Het Amsterdam van Meijer Sluyser Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 22, 2010    
7697   0   0   0   0   0

Dossiers

Meijer Slyser beschteef na de oorlog in een reeks van boeken de Jodenbuurt van zijn jeugd.

Het Amsterdam van Meyer Sluyser

TEKST: Elsbeth Etty

Het literaire beeld van de vooroorlogse Amsterdamse joden­buurt is door niemand sterker bepaald dan door de journalist Meyer Sluyser. Een wat al te nostalgisch beeld, volgens sommige historici, maar dat is ook geen schande voor een schrijver in wiens familie door toedoen van Hitler "twee-en-zeventig vacatures" waren onstaan.

"Wie op de trans van de Zuidertoren in de Zandstraat staat", schreef Meyer Sluyser in 1957, "aanschouwt de buurt zoals zij is geweest vierhonderd jaar lang. Van boven af gezien vallen de architectonische verschillen tussen de huizen weg. De steegjes en slopjes zijn niet zichtbaar. Als een grote ster liggen de hoofdstraten gespreid rondom het Meyerplein. Van noord naar zuid de Breestraat; de Weesperstraat is, van de Houtmarkt af, er een voortzetting van. Van west naar oost de Sjoelstraaat (de Amstel­straat), die bij de Portugese synagoge even wordt onderbroken en dan als Rapenburgerstraat verder gaat. In 1600, in 1939 en in 1957 heeft de buurt, gezien van de Zuidertoren hetzelfde gezicht."

'De buurt' was voor de in 1901 geboren journalist, socialistisch propagandist en schrijver de Amsterdamse Joden­hoek of, om preciezer te zijn, het gebied tussen Waag en Weesperplein. Hij werd er geboren, groeide er op, ging er naar school en moest vervolgens meemaken dat al zijn familie­leden, vrienden, buren, kennissen niet terugkeerden uit de ver­nietigingskampen. 'De buurt', waarvan de sloop al voor de oorlog was ingezet, werd letter­lijk ontzield en nu -- bijna een halve eeuw na wat Meyer Sluyser consequent aanduidde als 'Het Grote Verdriet' -- is er vrijwel niets meer van over.

Op een zonnige winterochtend heb ik Sluysers advies opgevolgd en geprobeerd om vanaf de trans van de Zuidertoren 'de buurt' terug te vinden. Vergeefs natuurlijk. Meyer Sluy­ser had het al voorzien. In 1964 scheef hij in Amsterdam je hebt een zoute smaak: "Wanneer een nieuw stadhuis eenmaal breeduit zal liggen pronken van de Zwanenburgwal tot aan de Blauwbrug worden de restanten van de buurt spoedig uitver­kocht". Het stadhuis kwam er later dan de auteur had gedacht, maar de restanten van zijn jeugd waren toen al lang en breed opgeruimd. Zelfs van boven af is de buurt van Meyer Sluyser nu niet meer waar te nemen. Weliswaar dragen de hoofdstraten nog dezelfde namen als weleer, maar Stopera en Maupoleum, beton, kaalslag en snelverkeer hebben het patroon veranderd en onttrekken het verleden aan het gezicht.

IJzeren geheugen

Meyer Sluyser werd geboren in de Markensteeg, die al jaren niet meer op de kaart van Amsterdam voorkomt. Het straatje lag in het verlengde van de Valkenburgerstraat, in de volksmond Marken geheten, waar zich nu de oostelijke zijkant van het Maupoleum bevindt. Toen hij vier was, ver­huisde het gezin naar de Rapenburgerstraat, nu een annex van de verkeersader naar de IJ-tunnel.

"Slopen gaat sneller dan bouwen", verzuchtte Sluyser in 1959 in Hun lach klinkt van zo ver. "De Rapenburgerstraat is een van de vele straten die eraan gaan, onherroepelijk." Inder­daad werd zijn ouderlijk huis in de jaren zestig tegen de vlakte gegooid, waarmee hij beroofd werd van een van de schaarse aandenkens aan zijn familie en kinderjaren. "In mijn familie zijn tweeënzeventig vacatures door Hitler", liet hij zich eens ontvallen. In zijn buurt waren er vele duizenden. Voor de overlevenden zoals hij er zelf een was (hij wist met zijn vriend Loe de Jong te ontkomen naar Londen), schreef hij zijn vijf bundels schetsen over de Amsterdamse Jodenhoek. "Mijn boeken hebben bij hen een ruimte die leeg was, gevuld. In de gaskamers zijn familiegeheugens vernietigd."

