Hier gebeurde het… Cyprusweg, 10 augustus 1971 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     April 08, 2011    
4439   0   0   0   0   0

Milieuramp bij plasticfabriek Marbon

Op dinsdag 10 augustus 1971 werden de bewoners van Amsterdam-West om zeven minuten over half vier in de middag opgeschrikt door een explosie. Ze zagen een dikke, zwarte rookwolk opstijgen boven het terrein van de fabriek Marbon aan de Cyprusweg. De ramp kostte naar later bleek negen mensen het leven. De explosie was één van de eerste milieurampen in Nederland. Buurtbewoners, politici en ambtenaren werden zich met een schok bewust van het gevaar dat bepaalde bedrijven kunnen opleveren voor hun omgeving. Ook werd duidelijk dat de brandweer niet voorbereid was op dit soort rampen.

“Een felle steekvlam, die tot ver in de omtrek zichtbaar was, ging gepaard met een daverende knal, waardoor ruiten van andere kantoren en industrievestigingen in het havengebied aan scherven gingen. De meeste slachtoffers werden getroffen door vallend puin en rondvliegende glasscherven.” Dagblad de Volkskrant opende op 11 augustus 1971 met een kop over de hele breedte van de voorpagina. ”Op de ontploffing volgde een laaiende brand, die een zware, zwarte rook ontwikkelde. De rookwolken dreven langzaam – er stond een zwakke wind - in de richting van Zaandam.”

De krant stond uitgebreid stil bij geruchten dat er gevaarlijke gassen ontsnapt waren en citeerde de geschrokken Marbon-directeur A. Leigh in een eerste reactie: “Veiligheid staat bij ons voorop.”

Precies veertig minuten vóór de explosie werd alarm gegeven in de Jan van Schaffelaarkazerne, gevestigd op het gelijknamige plantsoen in West. Er was iets aan de hand bij Marbon en voor de brandweer was dat haast routine. De afgelopen jaren was de brandmelder aan de Cyprusweg vaker afgegaan en meestal ging het om lekkages, kleine brandjes of bescheiden explosies. Het kantoor- en fabriekspersoneel van Marbon stond al buiten de poort toen de brandweer om 15.03 uur voorreed. Inmiddels was telefonisch duidelijk geworden dat in het hart van het fabrieksterrein een gevaarlijke stof uit een chemische installatie aan het lekken was. Het ging om het uiterst explosieve butadieen, dat werd gebruikt bij de vervaardiging van latex (kunstrubber).

Over de vloer van de ‘latex-afdeling’ had zich een dikke laag borrelend schuim verspreid. Dat schuim was afkomstig uit ‘reactor 7’, één van de toestellen op de afdeling waarin door chemische reactie uit butadieen latex werd gemaakt. Het is achteraf niet meer vast te stellen hoe en door wie het besluit werd genomen, maar de aanwezige brandweermannen en veiligheidsmensen van Marbon begonnen het schuim weg te spuiten. De gedachte daar achter was om dóór het schuim heen een pad in de richting van de op dat moment onbereikbare reactor vrij te maken. Daarna zou geprobeerd worden het lek te repareren, maar zover kwam het nooit. Het spuiten was nog maar nauwelijks begonnen of de hele afdeling vloog de lucht in. In de hel die toen ontstond, kwamen ter plekke vijf brandweermannen en drie medewerkers van Marbon om het leven. Meer dan twintig gewonden werden afgevoerd naar ziekenhuizen in de omgeving en van hen zou er één aan zijn verwondingen bezwijken.

Een onverstandig besluit

Hoe kon dit gebeuren? De conclusies van een aantal onderzoeken naar de ramp werden in april 1972 samengevat in een rapport van de ‘Commissie adhoc inzake Marbon’ van de Amsterdamse gemeenteraad.

