Ondernemer Lucas Bols Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 23, 2010    
8015   0   0   0   0   0

De mythes rond likeurstoker Lucas Bols

062006_BolsIn 1575 stichtte Lucas Bols in een schuurtje buiten de omwalling van de stad een likeurstokerij. Zo’n 40 jaar later kwam het bedrijfje binnen de stadsomwalling te liggen, aan de Rozengracht. Tot 1970 zou het bedrijf – althans de hoofdvestiging – op dezelfde plaats gevestigd zijn. Zo luidt in het kort de ontstaansgeschiedenis van Bols, zoals het bedrijf die uitvent. Het is een hardnekkige mythe, want de historische Lucas Bols betrad pas een eeuw later het bedrijfstoneel.

Toen in 1953 de jaarlijkse excursie van het genootschap Amstelodamum naar de Bolsvestiging op de Rozengracht ging, was dat voor Pieter van Eeghen aanleiding om met zijn zus Isa de stamboom van de familie Bols uit te zoeken. Het resultaat publiceerde hij dat jaar in het maandblad van het genootschap. Het stichtingsjaar van het bedrijf in Amsterdam was niet 1575 maar 1649, was de conclusie, en niet Lucas Bols maar zijn vader was de nering begonnen. Ondanks deze vondst is de reclameafdeling van Bols hardnekkig uit het mythische vaatje blijven tappen. Het hoort bij de folklore van het bedrijf, net zoals het fenomeen dat bedrijfshistoricus Lodewijk van Sint Maartensdijk in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw regelmatig vermomd als Lucas Bols het glas hief met buitenlandse gasten. En dat terwijl hij wist dat hij een verzonnen personage speelde, wiens van de etiketten bekende afbeelding ook uit de duim is gezogen. Zijn archiefvondsten publiceerde hij eigenhandig in het bedrijfsorgaan Klare Wijn.
Wie was de echte Lucas Bols en hoe is zijn naam een wereldmerk geworden? In de Nieuwe Kerk werd op 14 januari 1652 Luycas gedoopt, kind van Pieter Jacobsz Bultius en Aeltje Luycasdochter Veltcamp. De vader was vanuit het land van Gulik (bij de Roer) naar Amsterdam gekomen, was in 1646 poorter geworden en gaf toen als beroep kuiper op. Drie jaar later kocht hij een huis op de Rozengracht en trouwde met Aeltje uit Kampen. Vanuit dit huis, dat hij ’t Lootsje noemde, ging hij wijn en misschien ook gedistilleerd verkopen. De achternaam, die kennelijk uitgesproken werd als Bulsjes - hij wordt ook vermeld als Bulsies en Bulsius -, werd tenslotte Bols. Het was hem voor de wind gegaan, want hij had in 1661 het buurpand ten westen van ’t Lootsje gekocht en eerder al een pand aan de overkant. Toen Pieter Bols op 49-jarige leeftijd overleed, waren zijn kinderen nog minderjarig en zette zijn weduwe de zaken voort. In 1678 nam zoon Lucas het bedrijf over, na zijn huwelijk met Sara Clemens en het overlijden van zijn moeder. Hij begon met het stoken van brandewijn en likeur en breidde de zaak fors uit. Hij kocht een pand ten oosten van de zaak, liet ten westen ervan twee pakhuizen bouwen en kocht aan de achterkant panden op in de Rozenstraat. Toen hij in 1713 zijn testament opmaakte, waren er vijf distilleerketels in gebruik. De wijnhandelaar en distillateur was in zijn gezinsleven minder fortuinlijk. Hij was inmiddels voor de tweede maal weduwnaar geworden en van zijn vijftien kinderen waren er toen nog slechts vijf in leven. In 1717, twee jaar voor zijn overlijden, regelde Lucas Bols zijn opvolging. Pieter, de oudste zoon (geboren in 1685), kreeg de leiding, bijgestaan door diens halfbroer Hermanus. Die kwam al in 1728 alleen aan het roer te staan toen Pieter Bols plotseling op 43-jarige leeftijd overleed. Hermanus zou de zaak vervolgens 25 jaar leiden. Hij leefde op grote voet: bij de quotisatie in 1742 had hij tien dienstboden en bezat hij het lustoord Rupelmonde aan de Vecht.