Meyer Sluyser had gelukkig een ijzeren geheugen. In Voordat ik het vergeet vertelt hij: "Als ik de ogen sluit, zie ik op de binnenkant van mijn oogleden de buurt zoals ik haar gekend heb gedurende de veertig jaren vóór Het Grote Verdriet." In studies over joods Amsterdam zijn wel eens vraagtekens ge­plaatst bij de betrouwbaarheid van Sluyser's geheugen. 'Het Grote Verdriet' zou zijn herinneringen aan de tijd dat ieder­een er nog was, gekleurd hebben met nostalgie waardoor het beeld te mooi is geworden. Waarschijnlijk is dat zo, maar doet het er veel toe? Aan het drama dat zich tussen Waag en Weesperpoort heeft voltrokken, ontleent 'de buurt' mede zijn nostalgisch-mythische karakter en de mythe hoort evenzeer bij Amsterdam als de wellicht weinig florissante werkelijkheid. De boeken van Meyer Sluyser hebben Amsterdam iets essentieels teruggegeven: straten en huizen die onder de sloophamer kwamen en de mensen die er hebben geleefd, gesappeld en gewerkt.

De route waarlangs Meyer Sluyser zijn lezers door de oude buurt voert, is grillig en zonder een goede kaart van het vooroorlogse Amsterdam is zijn tocht door straatjes en ste­gen, over markten, pleinen en grachten nauwe­lijks te volgen. "Ik ga zonder schema, huppelend van de hak op de tak", om­schreef hij zijn procédé. Wie achter hem aanhuppelt, leert de weg kennen op het oude Waterlooplein, op Vlooienburg, Uilen­burg en Marken. En passant behandelt hij thematisch alle aspecten van het dagelijks leven: hoe er gekookt en gegeten werd, hoe de sabbat en de joodse feestdagen werden gevierd, welke verschillende soorten slagers en broodjeszaken er waren, de populariteit van Henri Polak en diens diamantbewer­kersbond, de invloed van de SDAP, welke theaters het popu­lairst waren, wie de beste venters en wonderdokters waren, waar je precies wat kon kopen op het Waterlooplein en hoe er gepraat werd in jiddisch Amsterdams.

Over de Markensteeg, waar hij op de negende van de negende om 9 uur 's avonds op nummer 91 werd geboren, heeft Sluyser betrekkelijk weinig geschreven, al memoreert hij in zijn boeken de benedenburen. Onder de Sluysers, op twee hoog, woonde het gezin van 'tante' Etty van Praag, wier kleinzoon Jaap later oprichter van het Humanistisch Verbond zou worden en daaronder was de woning van schele Ko de standwerker. Elke cent die Ko verdiende, zette hij om in jenever en omdat hij een zeer kwaaie dronk had, wilden de kasteleins uit de buurt hem niet meer tappen. In een andere buurt hees hij zich vol en elke avond werd hij laveloos op een handkar thuisgebracht. Er waren er meer als schele Ko, maar over het algemeen waren de mensen in de joodse buurt volgens Sluyser geen drinkers. " Ze lieten liever tien borrels staan dan dat ze een pekelau­gurk misten."

In Voordat ik het vergeet beschrijft Meyer Sluyser de buurt waar hij ter wereld kwam als 'de achterbuurt' van de Jodenhoek. In 1905 toen het diamantvak, waarvan zijn vader voor zijn brood afhankelijk was, net een periode van druk werk en vrij goede lonen achter de rug had, kon het gezin Sluyser de nauwe Markensteeg verruilen voor een betere wo­ning: Rapen­burgerstraat 108 twee hoog. Daar woonde Meyer Sluyser tot zijn 25ste levensjaar. "In de jaren van mijn jeugd", schreef hij in Amsterdam je hebt een zoute smaak, "waren de koters uit Amsterdam geen Amsterdammertjes. Ze waren kinderen van een buurt. Ik kwam uit de Vinkenbuurt, zoals de Rapen­burgerstraat eigenlijk heet."

