Het Amsterdam van Jacob van Lennep Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 22, 2013    
5103   0   0   0   0   0

Dossiers

Wie denkt er nog bij na als hij zijn mond spoelt na het tandenpoetsen, theewater opzet, het toilet doortrekt of een douche neemt, dat dit water zo rijkelijk stroomt door de inzet van de vermaarde romanschrijver Jacob van Lennep?


Van 1832 tot 1845 huurde Jacob van Lennep het prachtig gelegen buitenhuis Woestduin bij Heemstede. In de zomer trok hij met zijn gezin uit Amsterdam richting Haarlem en dan begon het buitenleven. Toen Van Lennep het huren van Woestduin op moest geven, bleef hij ’s zomers veel in de buurt komen, want ook zijn vader en zuster hadden daar buitenhuizen. Na het drinken van een glas fris duinwater zei hij toen eens: “Dat mis ik nog het meeste, nu we geen buiten meer hebben, dat heerlijke duinwater. We zouden eigenlijk een lange pijp naar Amsterdam moeten leiden om het daar ook te kunnen drinken.” Hij moet daarbij wat dromerig gekeken hebben, tot plotseling zijn ogen begonnen te twinkelen. “Maar dat is helemaal geen gek idee. Dat is toch mogelijk.”
Van Lennep maakte een gedurfd plan. In Amsterdam was al sinds enkele eeuwen het grachtenwater niet meer drinkbaar. Men dronk regenwater of kocht water uit de Vecht, dat met schuiten werd aangevoerd. Maar die schuiten waren vuil en in de winter stremde de aanvoer vaak. Daarbij was het duur. Met voortvarendheid, Van Lennep eigen, trad hij in contact met de Engelse ingenieur Bland William Croker, die in Londen ervaring met waterleidingen had opgedaan. Van Lennep richtte een commissie op met het doel water uit de duinen via een leiding naar Amsterdam te brengen.

Kleingeestige tegenwerking

Het project werd begroot op 2,5 miljoen gulden. Van Lennep ging al zijn rijke kennissen in de Amsterdamse grachtengordel langs om het benodigde kapitaal bij elkaar te krijgen, maar die geloofden niet dat het plan uitvoerbaar was. Hij liet zich niet uit het veld slaan. Welgemoed begaf hij zich naar Londen en wist daar met Crokers hulp het benodigde kapitaal bij elkaar te praten. In 1851 richtte hij de Duinwater-Maatschappij op. Alle commissarissen kwamen uit Engeland, terwijl de directeuren in Amsterdam gevestigd waren. Jacobs vader, de hoogleraar David Jacob van Lennep, stelde een royaal stuk grond beschikbaar voor de duinwaterleiding. Op 11 november 1851 werd de eerste spade in de grond gestoken door de elfjarige prins Willem van Oranje.
Van Lennep hield een toespraak waarin hij de lauwheid, onverschilligheid, bespotting en kleingeestige tegenwerking hekelde.
Anderhalf jaar later, in juni 1853, was de eerste aansluiting klaar. Bij de Willemspoort spoot een tijdelijke fontein een brede, heldere straal duinwater omhoog en vanaf december van dat jaar konden Amsterdammers voor een cent per emmer vers duinwater drinken. Volgens de overlevering nam Van Lennep wraak op zijn gierige stadsgenoten door de leiding eerst naar de arme buurten door te laten trekken en pas op het allerlaatst naar de deftige grachtengordel. De weinige Nederlandse aandeelhouders verdienden hun investering met grote winst terug. Des te meer voldoening gaf de waterleiding toen bleek dat bij de grote cholera-epidemieën van later jaren Amsterdam gespaard bleef, in tegenstelling tot andere grote steden. Nog steeds wordt een groot deel van het Amsterdamse drinkwater betrokken via Van Lenneps duinwaterleiding.

Tussen schouwburg en vaudeville

Van Lenneps invloed op Amsterdam is groot geweest. Meer misschien dan bij andere schrijvers was bij hem sprake van een wisselwerking: Amsterdam inspireerde Van Lennep en zette hem niet alleen aan tot het schrijven, maar ook tot daadwerkelijk handelen, zodat onder Van Lenneps invloed Amsterdam veranderde. Hij was betrokken bij de oprichting van de standbeelden van Rembrandt (1852) en Vondel (1867). Hij schreef over de oprichting van een nationaal museum – na zijn dood gerealiseerd in het Rijksmuseum. Hij stond aan het begin van de plannen voor het graven van het Noordzeekanaal. De afbraak van historische gebouwen in Amsterdam werd door hem aan de kaak gesteld. Zelfs het Amstel Hotel dankt zijn bestaan mede aan hem.
Jacob van Lennep werd op 24 maart 1802 geboren. Hij stamde uit een deftige partriciërsfamilie en heeft altijd huizen aan een van de grachten bewoond. Hij zag het levenslicht op de Keizersgracht nabij de Huidenstraat en na enige verhuizing kwam hij daar weer terecht, zij het nu ter hoogte van de Spiegelstraat. Hij leefde van zijn inkomsten als rijksadvocaat. Daarnaast had hij vele onbezoldigde en bezoldigde functies, uiteenlopend van secretaris van de Curatoren van het Athenaeum Illustre tot lid van de Provinciale Commissie van Landbouw. Hoewel hij vooral toegang had tot de rijke burgerstand van de stad en zich daarin het beste thuisvoelde, moet hij toch ook de armere buurten goed gekend hebben. Zijn werk voor de commissie ter bestrijding van de cholera in Amsterdam bracht hem in contact met de onderkant van de samenleving. De verbluffende staaltjes plat-Amsterdams in zijn boeken werden ongetwijfeld deels daardoor geïnspireerd, maar zo heel deftig was Van Lennep zelf ook niet. Zoals veel van zijn tijdgenoten leidde hij een dubbelleven: behalve de schouwburg bezocht hij de vaudevilles in de Nes, naast zijn vrouw en wettige kinderen had hij minnaressen en ettelijke onechte kinderen, hij bezocht de heren sociëteit maar ook koffiehuizen en de cafés waar de zeelui bij elkaar kwamen. 

