Architect Hugh Maaskant Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 15, 2010    
5789   0   0   0   0   0

‘Het kleine werk ligt me niet’

Eigenlijk kán het niet, de ontwerper van de Euromast presenteren als Amsterdamse architect. Maar Huig Maaskant zette ook een aantal stempels op Amsterdam. Robuuste, Rotterdamse stempels.

Geen architect is waarschijnlijk Rotterdamser dan Huig Maaskant (1907-1977). Zelfs zijn achternaam is toepasselijk. Maaskant was de cruciale figuur in de miraculeuze wederopbouw van de in de Tweede Wereldoorlog verwoeste binnenstad van Rotterdam. Met zijn enorme gestalte – hij was meer dan twee meter lang – belichaamde hij bij uitstek de bravoure van de naoorlogse Maasstad, waar alles in de eerste plaats groot is en het detail veelal ver te zoeken.
Als hij tekeningen maakte, wat hij overigens meestal overliet aan ondergeschikten, gebruikte Maaskant alleen de allerdikste tekenstift die voorhanden was. “Ontwerpen doe ik in bed,” zei hij eens, “met mijn ogen dicht. Ik geef graag de grote lijnen aan; het kleine werk ligt me niet.” Op veel van wat Maaskant bouwde, is dan ook een superlatief van toepassing. Zijn Groothandelsgebouw in Rotterdam was decennia achtereen het grootste gebouw van Nederland. Jaren later was zijn Amsterdamse betonkolos Rivierstaete het grootste kantoorpand van Europa.
Hugh Aart Maaskant, roepnaam Huig, werd op 17 augustus 1907 geboren, waar anders dan in Rotterdam. Zijn vorming tot architect verliep langs traditionele wegen: ambachtsschool en daarna de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. Daarna volgde de gebruikelijke periode van leren in de praktijk bij een aantal architectenbureaus. Zijn tweede stage liep hij bij Willem van Tijen (1894-1974), pionier op het gebied van de hoogbouw en in 1933 de bouwer van de eerste galerijflat in Nederland. Van Tijen was de Nederlandse exponent van het Nieuwe Bouwen en dat zou de stroming zijn waaraan ook Maaskant zich verbond. Het is de richting die tegen ‘parade-architectuur’ is en vindt dat een gebouw in de eerste plaats zijn functie goed moet vervullen. Schoonheid is hooguit een bijproduct en zeker niet noodzakelijk.

Groot en pompeus
Die visie is terug te vinden in de eerste schreden van Maaskant in Amsterdam. In 1936, nog werkzaam als gezel bij Van Tijen, dingt hij mee in de prijsvraag voor een nieuw raadhuis op het Frederiksplein. Het ontwerp dat hij samen met drie anderen (onder wie Van Tijen) indient, heet ‘Tangent en Radiaal’. Er zijn 225 inzendingen en Maaskant valt niet in de prijzen. De jury vindt het gedeelte waar de ambtenaren werken te overheersend ten opzichte van het representatieve deel, ‘waardoor een onjuiste vertolking van het wezen van het raadhuis als zetel van het Gemeentebestuur is ontstaan’.
Afgewezen worden in een prijsvraag is een lot dat veel architecten van onder de dertig treft. Maar rond ‘Tangent en Radiaal’ ontstaat in de vakbladen een hevige discussie: menigeen vindt dat de jury het bij het verkeerde eind heeft en dat het ontwerp van Maaskant eigenlijk het beste is, vooral wegens de ‘antimonumentale aard’. Uiteindelijk wordt het oordeel gevraagd van niemand minder dan Le Corbusier, die speciaal naar Amsterdam komt om de inzendingen te bestuderen. De Franse halfgod op het gebied van de bouwkunde vindt ‘Tangent en Radiaal’ de beste inzending, wat voor Maaskant een flinke opsteker moet zijn geweest. Het hoeft verder geen betoog dat de prijsvraag een theoretische exercitie is gebleven en er nooit een Amsterdams stadhuis op het Frederiksplein is gekomen. Dertig jaar later, in 1967, zou Maaskant de juryvoorzitter worden van de prijsvraag die uiteindelijk tot de Stopera heeft geleid.
In 1937 vormden Van Tijen en Maaskant een associatie, die bleef bestaan totdat Maaskant in 1955 voor zichzelf begon. De belangrijkste vrucht van deze samenwerking is het Groothandelsgebouw naast het centraal station van Rotterdam, het eerste bedrijfsverzamelgebouw in Nederland. In 1953 verbijsterde het met zijn bijna schaamteloze omvang en eigenlijk doet het dat tegenwoordig in gerestaureerde vorm nog steeds. Geen ander gebouw staat zo symbool voor het lef waarmee Rotterdam de wederopbouw aanpakte.
Ook nadat Maaskant zijn eigen weg was gegaan, bleef zijn werkterrein in de eerste plaats Rotterdam. Het culmineerde in 1960 in de Euromast. Maar ook elders verschenen bekende gebouwen van hem: de Pier in Scheveningen bijvoorbeeld. Onder fijnproevers van de moderne bouwkunst staan zijn bedrijfsgebouwen voor Tomado in Etten-Leur (1955) en Dordrecht (1962) en voor Johnson Wax in Mijdrecht (1964) in hoog aanzien. Van later datum zijn het KNVB-complex in Zeist (1970) en het Provinciehuis in Den Bosch (1971). Maar dat laatste wordt door velen toch als veel te groot en pompeus beschouwd. Het paste niet meer in de ‘architectuur van de menselijke maat’ die toen in zwang was geraakt.