Meyer Sluyser heeft de hele Jodenhoek beschreven: van de 'Vissteeg' (de Houtkopersdwarsstraat) tot de Manegestraat met het Russensjoeltje, van de kwakzalver op de zondagsmarkt tot de grote synagoges op het Meyerplein, van de Weesperstraat, waar de diamantbewerkers doorheen gingen, tot het Oudekerk­splein met de hoeren. Maar 'zijn' Amsterdam bestond uit de Rapenburgerstraat en directe omgeving en door de fragmenten die hij er in als zijn boeken aan wijdt bij elkaar te leggen, rijst een beeld op van dit buurtje-in-de-oude-buurt.

Allereerst was er in de Rapenburgerstraat, op nummer 6, Meyer Sluyser's lagere school (School nummer 10, een nummer­school zoals de scholen van de armen werden genoemd), waar "iedere leerling socialist was, al in de eerste klas".

Bovenmeester Mol was een dubbelganger van socialistenleider Troelstra en werd daar regelmatig op straat mee lastig geval­len, maar voor de 'solidariteitsactie' van zijn leerlingen met de stakende naaisters van atelier André Hertzberger in de Foeliestraat had hij geen goed woord over. Voor de jongens van de joodse buurt was de staking geen klassenstrijd, maar klassenoorlog, aldus Sluyser in Er groeit gras in de Weesper­straat. Tijdens de staking bracht de politie iedere ochtend vroeg 'onder­kruipsters' uit andere delen van de stad naar het bureau Jonas Daniël Meyerplein, waar ze werden opgewacht door 'de jongens van school tien, en van school twee, en van school tachtig en van eenentachtig uit de Valken­burgerstraat, en de jongens van de scholen op het Waterlooplein'. De strijd­lustigste kinderen 'staakten' mee, ze spijbelden van school om de 'onderkruipsters' in een demonstratieve optocht te vergezellen naar het atelier in de Foeliestraat, waar Meyer Sluyser voor het eerst de stakings­leidster Alida de Jong hoorde spreken. Ze was geboren in een keldertje in de Wees­perstraat en de hele buurt kende haar. "Toont je soli­dair', riep Alida, waarop en vrouw van drie hoog luidkeels aan haar buurvrouw vroeg: "Toontje Solidair, wat is dat nou weer voor een gozer? Zeker niet iemand uit de Jodenhoek."

Op de twaalfjarige Meyer Sluyser maakte Alida de Jong een onuitwisbare indruk. "Zonder dat ze 't wist, heeft ze met die redevoering op een stoel in een uitstalkast van een vodden­winkel mijn ambities en daardoor mijn leven richting gege­ven."

Wie zich Sluyser's buurt wil voorstellen, moet zich van twee dingen voortdurend bewust zijn: de mensen waren 'dood­stervend arm' en de buurt was 'met ontelbare kinderen be­volkt'. Als Sluyser vertelt welke gevaren de kinderen be­dreigden, noemt hij als eerste de Markengracht, de prutsloot die achter de Rapenburgerstraat liep en ook wel de 'moorde­naar' werd genoemd omdat hij zo smerig was. "In de gracht dreven krengen van mense­lijke faecaliën. Ratten zo groot als katten, die op de tentoonstellingen prijzen winnen." Een andere levensgevaarlijke bedreiging voor de hordes buitenspe­lende kinderen was de tram. Lijn zeven, die door de Rapenbur­ger­straat reed, werd door de moeders 'een antisemiet' ge­noemd. Maar er waren ook joodse trambestuurders, zoals Mau Arbeid die de reputatie had dat hij door de joodse buurt extra voorzichtig reed. Moeders uit de buurt die buitenshuis werkten (meestal venten met fruit), konden hun kleine kinde­ren in de Rapenburgerstraat voor slechts een cent per dag stallen op de Sophie Rosenthal school. De allerkleinsten werden verzorgd in de zaal der jammerklachten, kortweg ge­naamd 'krijsj'.

