Steeds later eten Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 22, 2011    
6063   0   0   0   0   0

Dossiers

Schuivende maaltijdpatronen

11122005_Aan_tafelLaat eten is chic. Die vuistregel is niet uit de lucht komen vallen. Het is in West-Europa al eeuwen zo dat de rijken en de machtigen hun hoofdmaaltijd steeds later zijn gaan eten: later op de dag, en later dan het gewone volk, als teken van superieure zelfbeheersing. Van welvaart natuurlijk ook, want wie op royale voet leeft, heeft niet gauw last van honger.

Nu staat dagelijks in de krant dat de moderne mens onmiddellijke behoeftebevrediging verlangt, en een bloeiende, groeiende snack-cultuur vormt het bewijs. Maar als we het over maaltijden hebben, geldt de regel van het almaar later eten nog steeds. In de duurdere Amsterdamse restaurants zijn om zeven uur ’s avonds nog vele lege tafeltjes te vinden. Trendy gelegenheden zitten pas rond negen uur vol. En dat, terwijl tot voor kort de meeste Nederlanders toch om zes uur geacht werden aan tafel te zitten.

Hoe laat men eet, is een van de zichtbaarste verschillen tussen culturen, niet alleen naar regio, maar ook naar klasse. Het levensritme wordt erdoor bepaald, en juist op dit terrein zijn vaste gewoonten moeilijk te veranderen.

Een warm middagmaal

Ons huidige patroon van drie maaltijden per dag – ontbijt, lunch, avondeten, met tussendoor koffie en/of thee – stond begin vorige eeuw nog lang niet zo vast als nu. Op het platteland bijvoorbeeld, waar mensen bij het krieken van de dag opstonden en zwaar lichamelijk werk verrichtten, was het nog in 1930 niet ongewoon om twee, of zelfs drie keer te ontbijten. Maar arme Amsterdammers zullen toen zelfs aan drie maaltijden per dag niet altijd zijn toegekomen. Het belangrijkste verschil met nu is echter (al vanaf de Middeleeuwen) dat de meest uitgebreide maaltijd van de dag, met warme spijzen, aan het eind van de ochtend of het begin van de middag werd opgediend. Tot in de 20ste eeuw bleef de hoofdmaaltijd het “middagmaal” heten, een ouderwets geworden woord dat ons nu hoogstens aan een lunch doet denken. Sinds de Middeleeuwen is die warme “middagmaal” eigenlijk voortdurend opgeschoven. Omstreeks 1800 dineerde men aan het begin van de middag. Honderd jaar geleden was de gebruikelijke tijd vijf of zes uur geworden. Tenminste, bij de burgerij in de stad. Op het platteland werd de warme maaltijd nog steeds rond het middaguur gegeten, en dat gold ook voor de kleine middenstand in de stad. Kinderen kwamen om twaalf uur thuis van school om warm te eten, en kleine middenstanders, met werk aan of dicht bij huis, konden hetzelfde doen. Voor steeds meer arbeiders daarentegen veranderde dat snel, als gevolg van de industrialisatie en de stadsuitbreiding rond 1900. De afstand tussen huis en werk werd toen zo groot, dat vader rond enen niet zo maar even op en neer kon. “Zo geraakte het gebruik van een warm middagmaal in discrediet,” schreef wethouder De Miranda in 1921, een kwart eeuw terugblikkend. “De zakjes met brood verdreven in snel tempo het aangewende hulpmiddel van pannetjes en potjes, die naar fabriek of werkplaats gebracht werden en in den regel voor drievierde met aardappelen gevuld werden.”

Die verandering sloot aan bij wat in de betere kringen allang normaal was. In de hogere burgerij wist men niet beter of er werd tegen zes uur gegeten. We lezen het bij David Meldrum, een Engelsman die in 1911 een boek publiceerde over het leven van de Nederlanders, gebaseerd op reiservaringen van jaren daarvóór. Volgens hem “gaan overal in Holland (…) alle Nederlandse gezinnen tussen vijf en zes aan tafel, zelfs de baby, met juffie erbij, om samen de maaltijd te gebruiken.” De reiziger heeft kennelijk geen idee dat wat hij voor gewoon aanziet, vooral voor de stad en de plattelandselite geldt.

Opmerkelijk genoeg werd aan de particuliere Amsterdamsche Huishoudschool aan het Zandpad, waar meisjes uit de hogere burgerij werden opgeleid tot huishoudlerares, nog rond 1920 om half één warm gegeten. “Vroeg eten,” zo noemden de huishoudleraressen die gewoonte, die door hun standsgenoten als volks werd beschouwd. Zelf vonden zij het erg praktisch, en niet alleen omdat het bereiden van die maaltijd was opgenomen in het lesrooster van de leerlingen.

