Architect Willem Froger Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 25, 2011    
4261   0   0   0   0   0

De hoveling van Amsterdam

012005_ArchitectHet Allard Pierson Museum aan de Oude Turfmarkt is een merkwaardig gebouw. Met zijn neoclassicistische gevel valt het uit de toon in Amsterdam. De architect, Willem Froger, bouwde liever dijken, bruggen en kanalen. En passant haalde hij met satanisch genoegen de bezem door de dienst Publieke Werken.

Het Allard Pierson Museum werd in 1869 gebouwd als hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank, die in 1814 door koning Willem I was opgericht. De eerste jaren huisde deze bank in negen patriciërswoningen aan de Oude Turfmarkt. De panden, die Lodewijk Napoleon al voor verschillende staatsdiensten had gebruikt, waren in 1642 gebouwd door de legendarische Philip Vingboons. Ze waren echter lastig te beveiligen (een groot deel van de zilvervoorraad verhuisde in 1851 daarom naar de kelders van het paleis op de Dam), maar bleken ook al snel te klein. In 1852 werd daarom besloten tot een merkwaardige architectonische improvisatie. De karakteristieke halsgevels werden verwijderd, waardoor er op de bovenste verdiepingen meer ruimte ontstond. Bovenop kwam nog een kapverdieping.
Deze oplossing hield nauwelijks tien jaar stand. In 1865 werd het grootste deel alsnog afgebroken (alleen het meest rechtse drietal bleef staan) om plaats te maken voor een nieuw bankgebouw. Voor het ontwerp werd architect Willem Froger ingeschakeld. Vier jaar later kon De Nederlandsche Bank het resultaat betrekken. Het zou een eeuw dienst doen: in 1968 verhuisde de centrale bank van Nederland naar het Frederiksplein. Vanaf 1976 ontfermde de Universiteit van Amsterdam zich over het pand en bracht er de door Allard Pierson begonnen oudheidkundige collectie in onder.
Het Allard Pierson Museum is een monument en heeft in alle architectuurgidsen over Amsterdam een hoofdstukje. Eigenlijk is dat vreemd, want er klopt van alles niet aan het gebouw. Met zijn brede, neoclassicistische gevel valt het uit de toon aan een smalle gracht. Het zou aan een plein moeten staan. Ook past het niet bij de rest van de grachtengordel, daarvoor is het te streng en te grof. Dat zal deels te maken hebben met de voorkeur van Froger, die een expert was in vestingen en om die reden ook voor de klus gevraagd was, maar ook het advies van D.D. Büchler van de Maatschappij tot Bevordering van de Bouwkunst zal hebben meegewogen. Hij stelde namelijk dat het gebouw “deftigheid, hechtheid en daarvoor strengheid en ernst in de lijnen” moest uitstralen. Het beperkte budget stond bovendien zeer beperkte decoratie toe. De zuinigheid van de opdrachtgever heeft er ook toe geleid dat de gevel nauwelijks iets te maken heeft met wat daarachter zit. Froger moest namelijk zoveel mogelijk gebruik maken van de funderingen en muren van de oude huisvesting. De gevel is daardoor bijna een decorstuk. Het feit dat de onderste helft van de gevel, waar ook nog een ongemakkelijke knik in zit, is bekleed met Bremer- ofwel Oberkirchner zandsteen en de bovenste met het goedkopere Bentheimer zandsteen maakt de zaak er niet beter op. En dat alleen maar omdat Froger zijn oorspronkelijke plan niet kon realiseren. “Het gebruik van den deugdzamen Bremersteen was hier in onbruik geraakt,” schreef hij, “zodat ik nog maar eene groef in werking vond en tot mijn leedwezen kon die niet in mijne behoefte voorzien en moest ik dus ook in Bentheimer vervallen.” Een ongelukkige keuze, want Bentheimer verkleurt sneller dan Oberkirchner, waardoor de bovenste helft van het gebouw nu donkerder is dan de onderste.
Goedbeschouwd lijkt het Allard Pierson Museum typisch een ontwerp van iemand die nauwelijks met architectuur bezig was en zijn hoofd eigenlijk bij andere dingen had. Dat was dan ook het geval.

