Hier gebeurde het… Zeeburgerdijk/Borneostraat, 5 maart 1651 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 16, 2010    
4256   0   0   0   0   0

Dijkdoorbraak bij Houtewaal inhoud_282_kleinOp 5 maart 1651 werden Amsterdam en omgeving getroffen door een ongekend felle stormvloed. Spectaculair was een dubbele doorbraak van de dijk die we tegenwoordig de Zeeburgerdijk noemen. Het water kwam met zoveel geweld door de zeewering, dat ook de meer landinwaarts gelegen ringdijk van de Watergraafsmeer bezweek. In feite werd het toen een driedubbele dijkdoorbraak. Het bekendste gat lag ten oosten van het gehucht Houtewaal alias Oetewaal, ongeveer waar nu de Borneostraat op de Zeeburgerdijk uitkomt. (Collectie Amsterdams Historisch Museum)

“Hier drijft een stuk van enig vruchtbaar eiland/Daar huis en hof en menig dierbaar beest/Hier zinkt in ’t diep het klaverdragend weiland/En wordt ten prooi het bulderend tempeest.” Zo schildert Jan de Groot Jacobszoon van Hoorn de gevolgen van de doorbraak van de Sint-Antonies- of Diemerdijk op zondag 5 maart 1651. Zijn rijmwerk is een pandemonium van persende wind, bulderende zee, scheurende dijken, instortende huizen en stuwend water. Voor hem is dit een waarschuwing van Hogerhand: “Dees zonden-straf op Zondag is gerezen.” Zijn dramatische woorden vinden hun evenknie in verschillende prenten en schilderijen waarop het water zich bij Houtewaal kolkend en alles op zijn weg meeslepend door de dijk stort. De geschiedschrijvers van Amsterdam houden zich iets meer in, maar weten er ook weg mee.
Het was volle maan met springvloed en de aanzwellende storm joeg vanuit het noordwesten over land en zee. Het water van de Noordzee werd door de zeegaten bij Texel, Terschelling en Vlieland met grote kracht de Zuiderzee ingeperst, maar vond nergens een uitweg. In het IJ voor Amsterdam steeg het water in die nacht van zaterdag op zondag volgens stadsgeschiedschrijver Caspar Commelin (1636-1693) drie duim hoger dan bij de beruchte Allerheiligenvloed van 1570. En dat was nog maar een inleiding op wat komen zou. Rond het middaguur stroomde het water vanuit het Damrak over de Nieuwendijk en Warmoesstraat (toen nog echte dijkjes); in de Kalverstraat en zijstegen verplaatste men zich per roeiboot, terwijl “al wat in kelders, pakhuizen en loodsen opgesloten stond, van ’t water overvallen wierd”. Commelin voegt er nog aan toe dat de spullen in veiligheid gebracht werden door toegeschoten volk dat urenlang tot het middel in het water stond, maar zich voor dit ongemak goed liet betalen. Hij rept niet van slachtoffers in de stad, maar wel van grote materiële schade. Ook de tegenwoordige Nieuwmarkt liep onder en de winkeliers daar probeerden wanhopig te redden wat er nog te redden was.

Vijf meter onder water
In de buurt van het nabijgelegen gehucht Houtewaal en bij het Nieuwe Diep liep het later in de middag pas ècht uit de hand, toen de dijk niet alleen werd overspoeld maar zelfs doorbroken. Behalve voor de bewoners van Houtewaal en de rest van de dijk pakte dat ook rampzalig uit voor huizenbezitters in de Watergraafsmeer, die toen nog Diemermeer werd genoemd en iets meer dan twintig jaar voordien met hoge kosten was drooggemaakt. Commelin: “Hierdoor vloog de zee met groot geruis over de lage binnenlanden, op de dijk van de Diemermeer aan, dewelke, veel zwakker dan de doorgebroken zeedijk, dit geweld des waters niet langer kon weerstaan, maar brak tegen de avond door, zodat dit drooggemaakte meer wel zestien voet diep (ca. 5 meter – red.) onder water raakte.” Er vielen hier doden en de schade aan huizen en landerijen was enorm. De eigenaars van de pas gebouwde buitens konden wat er over was van hun bezit alleen nog maar met schuitjes bereiken.
Er braken die dag dus twee gaten in de dijk die het land tegen de Zuiderzee moest beschermen en één in de ringdijk van de Watergraafsmeer. Het dichtst bij het toenmalige Amsterdam ontstond het eerste gat, nabij Houtewaal, dat niet ver buiten de stadspoort op en achter de dijk lag. De opgaven van de breedte van dit gat lopen uiteen van vijftien tot achttien roeden (een Amsterdamse roede is 3,6807 meter). Het lag ergens ter hoogte van de huidige Borneostraat. Nog ernstiger was de doorbraak verder op de dijk in de richting van het Nieuwe Diep. Er wordt geschreven over een gat van 30 roeden, maar ook een breedte van 70 roeden wordt genoemd. Het gat in de ringdijk van de Diemermeer werd geschat op 25 roeden. Het drama van de dubbele doorbraak speelde zich af op het gedeelte van de dijk dat we nu de Zeeburgerdijk noemen. Dwars door de huidige Indische Buurt spoelde een vloedgolf in de richting van de Watergraafsmeer. Waar het gat in de ringdijk precies ontstond is niet meer te reconstrueren, maar afgaand op oude prenten was het ter hoogte van het huidige Flevopark.

Vele prenten
Dat de Sint-Antoniesdijk alias Diemerdijk zwakke plekken vertoonde was bij tijdgenoten en zeker ook bij het stadsbestuur bekend. Het onderhoud van de dijk was de verantwoordelijkheid van de eigenaren van het aanliggende land en die werd vaak ontdoken. Na de ramp werden de herstelwerkzaamheden niettemin onmiddellijk op kosten van de stad in gang gezet. In 1652 waren de gaten in de dijken gedicht, maar het duurde nog een jaar langer voordat de Watergraafsmeer weer droog was. Nadat ze twee jaar lang alleen maar hadden kunnen spelevaren boven hun bezit, konden de rijke Amsterdammers de lustpriëlen weer met de koets bereiken. Ter compensatie van de hoge kosten van het herstel bedongen ze dertig jaar vrijstelling van een aantal belastingen.
De ramp bij Houtewaal is in woord en beeld opvallend vaak vastgelegd en niet door de eersten de besten. Jan van Goyen zelf bezocht het buurtje vlak na de ramp en maakte fris van de lever een paar schetsen. Ze bleven vooralsnog verborgen in het schetsboek van de kunstenaar. Anders was het gesteld met de prenten die niet lang na de ramp in omloop werden gebracht. Bij boekverkoper Lodewijck Spillebout in de Kalverstraat verscheen een samengestelde prent van Roelant Roghman, waarop naast de gaten ook de herstelwerkzaamheden zijn vastgelegd. Later ontstonden afbeeldingen waarop de ramp met veel gevoel voor drama en niet zonder artistieke vrijheid werd uitgebeeld. Zo werd de dijkdoorbraak bij het nietige en later verdwenen Houtewaal in de schilderkunst een inspiratiebron voor de verbeelding van het machtige water en de nietige mens.

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman

Juli-Augustus 2010

Powered by JReviews