Mejuffrouw S.G.F. (Suze) Meyboom, de gerespecteerde directrice van de Nieuwe Huishoudschool (een afsplitsing van die aan het Zandpad) voerde zelfs een kleine campagne voor het vroege eten. In november 1919 schreef zij een artikel in het damesblad De vrouw en haar huis over “Vereenvoudiging van de huishouding”. Het thema was hoogst actueel, want het dienstbodentekort was groter dan ooit, en er dreigde zelfs een achturige werkdag voor dienstboden te komen, iets wat volgens sommige dames een beschaafd huiselijk leven geheel onmogelijk zou maken. Juffrouw Meyboom pleitte in haar artikel voor efficiëntie in de huishouding en herverdeling van taken (niet alleen onder dochters, maar ook onder vader en zonen!) – en voor vroeg eten. “Bij vroeg eten kan de dienstbode de groenten schoonmaken en de aardappelen schillen, de huisvrouw voor ’t eten zorgen en de dienstbode voor de slaapkamers.” (’s Middags hadden dames immers geen tijd meer voor koken; dan moesten ze klaar staan om visites af te leggen en te ontvangen.)

Nederland heeft de raad van Suze Meyboom in de wind geslagen: veruit de meeste Nederlanders eten nu ’s avonds warm. En dat terwijl eigenlijk nooit door iemand is bestreden dat warm eten tussen de middag praktisch is. Tot op de dag van vandaag krijgen de bewoners van de meeste ziekenhuizen, verzorgingshuizen en andere instellingen hun hoofdmaaltijd rond twaalf uur. Maar er wordt steeds meer over geklaagd, want het vroege eten staat in 2005 geheel haaks op wat iedereen gewend is.

Geen soupers meer

Als laat eten chic is, moet de chicste van alle maaltijden wel het souper zijn, een lichte, luxueuze maaltijd die pas om elf uur of nog later wordt genuttigd. Vreemd genoeg is het souper toch zo goed als uitgestorven. Wie doet het nog? Navraag bij Amsterdamse toprestaurants zoals De l’Europe en La Rive (in het Amstel Hotel) leert dat de keuken daar zo rond half elf, elf uur onverbiddelijk sluit. De maître d’hôtel voegt eraan toe dat er eigenlijk geen vraag is naar soupers. Overigens zijn er wel tientallen eenvoudiger Amsterdamse restaurants waar tot diep in de nacht gegeten kan worden. Maar daar wordt gewoon laat gegeten, niet gesoupeerd.

In de 19de en 20ste eeuw was souperen, zeker bij feestelijke gelegenheden, bij de elite in zwang. Bij een bal hoorde altijd een souper, zoals bijvoorbeeld wordt beschreven in School-idyllen van Top Naeff uit 1900 (“Wat eet je daar, op ’n souper?” vroeg Marietje. “Erwtensoep en bruine boonen,” spotte Lien.) Ook na concerten of andere voorstellingen werd gesoupeerd, en een souperavond bij uitstek was 31 december. Daarbij ging het niet om het eten van oliebollen en appelflappen, maar om een exquise maaltijd die aan tafel werd genuttigd, met bouillon, kreeft en andere delicatessen.

Dat het souper is uitgestorven, heeft natuurlijk te maken met het opschuiven van de warme avondmaaltijd zelf. Wie al vóór zes uur de hoofdmaaltijd eet (de table d’hôte in Hotel Neuf in de Kalverstraat werd in 1870 nog om vijf uur opgediend) krijgt in de loop van de avond toch weer trek. Dat verklaart ook een ander verdwenen maaltijdmoment: de avondboterham. Het standaard-kookboek Ik kan koken uit 1910 suggereert ter afsluiting van een avond-theevisite een “wandelende boterham”. Late boterhammen hoorden ook bij de rituelen van academische disputen, zoals het in 1946 opgerichte Amsterdamse Slavistengenootschap Beseda. Na de lezing en de discussie, zo tussen tien en elf, werden belegde boterhammetjes gepresenteerd, waarbij in de begintijd thee werd geschonken, en tegenwoordig wijn. Maar de boterhammetjes zijn gebleven, als dierbaar overblijfsel van een verouderd maaltijdpatroon.

Oude maal-tijden verdwijnen, nieuwe raken in zwang. Als de schrijfster van Ik kan koken het over theevisite had, bedoelde zij, ouderwets, nog de thee na het avondeten. Die stond in haar tijd op zeven uur. Maar in 1928 verscheen een modern kookboekje met de titel Ons theeuurtje, en dat ging duidelijk over de middagthee, overgewaaid uit Engeland, waarvoor ruimte was ontstaan doordat de avondmaaltijd naar zes uur was geschoven.

Zo zat er voortdurend beweging in het maaltijdpatroon, met als belangrijke drijvende kracht het opschuiven van de hoofdmaaltijd. Dat had zelf weer met status en mode te maken, motieven waarvan mensen zich meestal nauwelijks bewust zijn – behalve als zij verklaren, dat zij het nóóit zoals hun grootmoeder zouden willen doen, of als deze of gene rare types. Om zes uur eten, stel je voor!

Tekst: Ileen Montijn

November-December 2005

I. Montijn is journalist. Zij publiceerde onder meer Aan tafel! Vijftig jaar eten in Nederland (1991) en Leven op stand 1890-1940 (1998).

Literatuur

M.J. Biemond-Kam, Een halve eeuw op de A.H.S., typescript z.j.

H.M.S.J. De Holl (Ned. bew.), Ik kan koken, Geïllustreerd handboek, Leiden, 1910.

D.S. Meldrum, Home Life in Holland. Methuem & Co, 1911.

J. Jobsevan Putten, Eenvoudig maar voedzaam. Cultuurgeschiedenis van de dagelijkse maaltijd in Nederland, SUN, 1995.

Powered by JReviews