Het Amsterdam van Simon Carmiggelt Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Januari 02, 2011    
6781   0   0   0   0   0

Dossiers

Hagenees bleek Amsterdammer van nature

Henk van Gelder

Simon Carmiggelt hield de mythe graag in stand dat hij alleen maar de straat op hoefde om de mooiste zinnen en leukste anekdotes uit de mond van zijn stadgenoten op te tekenen. Dat was natuurlijk niet waar: hij schiftte, selecteerde, voegde samen en sleep. Pas daarna begon die beroemde Amsterdamse humor te schitteren, vooral in zijn Kronkels.

De meest fanatieke Amsterdammers, zegt men wel eens, zijn degenen die er niet werden geboren maar er bij het volle verstand van hun jaren gingen wonen. En de fanatiekste onder hen moet Simon Johannes Carmiggelt (7 oktober 1913-30 november 1987) zijn geweest. Legio lofredes schreef hij op de stad die hij pas op 30-jarige leeftijd verkoos boven zijn eigen Den Haag. Vaak trok hij nog een dagje of wat naar de residentie om er wat te kuieren, oude adressen te zoeken en oude vrienden te zien. "Als ik in Den Haag rondloop, spuiten de herinneringen uit de grond," schreef hij tijdens zo'n uitstapje aan Renate Rubinstein. Maar altijd ging hij daarna uit volle overtuiging terug naar Amsterdam en nooit overwoog hij om zich weer in Den Haag te vestigen.

"Carmiggelt, die geboren en groot geworden is in Den Haag, is een Amsterdammer van nature," schreef de jury die hem in 1967 de vijfjaarlijkse prijs van de Amsterdamse Boekverkopers Vereniging toekende, omdat hij "al vele jaren Amsterdam en de Amsterdammers tot leven brengt ver buiten Amsterdam". In een Kronkel -- zijn column of cursiefje dat dagelijks van oktober 1946 tot oktober 1983 in Het Parool verscheen -- naar aanleiding van die prijs trok hij quasi-bescheiden de schouders op, want ach, het was in een stad als Amsterdam eigenlijk reuze gemakkelijk om die stukkies te schrijven: voor de prachtigste zinnen en de boeiendste mensen hoefde je alleen maar de straat op te gaan met je schepnetje, en dan was het nog slechts een kwestie van "schiften en selecteren" uit het overvloedige materiaal dat je kwam aanwaaien. Die mythe hield hij graag in stad, hoewel het natuurlijk allerminst zo eenvoudig was als hij suggereerde. Aan het slot van het zelfde stukje liet hij de Parool-lezers dan ook weten dat hij toe was aan een weekje vakantie -- in Amsterdam.

Onderdak naast de Sicherheitsdienst

Het is de echter de vraag of Simon Carmiggelt ook zonder de Tweede Wereldoorlog Amsterdammer was geworden. De zoon van een vertegenwoordiger bij een conservenfabriek had inmiddels een behoorlijke baan als redacteur van het socialistische dagblad Vooruit, de Haagse editie van Het Volk. Zijn eerste cursiefjes, nog niet ondertekend, verschenen sinds 1936 in die krant. Hij en Tiny de Goey, met wie hij op 6 september 1939 was getrouwd, konden in de hofstad bovendien bogen op een illustere vriendenkring van toneelspelers, schilders en schrijvers. Maar toen Het Volk in 1940 werd genazificeerd, behoorde Carmiggelt tot de kleine groep principiële redacteuren die hun ontslag indiende. Daarna moest hij maar zien hoe hij, met vrouw en kind (Marianne, 24 februari 1940), aan de kost kwam. In de loop van 1943 raakte hij, via enkele vrienden, betrokken bij de produktie van de illegale krant Het Parool. En begin 1944, toen de grond in Den Haag hem te heet onder de voeten werd, verhuisde hij met zijn inmiddels met Frank (3 november 1942) uitgebreide gezin naar Amsterdam. Daar, in het grote en gastvrije pand Reguliersgracht 111, hadden ook diverse anderen van de Parool-groep onderdak gevonden. Een van hen, Wim van Norden, de latere directeur van de legale krant, woont er tot op de dag van vandaag. "Daarnaast zat de SD," schreef de latere literatuurredacteur Max Nord, "maar dat vonden we wel veilig."

