Hier gebeurde het... Prinsengracht 760, 1828 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 23, 2013    
3375   0   0   0   0   0

Op 4 april 1828 behaagde het koning Willem I om Casparus van Houten een octrooi voor tien jaar te geven voor de poederchocolade van Van Houten. De vondst om het vet uit de cacaobonen te persen en door toevoeging van alkalische zouten de rest oplosbaar te maken in water of melk, vond plaats in een door hem opgetrokken fabriekje achter de tuin van zijn in 1822 gekochte pand op de Prinsengracht, het tweede huis links van de katholieke kerk De Duif.

In 1828 was Casparus van Houten 58 jaar oud. Hij was de zoon van een bierdrager die vanuit Olst bij Zwolle naar Amsterdam was getrokken en was geboren en getogen in de Jordaan. Zeven jaar na zijn huwelijk met een meisje uit die buurt, Arnoldina Koster, was hij een koffie- en theewinkeltje begonnen op de Anjeliersgracht (nu Westerstraat 16). In 1815, toen hij zijn nering inmiddels verplaatst had naar de Leliegracht (nu nummer 22) kreeg hij toestemming om cacaobonen te malen. De overlevering wil dat het initiatief tot deze ondernemeing kwam van mevrouw Van Houten-Koster, die het procédé had geleerd van een Groningse vriendin. Heel ingewikkeld was de bewerking overingens niet. Het gebeurde op dezelfde wijze die de Spanjaarden hadden afgekeken van de Azteken bij de verovering van Mexico: de bonen werden geroosterd en gemalen, er werd kaneel, vanille en suiker aan toegevoegd en daarna liet men de substantie stollen tot tabletten. ‘Zeeuwse koekjes’ werden die genoemd, waarschijnlijk omdat Zeeuwen de eersten waren geweest die in Suriname cacaobonen gingen kweken en die naar onze contreien verscheepten. Omdat cacaobonen voor de helft uit vet bestaan, was het drankje dat uit die ‘koekjes’ bereid werd een zwaar op de maag liggend product. Maar ondanks de vetbolletjes die erop dreven, had het een medicinale reputatie. Behalve voedzaam was het namelijk opwekkend. Dat komt doordat, zoals veel later werd bewezen, in cacao een pepmiddel zit dat theobromide is gedoopt, naar de 18de-eeuwse benaming van de chocoladedrank ‘theobroma’ oftewel godendrank.


‘Dutching’ de cacaoboon

Om chocolademelk te maken zonder vetbolletjes moest het product van cacaoboon anders worden bewerkt. En volgens de familiegeschiedenis was het niet Casparus, op wiens naam het octrooi op het cacaopoeder stond, maar zijn zoon Coenraad Johannes (Coen) die het procédé uitvond, dat in de Angelsaksische wereld nog steeds bekend staat als ‘dutching’ (vernederlandsing) van de cacaoboon. Coen van Houten, ten tijde van de octrooiverlening 27 jaar oud, werd in 1837 in het stedelijke adresboek als ‘geoctrijeerd fabrikant van poederchocolade’ vermeld. Hij had toen dus al de bedrijfsleiding van zijn vader overgenomen. Onder zijn leiding werd overgestapt van het malen door middel van menskracht op een door de wind aangedreven molen. Ten westen van de Jordaan werd in 1840 bij de Kostverlorenvaart aan het Jan Hanzenpad – dat in 1904 bevorderd zou worden tot straatmolen De Wachter betrokken. Het huis aan de Prinsengracht en het fabriekje erachter aan de Utrechtsedwarsstraat (ter hoogte van de nummers 13-15) werden toen verkocht. De molen werd al in 1842 weer van de hand gedaan en het bedrijf verhuisde naar Leiden, maar toen zich in 1850 de kans voordeed om in Weesp een fabriekspand inclusief stoommachine over te nemen, vestigde Van Houten zich in dit stadje ten oosten van Amsterdam. Maar kleinschalig bleef het nog een tijdje. Een schoonzoon schaatste bijvoorbeeld omstreeks 1875 met een aantal cacaoblikken in een rugzak naar Amsterdam om een spoedbestelling af te leveren. Die verpakking in blik was trouwens ook heel innovatief. In 1828 was de poeder verpakt in ‘vlesschen’, maar die hadden de neiging te breken. Al in 1866 werd daarom het idee geboren om blikjes te gaan gebruiken, die vanaf ongeveer 1880 – toen de fabriek snel begon te groeien – ook in eigen beheer werden geproduceerd.

 

Cacaobonen en candybars

Rond 1890 was Van Houten een wereldmerk geworden. Door veel reclame te maken, onder meer op trams, was de naam vertrouwd geraakt en begon het bruine poeder de weg naar de consument te vinden. Bovendien had de cacao van Van Houten een goede reputatie: menige concurrent rommelde maar wat aan om de ontvette cacao oplosbaar te maken. Toevoeging van aardappelmeel of zelfs van gips was heel gewoon.

De poederchocolade werd langzaam maar zeker een volksdrank en de firma groeide gestaag. Rond 1900 werkten er in een nieuw fabriekscomplex aan de rand van Weesp meer dan 1000 mensen. Ook in het buitenland was de uitvinding niet onopgemerkt gebleven. De Engelse firma Cadbury nam het procédé in 1866 over, snel gevolgd door andere Europese cacaofabrieken. Door de uitvinding was namelijk een nieuw product ontstaan: cacaoboter. Een plantaardig vet, zonder de onhebbelijke eigenschap van dierlijk vet om ranzig te worden. Geschikt voor het besmeren van lippen én kogellagers en tal van andere doeleinden. Een gewild product, dat een niet te versmaden inkomstenbron van de cacaoverwerkende industrie werd. Vanaf 1882 begon Van Houten in Frascati in de Nes met cacaoboterveilingen. Het legde de firma geen windeieren. En zolang de concurrentie nog niet uitgevonden had welke alkalische zouten smaakversterkend of juist smaakbedervend waren, had Van Houten de wind mee. Er werden ongekende winsten behaald, die deels benut werden om een progressief sociaal beleid te voeren. Die toppositie ging echter na 1910 allengs verloren, al bleef het een bedrijf dat meetelde.

Uitvinden Coen had slechts één kleinkind, Hermine, dat trouwde met de commercieel begaafde Geert van Mesdag. Dat echtpaar erfde 51% van de aandelen, namelijk van de ongehuwde tantes Anna en Jet, die de laatste jaren van hun leven in de P.C. Hoofstraat woonden. De rest was geërfd door Douwinus Johannes van Houten, een telg uit de Groningse tak die door Casparus was binnengehaald. De Van Mesdags zijn erin geslaagd de Van Houtens eruit te werken en hebben tot 1971 de Weesper fabriek geleid. Toen viel het doek, niet vanwege de verminderde afzet van cacao maar door die van chocolade. Kapitalen werden besteed om ‘candybars’ te maken, maar het publiek liet de Americo uit Weesp liggen en prefereerde een Mars of een Bounty,. Amsterdam is echter nog steeds een van de belangrijkste doorvoerhavens ter wereld van cacao, een positie die zij mede dankt aan de uitvinding van Coenraad van Houten, een eenvoudige jongen uit de Jordaan.

 

Marius van Melle & Niels Wisman

Juni 2003


Powered by JReviews