De hoogste en de laagste kringen

Zo komt het dat Van Lennep, die een goed imitator was, in zijn werken herhaaldelijk Amsterdammers uit het volk kan laten spreken in hun eigen taal. In zijn opstel Plat Amsterdamsch praten enige Haarlemmerdijkers met Kattenburgers, ieder in hun eigen tongval. Het kroegenbezoek hielp hem ook bij het samenstellen van zijn Zeemans-woordeboek (1856). Van Lenneps kennis van de hoogste en de laagste kringen blijkt uit veel van zijn geschriften. Als hij over de verre historie van Amsterdam schrijft, heeft hij vooral aandacht voor roemruchte figuren en hun daden. Rembrandt, Vondel, Hooft, Roemer Visscher, Vossius en andere beroemde Amsterdammers figureren herhaaldelijk in zijn historische novellen en toneelstukken. Ter afwisseling van de hoogdravende dialogen tussen kunstenaars of deftige burgers laat hij dienstmeiden en straatjongens optreden. Hij weet hun taal en voorkomen beeldend te beschrijven. Toch komen we bij hem geen echte volksscènes tegen en de aandacht voor volkstypen is enigszins oppervlakkig. De straatjongen uit Een Amsterdamsche jongen of het Buskruit – verraad in 1622 blijkt dan ook eigenlijk een geroofd jonkertje te zijn.
Veel aandacht voor het hoofdstedelijke reilen en zeilen blijkt uit zijn Mijmeringen in en over Amsterdam, die vanaf 1857 jaarlijks in de almanak Holland verschenen. Hierin laat hij zien hoe slordig het gemeentebestuur met historische gebouwen omspringt. Actueel klinkt zijn klacht over het lege, ongebruikte stadhuis op de Dam. Van Lenneps grote liefde voor het toneel blijkt ook uit deze Mijmeringen. Hij geeft een hartverscheurend verslage van de grote Schouwburgbrand van 1772 waarbij achttien doden vielen. Jacob van Lennep was kind aan huis in de Stadsschouwburg. Het verhaal ging dat hij beter dan de toneelknechten wist welke rekwisieten, decorstukken en kostuums er in de magazijnen waren. Zijn vrouw schijnt er altijd beducht voor te zijn geweest dat hij nog eens werkelijke het toneel als acteur zou betreden. In zijn huis op Keizersgracht 560 had hij een kamer die enkel voor toneelspelen ingericht was en waar een theatertje stond. Van Lennep was ook een liefhebber van de poppenkast en hij klaagt erover dat op het Koningsplein niet meer de originele Jan Klaassen te zien is. Gelukkig waren er in zijn dagen nog wel enkele andere typen die voor kindervermaak zorgden: hij beschrijft met veel zwier het optreden van een koeterwaalse toverlantaarnist en de vertoning met Chinese schimmen.