Na de oorlog, toen Carmiggelt was toegetreden tot de kunstredactie van het bovengrondse Parool, hebben de Carmiggelts nog een paar maanden gewoond op een kleine verdieping op de Egelantiersgracht. Maar al snel kwam de Weteringbuurt in beeld en die heeft hij zijn leven lang niet meer verlaten. Eerst de bel-etage van Eerste Weteringplantsoen 2A, vanaf 1955 Weteringstraat 46 en ten slotte, vanaf 1967, terug naar Eerste Weteringplantsoen 2A, maar nu op de veel ruimere tweede etage. "Sedert een paar weken pas woont Carmiggelt in het prachtige bovenhuis aan het Weteringplantsoen," schreef zijn uitgever Martin Ros in een boekje ter gelegenheid van de boekverkopersbekroning. "Zijn kamers bieden één der mooiste stadsgezichten van Amsterdam: park, gracht, daarachter het Rijksmuseum, rechts de onrustige Weteringschans, waarvan het verkeerslawaai echter juist voor Carmiggelts venster wegsterft. 's Avonds wordt dit panorama sprookjesachtig. Het huis hult zich in een hoge stilte, een zee van lichtjes alleen suggereert nog het leven van de unieke stad, die in Carmiggelt haar meest kenmerkende naoorlogse schrijver heeft gevonden."

Voetganger met beperkte actieradius

Op drie manieren verplaatste Simon Carmiggelt zich, volgens een Kronkel uit 1977, door de stad: te voet, per tram en per taxi. In dat zelfde jaar schreef hij -- onder het motto 'Hoe krijg ik op vrijdagmiddag een taxi zonder zenuwziek te worden?' -- een hele kolom vol over de vraag of hij, wonend aan het Eerste Weteringplantsoen, de standplaats Frederiksplein moest bellen of dat hij toch beter de standplaats op het Leidseplein kon proberen. De slotsom was dat aanhoudend één nummer draaien meer resultaat afwierp dan afwisselend beide nummers. Een nieuwe ervaring, in november 1977, was de pas geopende metro. Hij stapte in op het Weesperplein en beschreef met vooruitziende blik "de lange, nog kraakheldere wagon, die pas in de naaste toekomst met paarse viltstiften zal worden volgeschreven".

Maar meestal liep Carmiggelt gewoon, in zijn karakteristieke regenjas. Ook toen hij allang een bekende Nederlander was geworden en iedereen hem herkende. Dat deerde hem niet; zoals hij ook met naam en toenaam in het telefoonboek bleef staan. Het contact met "de gewone Amsterdammers" gaf hem nu eenmaal de noodzakelijke stof voor zijn dagelijkse Kronkel. Hij was "een typische voetganger met een beperkte actieradius," aldus een Kronkel uit 1959. Of zoals uitgever Ros schreef: "Vrijwel iedere dag trekt hij de stad in. Spui, Martelaarsgracht, Haarlemmerstraat, Damrak, Rokin, Utrechtsestraat, maar ook de parken, oud-zuid, nieuw-west, Zeedijk, Hoppe, Americain, Ognibeni en de honderden kroegen."

Al die lokaties zijn dan ook regelmatig in Carmiggelts œuvre te vinden. Niet zo zeer in de eens per jaar verschijnende bundel, want daarvoor koos hij bij voorkeur de verhaaltjes die niet aan tijd en plaats gebonden waren. Maar wel in heel wat van zijn Kronkels die alleen in Het Parool hebben gestaan. Ook wie er met zevenmijlslaarzen doorheen loopt, komt veel tegen. Zo ging het in 1955 onder meer over de duiven op de Dam, die de wandelaar Carmiggelt kennelijk voor de voeten liepen bij het oversteken: "Om niet op de duiven te lopen, loop ik op eieren." Ook in 1955 komt de Weteringstraat aan bod, waar hij toen woonde, en die aan de lopende band verstopt stond met vrachtwagens "die zich met ondoorgrondelijke hardnekkigheid door het smalle straatje wurmen, omdat ze, geloof ik, een grief hebben tegen de Vijzelstraat en Weteringschans". En uit 1961 dateert de zin: "Op het terras van het Artiscafé zitten veel moede ouders onder het motto 'we doen het voor de kinderen', een verheven verveling, die in de hemel wordt beloond."

Carmiggeltiaanse observaties

"Evert, de kastelein van het befaamde Amsterdamse café Pieper heeft zich na vierentwintig jaar behendig excerceren met de kruik, uit zaken teruggetrokken. Hij dreef de ware kroeg -- klein, donkerbruin en wat morsig, doch met een superieur uitzicht op het stukje on-verpest Amsterdam, waar Prinsengracht en Leidsegracht elkaar kruisen. Nu is er ruimte voor de opvatting dat de klanten van Pieper niet voor dat uitzicht kwamen, al houd ik staande dat ze het toch ondergingen als een soort nobele achtergrondmuziek bij het heffen der pilsen. Ook als je daar niet met een veldkijker achter de vitrages ging zitten, beleefde je er de stad, in het voorjaar besprenkeld met een soort licht dat je eerst aan meneer Rembrandt en dan pas aan de waargenomen werkelijk deed denken en in het najaar gehuld in een grijze dompigheid, waarin de straatlantaarns meer staan de spinnen dan te verlichten." (1964)