Een eigen Bols-tapperij
Hermanus’ zoon Lucas (in 1722 in de Oude kerk gedoopt door zijn opa ds. Hugo van der Helst) nam zijn rol in het bedrijf over. Abusievelijk is van een portretje van een vaandrig van de schutterij in de Bols-archieven vastgelegd dat het deze Lucas zou betreffen, maar dat bleek onjuist. Op dat schilderijtje staat zijn neef Lucas afgebeeld die – net als zijn broer Jan Pieter - geen bemoeienis had met het bedrijf.
De Lucas Bols die van 1753 tot zijn overlijden in 1781 het bedrijf leidde, woonde de laatste jaren van zijn leven niet meer in ’t Lootsje, maar op de Keizersgracht bij de Groenlandse pakhuizen. Het werd hem in 1758 “als een sonderlinge gratie” door de Staten van Holland toegestaan om er tevens een tapperij op na te houden, terwijl dat aan andere distillateurs uitdrukkelijk verboden was om de ontduiking van accijns tegen te gaan. Uit zijn huwelijk met zijn nicht Sara Sophia Bols waren twee zoons geboren. Hermanus werd advocaat en zijn jongere broer Lucas toonde evenmin weinig belangstelling voor de zaak. Dus zette weduwe Bols-Bols de nering zelf voort. En hoewel de handel in die tijd ernstig belemmerd werd, eerst door de oorlog met Engeland en vervolgens door de Franse handelspolitiek in de Bataafse Tijd, bracht haar bedrijf in 1788 van alle 54 collega’s in Holland 1/9 deel van de belastingaccijns op. Aan haar zoons had Sara weinig: Hermanus, die in ’t Lootsje woonde, nam de voorraadinventarisatie te letterlijk op en raakte na het overlijden van zijn vrouw Anna Maria Bols (een achternicht) zo aan lager wal dat hij insolvent werd verklaard en naar familie in Kampen werd verbannen. “Wat het gedrag van Bols betreft,” schreef zijn curator Hendrik Temminck aan de weduwe, “hoor ik dat hij zich zeer menageert van dronken te zuipen, maar dat kan hij nauwelijks doen omdat hij geen duyt in de sak heeft en ook nergens crediet heeft in de herbergen.” Zijn broer Lucas was “doodonkundig in het vak”, zodat het bedrijf na het overlijden van de weduwe in 1799 feitelijk gedreven werd door de meesterknecht Jacobus Brezee.
Na de dood van Lucas in januari 1816, besloot zijn weduwe de zaak te verkopen aan de curator van haar in 1813 overleden zwager Hermanus, Hendrik Temminck, en diens zoon Coenraad. Als geldschieter trad bankier Hendrik Oyens op, die een relatie op de beurs, Gabriël Th. van ’t Wout, in de zaak wist te interesseren. De laatste nam de touwtjes in handen en reorganiseerde de firma Erven Lucas Bols, zoals het bedrijf nu heette. Van ’t Wout kreeg echter al snel hooglopende ruzie met de Temmincks en stapte in 1822 op. Geholpen door het overlopen van de meesterknecht van concurrent Wijnand Fockink, Johannes Gunther, twee jaar eerder, was het assortiment inmiddels enorm uitgebreid. Coenraad Temminck, die nu de leiding kreeg, deed er zijn voordeel mee. In 1853 werd George Fredrik Berkenkamp, die ruim 20 jaar eerder als kantoorbediende bij de zaak was gekomen, eigenaar-directeur. Hij kreeg al snel een tegenslag te verwerken toen de aanvoer van stenen kruiken stagneerde. Door de aanleg van de duinwaterleiding stokte namelijk de import van mineraalwater uit de Selzerbronnen in het Westerwald, en daarmee de toevoer van kruiken die de firma hergebruikte om jenever in te gieten. In 1854 moest daarom overgegaan worden op de import van Duitse kruiken.
De beste zet deed Berkenkamp door in 1868 Christiaan Nicolaas Jacob Moltzer (1841-1922) tot medevennoot en beherend directeur te maken. Moltzer zou Bols tot een wereldmerk maken. Daar zag het aanvankelijk niet naar uit: in 1873 werkten er bij Bols 12 werknemers, bij Wijnand Fockink 45 en bij Hoppe 50. Maar de nieuwe directeur wist door te mechaniseren (distillatie met behulp van stoom in plaats van open vuren) goedkoper te produceren. Moltzer had ook een neus voor reclame en begon Bols te promoten als oudste likeurstokerij ter wereld. De fabriek was “opgerigt omstreeks den jare 1575” heette het in 1875. Stadsarchivaris Scheltema had Moltzer geholpen aan een afbeelding van de vogelvluchtkaart van Balthasar Florisz uit 1625 waarop ’t Lootsje stond, schreef hij eind 1874 aan verzamelaar Hartkamp. Kon deze hem misschien aan meer materiaal helpen? Het contact leidde er toe dat in het tijdelijk historisch museum van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap in de Spuistraat, een oud uithangbord geëxposeerd werd met daarop een afbeelding van het houten oerlootsje. Het is dus de vraag of Moltzer de mythe over het ontstaan van de firma heeft bedacht, maar hij heeft hem wel uitgevent. In mei 1881 opende hij op Kalverstraat 32 een oud-Hollandse tapperij en iets later ook in de Scheveningse passage. In Parijs, Wenen en Berlijn gingen de kelkjes in dergelijke tapperijen eveneens grif over de tapkast. De prijslijst uit 1885 toont het eerste gefantaseerde portret van Lucas Bols; hij zou daarna nog tweemaal van aangezicht veranderen. En niemand die zich afvroeg hoe het mogelijk was om een bedrijf te stichten in een tijd dat de geuzen de handel in Amsterdam hadden stilgelegd en het gebied buiten de muren brandschatten.