Misschien nog belangrijker dan de Rapenburgerstraat was voor Meyer Sluyser de Jodenbreestraat, de Brategas, waar iedere zaterdagmiddag de sabbat-wandeling van het gezin begon en eindigde. In zijn boeken wordt deze straat, die generaties na-oorlogse Amsterdammers kennen als het saaiste en meest troosteloze stukje Amsterdam, dat alleen maar dient om snel van het centrum naar oost te komen, beschreven als de 'Broad­way' van de Jodenhoek, 'de hartslagader van de oude buurt', met de achtergevel van de Mozes en Aäronkerk als 'katholieke klaagmuur'. Als de joodse feestdagen naderden, stond de Breestraat vol met karren en kramen en overal krioelden kopers. Bij Berlijn, de kruidenier in de Markensteeg, werd een speciaal voor deze gelegenheid elke week een dubbeltje gespaard en de Bakker aan de Sluis2 keerde voor de feestdagen een stuiver uit van elke gulden die gedurende het voorgaande jaar bij hem was besteed. De Breestraat was de gezelligste winkelstraat die zich 'als een lange kosjere worst' door de buurt wrong. "Herinneringen aan mijn zeer prille jeugd zijn er de oorzaak van dat ik voor de Jodenbreestraat altijd een bijzondere genegenheid heb gekoesterd", schreef Meyer Sluyser in Er groeit gras in de Weesperstraat. "Ik kan alle huizen van de Brategas stuk voor stuk opnoemen." Volgens hem kon je spiernaakt en met geeuwhonger op de Sluis staan en als je bij de Muiderstraat was aangekomen, was je helemaal verzadigd en aangekleed en had je een huis met meubels erin: schoenen bij Melhado3, kosjere kippen bij Hamerslag, bedden bij Polak, snoep bij Nabarro, kruidenierswaren bij Heins of bij Van Amerongen, zuur bij Goud, sigaren bij Heigmans, nog meer bedden bij Leeuwin, hoeden bij De Vries en boeken bij Joa­chimsthal, waar de mensen uit de hele buurt een dubbeltje per week spaarden. In bijna alle boeken van Sluyser wordt de taartjeswinkel van Snatager4, waarin een speciale afdeling Bolussen was gevestigd, met ere genoemd.

En dan -- op nummer 25 -- de Tip Top, het theater van ome Jopie Kronenberg, het uitgaans­centrum van de Brategas, de kesause mangelenbio­scoop waar in de voor­programma's alle bekende joodse arties­ten optraden en waarvan de vloer na elke voorstelling bezaaid lag met lege pindadoppen. Na de oorlog kwam er een man die Auschwitz had overleefd naar Mokum terug. Voor de ruïne van het Tip Top Theater, dat in de hongerwinter werd gesloopt, bleef hij staan. Hij huilde zonder tranen. Toen nam hij eerbiedig een stuk steen van de puinhoop. Die man was Bob Scholte, een populaire radiozanger die zijn carrière in de Tip Top was begonnen. De steen, vertelt Meyer Sluyser, heeft altijd een ereplaats in zijn huiskamer gehad.

Nog altijd ligt achter de Brategas het Waterlooplein, althans wat er van over is. In de tijd van Meyer Sluyser waren er eigenlijk drie Waterloo­pleinen. Het eerste strekte zich uit van de Zwanenburgwal voorbij de Houtkopersdwarsstraat bijge­naamd de Vissteeg (door Meyer Sluyser ver­eeuwigd in Amsterdam je hebt een zoute smaak) tot vlak bij de Mozes en Aäron­kerk. Dit was het ordelijkste deel van 'Het Plein' waar de open­lucht­confectionairs stonden en de tweedehands-schoenenverko­pers. De grootste verlokking ging echter uit van het tweede Waterlooplein van de Mozes en Aäronkerk tot aan de Blauwbrug waar de boekenstallen stonden. Het derde gedeelte lag vlak voor de kerk en was het terrein van de standwerkers en de snoepverkopers. In zijn kindertijd speelde het Waterlooplein een voorname rol in Meyer Sluysers leven, omdat hier de speeltuin voor de kinderen van Zwanenburg, Uilenburg, Rapen­burg, Vlooienburg en Marken lag. Voor de opgroeiende jeugd die, zoals Meyer Sluyser, lid was van de socialistische jeugdorganisatie was er trouwens ook een soort speeltuin. "Er is een lege plek in de vale huizenrij van het Waterlooplein. Als ik daar langs loop, grijpt het heimwee me in de lurven", schrijft Sluyser in Er groeit gras in de Weesperstraat. Hij doelt op Maison Waterloo, gelegen­heid voor vergaderingen, bruiloften en partijen, bijgenaamd De Hereeniging of De Slag bij Waterloo, wegens de heftige politieke twisten die er avond aan avond werden uitgevochten. Sneevliet kwam er spre­ken, Jan van den Tempel, Henriëtte Roland Holst, Henri Polak en Willem Drees, maar bovenal 'onze afgod' Sam de Wolff.