"Uit het raam keek ik neer op een man die, gezeten in een klapfauteuil het water van de Stadhouderskade beviste. Wie de hengelsport de hartstocht der geduldigen noemde, weet ik niet, maar hij had gelijk." (1967)

"Slenterend in de richting van het Leidseplein kwam ik bij de nachtclub The Blue Note, een bouwwerk dat er 's ochtends altijd uitziet of het een hevige kater heeft. (1974)

"Buiten liep de stille nacht van Amsterdam-Zuid op Kerstmis vooruit. Een onherbergzaam verlichte lokatie voor een Nederlandse speelfilm zonder happy-end, die ondanks goede recensies niet langer dan twee weken in Alhambra zou draaien. (1975)

"De taxistandplaats Leidseplein was door de aan archeologie grenzende graaflust van Publieke Werken niet meer opbelbaar. De auto's staan nu telefoonloos te mokken in de Leidsestraat." (1978)

"Het Mirandabad bleek er van buiten uit te zien als een kruising tussen een sterrenwacht en een behuizing voor kernenergie." (1979)

"Buitenveldert is mooi, maar niet nabij. Het behoort wel degelijk tot Amsterdam, dat zie ik in. Maar als het lot mij ooit dwingt in het buitenland voort te vegeteren zal ik, verteerd door heimwee, nimmer denken aan Buitenveldert." (1982)

Allemaal waarheidsgetrouwe en zeer Carmiggeltiaanse observaties zijn dit. Maar het spreekt vanzelf dat niet alles in zijn Kronkels letterlijk kan worden genomen. Als het beter uitkwam, deinsde de schrijver er niet voor terug met lokaties te goochelen. Het begrijpelijkste voorbeeld daarvan staat in Mijn beter ik, het postuum verschenen boek van Renate Rubinstein over haar geheime relatie met "de meeste getrouwde man van Nederland". Ze vertelt daarin dat Carmiggelt vaak veel vroeger dan was afgesproken bij haar huis arriveerde en dan in het tegenovergelegen Sarphatipark op een bankje ging zitten. Zijn toenmalige gevoelens legde hij 1981 in de mond van een grijzende man die hij bovendien, veiligheidshalve, verplaatste naar het Wertheimpark: "Ik was altijd ruim een uur te vroeg en dan ging ik hier, in het parkje, wachten tot ik aan mocht bellen. Eigenlijk waren dat mooie uren. Ik was bijna bij haar."

Schitterend geslepen Amsterdamse humor

Regelmatig is in de Kronkels ook mild-ironisch commentaar te vinden op de hoofdstedelijk politiek, in 1971 samengebald in de krachtige zinsnede: "In Amsterdam mag niets, doch is alles toegestaan." Eén voorbeeld uit vele, anno 1955, toen er nieuwe "gladde, glimmende doodgeorganiseerde trams" op straat verschenen met overal klapdeuren in plaats van het open voor- en achterbalkon. "Want geloof me, een tram moet een open balkons hebben, waar je rokend met de conducteur kunt praten." En herhaaldelijk ging het in zijn verhalen ook over de gevaarlijke Vijzelstraat-oversteek die nooit in één keer te nemen was omdat het tempo van de voetgangerslichten "op snelwandelaars berekend is".

Maar het meest schreef Simon Carmiggelt, als hij het over Amsterdam had, over de humor van haar ingezetenen. Niet omdat hij die superieur achtte aan de Haagse of Rotterdamse humor, maar omdat de Amsterdammers naar zijn zeggen het hart méér op de tong droegen. In honderden, misschien wel duizenden Kronkels heeft hij daarvan gewag gemaakt, zonder het overigens specifiek te benoemen. "Het gevoel voor humor van de Amsterdammers neemt hun leven zo volledig in beslag, dat ze een Hagenees nodig hebben om het eens op te schrijven," aldus een Kronkel uit 1975.

Het wonderlijke is alleen dat er sinds zijn dood in spraakmakende kringen nauwelijks meer melding wordt gemaakt van die typisch Amsterdamse humor. Men hoort er zelden meer van. Zou het heel misschien zo kunnen zijn dat er een Simon Carmiggelt voor nodig was om die op te sporen, heel precies te noteren en bij te slijpen, tot die ging schitteren als het sieraad dat hij er zo vaak van maakte? ×

[in noot-lettertje]

Met dank aan Ruud Broens en Leo J. Verhagen.

Powered by JReviews