Wiskundig genie
Willem Anthonie Froger (1812-1883) had wel iets van een wonderkind. Al vroeg ontplooide de jongen, zoon van een hoedenmaker op de Vijgendam, een groot wiskundig talent. Als zestienjarige puber mocht hij zich al inschrijven aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda, de eerste hogere technische opleiding in Nederland, waarvan zich later een civiel deel zou afsplitsen om in Delft uit te groeien tot universiteit. De jonge Froger mocht zelfs het eerste jaar in Breda overslaan en acht jaar later was hij er al docent in een groot aantal vakken, zoals constructieleer en mechanica. Aansluitend volgde een verdere militaire loopbaan. Vanaf 1842 was hij de hoogste officier (eerste luitenant-ingenieur) der genie op het ministerie van Oorlog.
In die hoedanigheid bouwde Froger enorm veel. Dat waren niet zozeer gebouwen in de gebruikelijke zin, maar ‘werken’: versterkingen, wegen, wallen, bruggen, dijken, rivierbeddingen, beschoeiingen. Op dat gebied was hij een autoriteit. Geen ander kende de onhebbelijkheden van de drassige Nederlandse bodem zoals Froger die kende. Behalve docent was hij ook wetenschapper en auteur van een aantal gedegen handboeken met titels als Leerwijze tot het beoordeelen van den vorm en de dikte van gewelfde overdekkingen in verschillende bouwstoffen.
Zijn ‘troetelkind’, zoals hij het zelf omschreef, was het Noordzeekanaal. Willem Froger was degene die op het idee kwam om de kwakkelende havenstad een nieuwe verbinding te geven met de wereldzeeën. Het was een onverwacht bijproduct van de opdracht die de Amsterdamse ‘Commissie voor Geneeskundig Toevoorzigt’ in 1849 aan de genieofficier verstrekte: verzin een betere waterverversing voor de uitdijende, inmiddels ruim 200.000 inwoners tellende hoofdstad. Froger kwam met een ambitieus plan om de grachten dagelijks door te spoelen. In één moeite door pakte hij de scheepvaart aan. Het IJ slibde dicht en het in 1824 gereedgekomen ‘Groot Noordhollandsch Kanaal’ was lang niet groot genoeg meer voor de steeds grotere zeeschepen. Er zou een nieuwe verbinding moeten komen naar een plaats aan de kust die IJmuiden (‘IJ-mond’) zou moeten gaan heten.