Naargeestige wijkjes
Groot, dat bleef gedurende zijn hele loopbaan het wezenskenmerk van Maaskants creaties. Bureau Maaskant was trouwens ook een van de grootste architectenbureaus van Nederland. Niet in de laatste plaats kwam dat door de afdeling voor woningbouw. Veel van de naargeestige wijkjes met eenvormige seriehuizen die in de jaren vijftig en zestig overal in Nederland werden gebouwd, kwamen van bureau Maaskant. Dat had zelfs vertegenwoordigers in dienst, die met brochures vol standaardontwerpen van woningwetwoningen langs de gemeenten trokken. B&W hoefden maar te tekenen en Maaskant stampte een nieuwbouwwijk uit de grond, compleet met bijpassende scholen en een winkelcentrumpje. Vooral in de zuidelijke helft van het land staan nu nog tienduizenden Maaskant-woningen.
Huig Maaskant zelf hield zich voornamelijk bezig met het grote utiliteitswerk. Een voorbeeld is zijn eerste gerealiseerde project in Amsterdam: het Nationaal Luchtvaartlaboratorium (tegenwoordig Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium) in de buurt van de Sloterkade. Vanaf 1938 voerde Maaskant bijna honderd opdrachten uit voor gebouwen, bijgebouwen en verbouwingen van dit complex. Het geheel lag in de jaren vijftig nog op een open vlakte en moet met zijn door de windtunnel bepaalde vorm een futuristische indruk hebben gemaakt. Gerrit Rietveld was er enthousiast over.
Als rechtgeaarde Rotterdammer moest Maaskant van Amsterdam niet veel hebben, vooral niet van de oude stad. “De Amsterdamse binnenstad gaat ten onder aan schoonheid,” zei hij ooit. “Het is daar net een oud bedrijf. Als er een gammele stoel staat en iemand wil hem opruimen, dan wordt er gezegd: nee, die mag niet weg, want daar heeft opa nog op gezeten, de stichter van het concern.”
Aan schoonheid had Maaskant een broertje dood. “Nu zal men tegen mij zeggen: als je alles zo precies weet, waarom maak je dan geen gebouw dat iedereen mooi vindt?” zei hij tegen het einde van zijn loopbaan. “Dat is natuurlijk best mogelijk, dergelijke gebouwen staan overal. Maar als men zo’n gebouw neerzet, is het wel een gebouw waarin over tien jaar niemand meer is geïnteresseerd.” Als om deze opvatting nog eens voor Amsterdammers te illustreren, zette Maaskant in 1964 in de James Wattstraat bij het Amstelstation het negen verdiepingen hoge Europahuis (nu in gebruik bij de Hogeschool van Amsterdam) neer, een gebouw waaraan werkelijk niets aardigs valt te beleven. Ook zijn Amstelhuis van een paar jaar later aan de Amstelstraat zal het hart van de architectuurliefhebber niet sneller doen kloppen.

Schokkend voorbeeld
Van meer betekenis, al was het maar vanwege de kleurrijke gebeurtenissen waarvoor het als decor diende, is het Amsterdamse Hilton Hotel uit 1962 (in samenwerking met F.W. de Vlaming en H. Salm). Geheel in de geest van Maaskant was het bij oplevering het grootste hotel van Nederland, en ook een van de eerste waarin gasten en personeel hun eigen circuits hadden. Voor Maaskant, die vrijwel gelijktijdig ook Hilton Rotterdam bouwde, was een hotel een ‘droomfabriek’. Om de rest van de Hiltons in de wereld te bestuderen bezocht hij onder meer Cuba, vlak voordat Castro daar aan de macht kwam.
De brede stift van Huig Maaskant tekende ook het bijna 300 meter lange Confectiecentrum (tegenwoordig World Fashion Centre) op het Koningin Wilhelminaplein. Als groot bedrijfsverzamelgebouw is het in zekere zin de Amsterdamse tegenhanger van het Groothandelscentrum. De eerste paal werd in 1963 geslagen door wethouder Joop den Uyl. Door een vergissing in de bouwvergunning konden in 1968 slechts de twee buitenste torens worden opgeleverd; de derde werd toegevoegd in 1977. “Ik houd van forse, zakelijke en realistische architectuur,” verklaarde Maaskant bij de opening.
Maar echt schrikken deed Amsterdam in 1973 van Rivierstaete. Op de plaats van de oude Spijkerfabriek aan de Amstel, pal tegen de subtiele baksteenbebouwing aan van Berlages Plan Zuid, kwamen ineens een aantal gestapelde, helwit betegelde blokken te liggen: met 27.000 vierkante meter vloeroppervlakte en ruim 2.000 werkplekken het grootste kantoorgebouw van Europa. De opdrachtgever was – toen nog ongebruikelijk – een onduidelijke internationale vastgoedmaatschappij die over de hele wereld anonieme kantoorkolossen en winkelcentra neerzette. Het gebouw werd gezien als een aanslag op zijn omgeving en een nog extremere uitwas van de Amsterdamse cityvorming dan de Wibautstraat al was. Een schokkend voorbeeld van ‘brutalisme’, dat elders in het oeuvre van Maaskant ook valt te vinden. Omdat de hogere verdiepingen uitsteken, lijkt Rivierstaete ook nog een stuk groter dan het feitelijk is. Critici spraken van een ‘monument voor middelmatigheid’ en ‘zelfverheerlijking van abjecte dikdoeners’, en zelfs de term ‘fascistoïde architectuur’ viel.
Huig Maaskant liet de kritiek van zich afglijden. Tegen iemand die hem eens vroeg of zijn gebouwen tenminste aan de buitenkant niet wat bescheidener konden zijn, merkte hij op: “U doet mij denken aan mijn vrouw. Die zoekt al 25 jaar naar schoenen die van binnen groot zijn en van buiten klein.”

Tekst: Sjaak Priester
Januari 2007

Powered by JReviews