Een opgedoken portret
Het publiciteitsoffensief legde de firma geen windeieren. Om invoerrechten te ontlopen werd er in 1890 een fabriek in het Duitse Emmerich gesticht. In 1900 werd begonnen aan de bouw van een nieuwe fabriek aan de tien jaar eerder gedempte Rozengracht. Twee jaar later was het klaar, maar het zou nog tien jaar duren voordat de als 16de-eeuwse stijlkamer ingerichte ontvangsthal gereed was. Het verrassends was wel het door “een onbekende 17de-eeuwse meester” geschilderde portret van Lucas Bols dat precies boven de schouw paste.
Inmiddels had Moltzers zoon Chris zijn vader opgevolgd, al snel bijgestaan door zijn broer Jan en Chris’ schoonzoon Bernard Carp. In rap tempo werden buitenlandse vestigingen geopend en licenties verhandeld. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de kleinzoons van Chris aan het roer, met Piet Hart Nibbrig voorop. Een gouden zet was samenwerking te zoeken met concurrenten om de exportbelangen te bundelen. Dat leidde al snel tot overnames, te beginnen bij Wijnand Fockink en Bootz in 1954, gefinancierd uit de kapitaalvergroting door de gang naar de beurs. In dat jaar werd ook voor het eerst door Bols jonge jenever gelanceerd (Claryn); tot dan had men vastgehouden aan de traditionele oude jenever en corenwijn.
De ene overname na de andere volgde: Hartevelt, Blankenheym & Nolet, Wed. P. Oud, noem maar op. In 1970 werd de Rozengracht verlaten om te verhuizen naar de Lucas Bolsstraat in Nieuw-Vennep (postbus 1575), waarvan prins Bernhard op innemende wijze de opening verrichtte en en passant de firma het predikaat ‘koninklijk’ verleende. De Moltzer-periode liep midden jaren zeventig ten einde en managers die niet waren vergroeid met de geschiedenis runden nu het bedrijf. Ook voor hen werd het steeds duidelijker dat de globalisering niet ophield bij het omdopen van de prijscourant in ‘gloBOLService’. Er kwam samenwerking met Heineken, waardoor Bokma, Hoppe, Hulstkamp en Coebergh gevoegd werden in de joint-venture Bols-Benelux. Uiteindelijk zou Heineken uitgekocht worden. Een andere slokop van oude merken, Henkes Verenigde Distilleerderijen was al in de jaren tachtig door Bols overgenomen. De slijterijenketen van die club, Aguilar, werd afgestoten, evenals de ‘eigen’ keten Gall & Gall. In 1993 werd een fusie aangegaan met Wessanen, maar dat werd geen succes. Vijf jaar later, kort na de verhuizing naar Zoetermeer, werd de zaak ontkoppeld en kwamen de aandelen in handen van een investeringsmaatschappij die ze doorverkocht aan het Franse drankenconcern Rémy Cointreau.
Na de uitschakeling van de binnenlandse concurrentie had men gedacht in het buitenland te kunnen expanderen. Zo had Bols-Wessanen een derde van de aandelen van het Italiaanse Campari overgenomen. Het was een stap te ver geweest, en had ertoe bijgedragen dat het bedrijf in buitenlandse handen was gekomen. Op 10 maart jongstleden werd bekend gemaakt dat Bols weer in Nederlandse handen komt en het hoofdkantoor terugkeert in Amsterdam. De investeringsdochter van de ABN-Amro en de DAF-nazaat Huub van Doorne, die een topfunctie had bij het Franse concern en Bols gaat leiden, hebben respectievelijk 75 en 25% van de overnamesom van 210 miljoen euro gefourneerd. Het Bolsmuseum, nu in Zoetermeer, zal ook weer naar Amsterdam komen. Inclusief het geschilderd portret van de vermeende oprichter van het bedrijf, dat een restaurateur van het Rijksmuseum met vaardige hand op het doek zette. Had Lucas op het doek van 1912 nog een rolkraag, nu heeft hij een Spaanse gelubde kraag gekregen. Zoals die omstreeks 1575 in sommige kringen gedragen werd. Bij Bols is de traditie altijd hooggehouden. Dat geldt ook voor de borrelpraat over de oprichting van het bedrijf.

Tekst: Marius van Melle
Juni 2006

Powered by JReviews