steeds zo goed functioneert, ook al is het zo vaak van functie veranderd, betekent dat ik een formule gevonden heb die goed werkt. Ik ben er trots op dat het complex er staat, en dat het werkt. De studenten studeren in Amsterdam, en niet ergens buiten de stad. Dat is wat ik heb bereikt met mijn bezetenheid en hard werken.”

Kan het zijn dat esthetiek in het oeuvre van Norbert Gawronski een minder belangrijke rol speelt dan in het werk van anderen?

Ai, dat had ik niet moeten zeggen.

In de ogen van de ‘architect in ruste’ begint een Oost-Europese storm op te steken. “Mijn gebouwen zijn toch niet lelijk?” briest hij. Om dan, snel weer de charme zelve, zijn credo te geven: “Architectuur is esthetica, constructie, en functionaliteit. Die zijn gelijkwaardig.”

Niet vriendelijk, wel vrolijk

In 1969 stapte de inmiddels tot Nederlander genaturaliseerde Gawronski over naar het Nijmeegse architectenbureau Haskoning. Gehecht aan zijn stad, riep hij aan de Amsterdamse Reguliersgracht een filiaal in het leven. Een grote verscheidenheid aan gebouwen vloeide uit zijn pen, variërend van vakantiewoningen tot rioolzuiveringsinstallaties. Het gemeentehuis in Rheden geldt als fraaiste. Een buitengewoon ‘sprekend’ gebouw van hem is de in 1981 opgeleverde Nederlandse ambassade in Jakarta. Hij ontwierp een aantal districtskantoren voor ABN-Amro, fabrieken, woningen, een jachthaven en de Den Uylbrug in Zaandam. In Amsterdam plaatste hij de Bank of Tokyo, tegenover de niet geringe concurrentie van de Hollandsche Bank Unie van De Bazel op de Vijzelgracht.

In 1990 ging Gawronski met pensioen. Het laatste gebouw dat hij in Amsterdam neerzette, is het Centraal Milieulaboratorium in Zuidoost.

Ook na zijn pensionering bleef Gawronski aan de slag, en niet zo’n beetje. “Dit zijn enorme en ingewikkelde projecten,” zegt hij terwijl de tekeningen op tafel komen van zijn elektriciteitscentrales aan de Hemweg en in Diemen. Hij werkte eraan van 1990 tot 1996. “Hier ben ik erg trots op. Elektriciteitscentrales zijn natuurlijk niet bepaald vriendelijke gebouwen. Maar hier, de Hemwegcentrale, kijk naar die subtiele lijnen, de kleuren die de bouwmassa verzachten, en de lichtval. Ik heb ook geprobeerd om zo veel mogelijk licht in de centrales te krijgen. Ik probeer de mensen een vrolijke omgeving te geven om in te werken.”


Tekst: Sjaak Priester

Maart 2004

Powered by JReviews