Het lek was waarschijnlijk ontstaan door nalatigheden bij een aanpassing van de reactor, die was uitgevoerd vóórdat deze in juni 1971 in gebruik werd gesteld. Toen was (uit veiligheidsoverwegingen!) een kijkglas in de reactor vervangen door een zogenaamde ‘blindflens’ (een stalen plaat). Bij de montage daarvan was echter een pakking beschadigd geraakt. Bij een routine-inspectie in augustus 1971 was overigens op dezelfde plek al een lek vastgesteld, waarop men de bevestigingsbouten had aangedraaid. Dat was achteraf gezien dus niet afdoende geweest. De explosie zelf was volgens het rapport het gevolg van het onverstandige besluit om het uit de reactor gelekte schuim weg te spuiten. Dat had het risico vergroot dat een mengsel van butadieen en lucht tot ontploffing kon komen.

Van Marbon was bekend dat er gewerkt werd met gevaarlijke stoffen. Er werden ‘ABS-plastics’ gemaakt: hard plastic in verschillende kleuren dat wordt gebruikt voor dashboards van auto’s, stofzuigers, kopieermachines en andere apparaten voor huishoudelijk- en kantoorgebruik.

ABS staat voor het zeer giftige A(crylnitril), het uiterst explosieve B(utadieen) en het giftige S(tyreen). Geen wonder dat vrijwel onmiddellijk na de explosie geruchten de ronde deden over gevaarlijke gifwolken boven de fabriek. Uit later gevoerde gesprekken met betrokkenen in een uitzending van het televisieprogramma Andere Tijden (28 december 2000) bleek zelfs dat ambulancepersoneel in eerste instantie weigerde gewonde brandweermannen naar het ziekenhuis af te voeren, omdat werd verondersteld dat ze bedekt waren met acrylnitril in poedervorm. In de omgeving van het Westelijk Havengebied was de paniek het grootst in Zaandam, waar de politie uitreed om de bevolking te waarschuwen voor gifwolken. Achteraf is vastgesteld dat het op dinsdagmiddag 10 augustus wat betreft gevaar voor de omwonenden heel erg meeviel: metingen die de Bescherming Bevolking (BB) nog dezelfde middag uitvoerde hadden eigenlijk geen ontoelaatbare toestanden aan het licht gebracht.

Een opmerkelijk toeval

Ondanks dit soort geruststellende geluiden zat de schrik er na 10 augustus 1971 goed in bij de omwonenden én bij de gemeente. Marbon bleek niet eens een Hinderwetvergunning te hebben. Het bedrijf was al sinds december 1965 aan de Cyprusweg gevestigd, maar een positief advies voor een Hinderwetvergunning werd juist op 10 augustus 1971 – het is onvoorstelbaar, maar dat is dus de dag van de ramp - door de verantwoordelijke ambtenaar aan burgemeester Samkalden doorgestuurd. De burgemeester tekende uiteraard niet.

Marbon werd voortaan met argusogen gevolgd en de Hinderwetvergunning werd nog eens zorgvuldig tegen het licht gehouden. Uiteindelijk werden de vereiste vergunningen afgegeven, maar niet voor de latex-afdeling. Latex zou Marbon van elders naar Amsterdam moeten laten aanvoeren.

De explosie op de Cyprusweg was een belangrijke impuls voor Amsterdamse milieuactivisten, die zich overigens in 1969 al met succes hadden verzet tegen de vestiging van een zwavelkooldioxidefabriek van Progil in het Westelijk Havengebied. Ná 1971 kwam er weinig meer terecht van het complex voor petrochemische industrie dat Amsterdamse bestuurders in de jaren zestig in het kielzog van de vestiging van Mobil Oil (1965) voor het Westelijk Havengebied in petto hadden.

Tegenwoordig vinden we in het industriegebied Westpoort een groot braakliggend veld op de plek waar Marbon zijn installaties aan de Cyprusweg had opgesteld. Tot voor enkele jaren werden hier door Marbons opvolger General Electric Plastics nog tal van chemische reacties uitgevoerd, maar daaraan herinnert niets meer.

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman

September 2005

Powered by JReviews