Ferdinand Huyck ook een regentenzoon
Van Lenneps kennis van Amsterdam, en dan voral van zijn inwoners uit hoge en lage milieus, blijkt het meest uit twee van zijn romans, Ferdinand Huyck en Klaasje Zevenster. Beide romans spelen in een tijd waarmee Van Lennep goed bekend was. Ferdinand Huyck is weliswaar gesitueerd in de 18de eeuw, maar de 19de-eeuwer Van Lennep werd wel opgevoed door de 18de-eeuwers. De lotgevallen van Ferdinand Huyck (1840) speelt in Amsterdamse regentenkringen. Daarin komen allerlei kleurrijke figuren voor, die indertijd spanning brachten in een nogal strak georganiseerde samenleving. Van Lennep ontleende deze figuren aan verhalen van oude familieleden en gouvernantes.
De lotgevallen van Klaasje Zevenster (1866) speelt geheel in de 19de eeuw, en daarin zijn dan ook veel persoonlijke ervaringen verwerkt. Het verhaalt over een vondeling die op Sinterklaasavond bij zeven studenten, die een doos gebak verwachten, wordt bezorgd. De studenten adopteren het meisje en betalen haar opvoeding in een pleeggezin en daarna op een kostschool. Wanneer ze bij een van haar pleegvaders in Den Haag als gouvernante te werk gesteld wordt, ontstaan daar allerlei moeilijkheden die haar het huis doen uitvluchten, waarna ze, geheel buiten haar weten, in een bordeel terechtkomt. Ze weet daaruit te ontvluchten voordat de madam haar maagdelijkheid te gelde heeft kunnen maken en komt, geschokt, terecht in het huis van een milde burgervrouw die medelijden met het onschuldige meisje opgevat had. In Amsterdam verkeert Klaasje in diverse kringen, van hoog tot laag. Na vele nieuwe tegenslagen leert zij haar moeder en grootvader kennen: zij blijkt van aanzienlijke geboorte te zijn. Het verblijf in het bordeel heeft haar gezondheid echter zo aangetast dat ze tering oploopt en het huwelijk met een beminde jonker, dat nu eindelijk gesloten kan worden, vindt geen doorgang. Klaasje zevenster overlijdt.
De positie van Klaasje Zevenster als vondeling, maakt het Van Lennep mogelijk kijkjes in diverse standen van de maatschappij te geven. Het boek veroorzaakte een groot schandaal. Critici verweten Van Lennep dat hij toestanden beschreven had die niet onder de ogen van fatsoenlijke lezers mochten komen.

Wie was Klaasje Zevenster?

Waaruit putte Van Lennep zijn inspiratie voor Klaasje Zevenster? Veel van de kritiek op de roman zal ingegeven zijn door het feit dat er nogal wat dubbelleven in herkenbaar was. Het bordeel is weliswaar in Den Haag geplaatst maar ook in Amsterdam, in de zijstraten van de Nes, bezochten de heren bordelen. Van Lennep – als men de pamfletten die tegen hem verschenen mag geloven – wist die ook te vinden. Het motief van de vondeling is natuurlijk sterk bepaald door de literatuur, maar ook in Van Lenneps leven zijn toch enige aanknopingspunten. In de jaren dertig had zijn vriend Gerrit van de Linde (schrijver van De gedichten van de Schoolmeester) een bastaard op de wereld gezet die door Van Lennep en zijn vrienden ondergebracht werd bij een pleeggezin.
Maar meer nog dan dit buitenechtelijke kind moet een ander geval Van Lennep door het hoofd gespeeld hebben. Nog voor zijn huwelijk met Henrietta Röell had Van Lennep een kind verwerkt bij een meisje uit een deftige Amsterdamse familie. Dit kind werd verdonkeremaand door de familie, die het onder de naam van de min aangaf als Geertruijda Elisabeth Tulle. De verhouding tussen de twee geliefden werd verboden. Over het lot van de jonge moeder is niets bekend, maar bij toeval kwam Van Lennep jaren later zijn dochter tegen, die in kommervolle omstandigheden verkeerde. Vanaf die tijd trok hij zich haar lot aan. In 1855 erkende hij haar als zijn natuurlijk dochter. Het arme meisje was echter niet voor het geluk geboren. Eerst stond haar afkomst een goed huwelijk in de weg en toen ze toch kon trouwen bleek haar man een liederlijke losbol. Stond deze voordochter model voor Klaasje Zevenster? Veel elementen wijzen er op. Maar ook een zekere Cornelia Spoor, geboren in 1834, kan model hebben gestaan voor Klaasje Zevenster; zij zou de vriendin van Van Lennep geweest zijn.
In de figuur van juffrouw Hermans, de medelevende Amsterdamse burgervrouw die Klaasje in huis neemt, is mogelijk een portret geschilderd van Van Lenneps eerste liefde. De Amsterdamse kooplui zijn bepaald onsympathiek beschreven. In 1848 was Van Lennep namelijk veel geld kwijtgeraakt aan zijn goede vriend Jan Jacob Carp, die hem, wetend dat een bankroet dreigde, f 40.000 afsmeekte. Van Lennep, altijd bereid een vriend in nood te helpen, sprak het kapitaal van zijn vrouw aan en leende hem het bedrag. Carp ging inderdaad failliet en verdween vervolgens naar het buitenland. Hoewel Van Lennep de kwestie nogal laconiek opgevat schijnt te hebben, nam hij wraak in Klaasje Zevenster. Tot in details liet hij uitbuiting en valsheid in geschrifte van de Amsterdamse handelaren zien. De woede over het boek zal vooral een reactie zijn geweest op dit ‘verraad van binnenuit’. De meest corrupte koopman uit Klaasje Zevenster, de Amsterdammer bleek, schijnt nogal wat trekken van Carp meegekregen te hebben. Van Lennep laat hem zelfmoord plegen.
Van Lennep heeft steeds ontkent dat hij portretten heeft willen schrijven in Klaasje Zevenster. Dat was ook wel zo verstandig, want hij had al vijanden genoeg. Ook het gelijk van de waterleiding is hem nauwelijks gegund: geen putje of fontein werd ooit naar hem genoemd, geen plaquette of buste bij de Gemeentewaterleidingen geplaatst.

Tekst: Marita Mathijsen

Juli/augtustus 1991

Powered by JReviews