Meyer Sluyser is zijn hele leven hartstochtelijk propa­gandist van de SDAP en de PvdA geweest en nadat de naaister Alida de Jong daarvoor de basis had gelegd, was het de zio­nistische marxist Sam de Wolff die hem hiertoe opleidde. In zijn herinneringen aan het Waterlooplein heeft Meyer Sluyser een schitterend monument opgericht voor deze 'socialistische opperrabbijn': "Sam heeft, vrijwel in zijn eentje ervoor gezorgd dat de Joodse arbeiders van Groot Mokum niet onbe­reikbaar ver van het Jodendom werden vervreemd".

Ook Sluyser raakte niet los van zijn joodse wortels. Nooit kon hij vergeten hoe vrijdags de sabbat over de oude buurt neerdaalde, voorafge­gaan door rituelen die toen uniek waren voor het gebied tussen Waag en Weesperplein en die nu voorgoed uit Amsterdam zijn verdwenen. Dankzij Sluyser weten we nu nog hoe de 'sjabbesmachers' bij het vallen van de duisternis door de oude buurt trokken: bedelaars en artiesten die wisten dat tegen het aanbreken van de sabbat de bewoners meer dan anders tot liefdadigheid bereid waren. Als in alle keukens de kippesoep op het oliestel stond en als de hele buurt gehuld was in een sluier van chalent-geuren, kuchel-aroma en kippevet, konden de bedelaars of 'kippesoep­versjteerders' op gulle gaven rekenen.

Na de oorlog zette Meyer Sluyser in zijn eentje die traditie voort. Omdat hij zijn wekelijkse Commentaar op het Nieuws voor de VARA-radio placht te eindigen met sombere voorspellingen over een ophanden zijnde Russische atoomaan­val, gevolgd door een 'ik wens u smakelijk eten en een goede avond', verwierf hij zelf in de jaren vijftig de bijnaam 'de kippesoepversjteerder'.

Omdat hij in Amsterdam het gevoel van gemis niet kon verdragen, vestigde Meyer Sluyser zich na de oorlog in Bus­sum, waar hij in 1973 overleed. Een groter contrast met de buurt, die hij overigens niet louter idealiseerde, is nauwe­lijks denkbaar: "De oude buurt bestond uit krotten. Ik weet het, want ik heb er de eerste 25 jaar van mijn leven gewoond. In alle woninkjes was de ontbering kind aan huis. Ziekten vraten aan de schamele beetjes menselijk geluk. Er knaagde verbittering. Er gromde haat. Ik weet het, en ik heb nooit kunnen vermoeden, dat ik nog eens heimwee zou voelen knagen naar die kasjba."

~~~~~

Noot:

1 Dat schrijft Sluyser zelf tenminste, al menen ze bij het Bevolkings­register dat het nummer 11 was...

2 Van Wed. J.M. Brugman, Jodenbreestraat 1, bij de Sint Anthoniesluis.

3 Sluyser schrijft ten onrechte Milhado. Ook elders in deze opsomming is de spelling van namen verbeterd aan de hand van het Adresboek voor Amsterdam. Melhado zat op nummer 56, Hamerslag op 62, Nabarro op 38, Heins op 36, Heigmans op 83, Leeuwin op 75 en Joachimsthal op 63.

4 Rond 1900 op nummer 77, later op nummer 65.

Powered by JReviews