Onzacht einde
Ruim 25 jaar heeft het moeten duren voordat Froger zijn idee werkelijkheid zag worden, en toen was hij er allang niet meer bij betrokken. Het uiteindelijke ontwerp van het Noordzeekanaal was van de waterstaatsingenieur Justus Dirks en week aanzienlijk af van Frogers idee. Bij de opening in 1876 was hij ook niet aanwezig. Wel werd op 26 januari 1953 een gedenkteken voor Froger onthuld aan de Spaarndammerdijk ter hoogte van de Nieuwe Hemweg (dat in 1975 is verplaatst naar de Oostelijke Handelskade), en bij station Lelylaan is tegenwoordig een Willem Frogerplein. Behalve het Noordzeekanaal zette Froger in zijn plan voor waterverversing ook nog de contouren uit voor wat in 1892 het Merwedekanaal (nu Amsterdam-Rijnkanaal) zou worden.
Intussen was er een onzacht einde gekomen aan zijn militaire carrière. Op 37-jarige leeftijd ging hij met vervroegd pensioen. De precieze toedracht is niet meer te achterhalen, maar zo’n lage pensioenleeftijd duidt op een conflict. In Hoofdstad in gebreke. Manoeuvreren met publieke werken in Amsterdam 1851-1901, een prachtig proefschrift uit 2002 van Ida Jager, veronderstelt de schrijfster een verband met Frogers advies aan de Amsterdamse commissie voor geneeskundig toezicht.
Hoe het ook zij, in 1849 brak voor Willem Froger een burgerloopbaan aan. Hij vestigde zich als architect in Amsterdam. Zelfs toen hield hij zich niet in de eerste plaats bezig met bouwkunde in engere zin, maar met onderwerpen als de duinwaterleiding en polderlozingen. Behalve de bank aan de Oude Turfmarkt, ontsprong nog slechts één ander echt gebouw aan zijn geest: de Parkzaal in de Plantage Parklaan uit 1851 (op de plaats waar nu sportterreinen zijn). De in 1880 afgebroken Parkzaal was een grote concertzaal met 1000 plaatsen en in zekere zin de voorloper van het Concertgebouw uit 1888. Als architect ontwierp de hervormde Froger ook nog de uitbreiding en verbouwing van de Lutherse Kerk aan het Spui.
Twee en een half gebouw, dat was het. Tenminste, voor zover het de architectonische betekenis van Willem Froger betreft. Maar zijn belangrijkste rol moest hij nog spelen. In 1852 werd hij door de gemeente Amsterdam benoemd in de nieuwe, tijdelijke functie van ‘stadsinspecteur’. Hij moest het groot onderhoud aanpakken van een stad die in alle mogelijke opzichten in zijn voegen kraakte. De grachten waren inmiddels stinkende poelen, de huizen verzakten, de havens slibden dicht, het verkeer kon op de nauwe en vaak nog ongeplaveide straatjes niet meer uit de voeten. Frogers belangrijkste deelopdracht was het samenvoegen van Stadswaterwerken en de dienst met de merkwaardige naam ‘Stadsfabriekambt’ tot één dienst van Publieke Werken die de talloze problemen slagvaardig kon aanpakken.

‘Volslagen verrot gebouw’
Burgemeester en wethouders zagen in de oud-genieofficier een stevige figuur om dit lastige varkentje te wassen, en vergisten zich daarin niet. Als een hedendaagse crisismanager beet Froger zich vast in het gezond maken van de hoofdstedelijke diensten, dat “oudemannenhuis van bedaagde werklieden, met vele onbekwame gunstelingen”. De negen over de stad verspreide afdelingen (zoals een timmerwerf, een schuitenmakerswerf, een wagenwinkel en een verfwinkel) werden omgesmeed tot één organisatie met één ‘stadstimmertuin’ bij het Weesperplein.
Tussen neus en lippen door had de gemeente de stadsinspecteur ook gevraagd om een overzicht te maken van de toestand in de stad. Op 12 mei 1854 plofte het resultaat op de bankjes van de gemeenteraad: het 663 pagina’s tellende Rapport betreffende het (dis)functioneren der totale Publieke Werken. Er stonden vijftig gedetailleerde buurtkaarten in, waarop alle probleemsituaties genummerd waren aangegeven. Problemen met grachten, bruggen, brandweerhuisjes, openbare toiletten, poorten, sluizen, torens, vleeshallen, wallen, dijken, stadsschuiten, waterkeringen – niets was aan het meedogenloze oog van stadsinspecteur Froger ontsnapt. De ondeskundigheid van het personeel, de laksheid van de directeuren en de sfeer van “verspilling en slaperigheid” werden scherp door hem aan de kaak gesteld.
Het zou voor jaren werk opleveren. Niet echter voor “de hoveling van Amsterdam”, zoals Frogers bijnaam luidde. Die werd na ruim drie jaar, waarin hij om en nabij de 15.000 handgeschreven pagina’s produceerde, bedankt voor zijn analyse en reorganisatie. Met zijn “heerschzuchtige geaardheid” was hij niet geschikt om Publieke Werken in rustiger vaarwater te leiden.

Tekst: Sjaak Priester
Januari 2005

Powered by JReviews