Het Amsterdam van Simon Vestdijk Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 17, 2013    
4325   0   0   0   0   0

Dossiers

Tekst: Hans Vermaak

De schrijver-dokter Simon Vestdijk (1898-1971) maakte zijn geboorteplaats Harlingen in talloze romans als Lahringen beroemd, maar Amsterdam speelt in zijn leven en werk de hoofdrol. Hij bracht er als jonge jongen zijn schoolvakanties door en als student en schrijver zocht hij er de poëzie en de muziek, maar ook de zonde en de lichtzinnigheid.

Tekst: Hans Vermaak

Als de jonge Simon zeven jaar oud is logeert hij voor het eerst tijdens de zomervakantie bij zijn grootouders op het Koningsplein. Jaren achtereen maakt hij in de zomer met zijn ouders de reis naar de stad. Als Vestdijk zich gedurende de tien jaar dat hij medicijnen studeert aan de Gemeentelijke Universiteit in de stad vestigt, laaft hij zich aan de cultuur van de hoofdstad. En hij scharrelt met een eindeloze reeks hospitadochters, verpleegsters en medestudentes. Ook nadat Vestdijk faam heeft verworven als letterkundige en in Den Haag en later in Doorn woont, komt hij nog geregeld naar Amsterdam. Voor contacten met uitgevers of collega-schrijvers en bezoekjes aan zijn vriendinnen.

De stad trekt de provinciaal Vestdijk – zelf noemde hij zich ‘kleinsteeds’ – levenslang als een poel van zondige en verboden dingen, die thuis niet kunnen. Dat Amsterdamse element komt telkens terug in de acht romans van de Anton Wachter-cyclus, autobiografisch van kindertijd tot en met het artsenexamen, het duikt onverwachts op in andere boeken, ontbreekt nooit in interviews. De band tussen de schrijver-dokter en Amsterdam wordt ook duidelijk als we de Vestdijk-biografie (1987) van Hans Visser lezen.

“Op het zo weinig op een plein lijkende Koningsplein logeerde ik met mijn ouders bij familie, die behalve van afkomst ook uit overtuiging Amsterdammers waren,” vertelt Vestdijk in 1961 aan Theun de Vries. De ‘familie’ waarover hij het heeft zijn de ouders van zijn moeder, opa en oma Mulder, die tot 1910 een dameskapperszaak op Koningsplein 11 hebben. Deze Salon de Coiffure verkoopt ook parfums, die opa Jean vervaardigt in een ‘geheimzinnig’ laboratorium. Jaarlijks onderneemt de familie Vestdijk de tocht naar Amsterdam: met de trein van Harlingen, via Leeuwarden naar Stavoren, per boot over de Zuiderzee naar de stad en dan met lijn 2 naar de winkel en de daarboven gelegen woning van de Mulders.

Al direct tijdens zijn eerste logeerpartij in 1905 moet hij vanwege een acute blindedarmontsteking een operatie ondergaan in het Luthers Diaconessenhuis, Koninginneweg 1 (nu stadsdeelkantoor Zuid). Het mag de pret niet drukken. “Op allerlei intieme en mysterieuze manieren werd mij de door de eeuwen gelijk gebleven atmosfeer van de stad bijgebracht,” herinnert de schrijver zich de zomervakanties. Een verpletterende indruk maakt op de jonge Harlinger het schilderij Sint Sebastiaan van Alonso Cano, dat hij in het Rijksmuseum ontdekt. Zijn eerste Anton Wachter-roman krijgt als titel de naam van dit doek. Hij verwerkt daarin onder meer zijn herinnering aan de tochtjes per tram door de stad: “Het stadsbeeld van Amsterdam kende hij vrijwel uitsluitend dank zij deze tramlijnen: betrouwbare gidsen, elk met zijn eigen individualiteit, die de hoofdstad onderling verdeeld hadden in lange repen, met veel lege ruimte ertussen.” (…) “en hij lette ook op de passagiers met hun verveelde gezichten, er zich over verbazend dat die mensen niet gelukkiger keken, terwijl ze toch in Amsterdam woonden.”

In zijn tienerjaren wordt de culturele vorming voortgezet. Met zijn twee jaar oudere neef Herman bezoekt hij Artis, hij gaat naar een toneelstuk in de Stadsschouwburg en ziet in Carré de opera Faust. Maar hij drinkt ook zijn eerste glaasje bier in Schiller en gaat met een buurjongen “vieze plaatjes kijken” bij kunsthandel Koster op het Frederiksplein.

Laveren tussen studie, kroeg en poëzie

Als Vestdijk na wikken en wegen besluit om medicijnen te gaan studeren, weet hij één ding zeker: dat moet in Amsterdam gebeuren. Vanaf 1 september 1917, als hij aan zijn eerste studiejaar gaat beginnen, trekt hij in bij oom Gerrit en tante Johanna, de jongste zuster van zijn vader, Grensstraat 24 eenhoog. Een jaar later betrekt hij een kamer op de benedenverdieping van de Wijttenbachstraat 51. Hij schrijft daar achteraf over: “Ergens achter de Muiderpoort opende zich zijn eerste kast, of hol, of kelder, - zo goed als een kelder inderdaad, want er was daar een souterrain, waarvan hij de achterste helft vrij goedkoop als kamer had kunnen huren.”

Over Vestdijks studietijd kunnen we lezen in zijn laatste vier Anton Wachter-romans: De beker van de min (1957), De vrije vogel en zijn kooien (1958), De rimpels van Esther Ornstein (1959)en De laatste kans (1960). In die periode laveert Vestdijk/Anton Wachter tussen het plezier van “kroeg en biljart” en de serieuze zaken als studie en poëzie. Bij de vereniging Unitas Studiosorum Amstelodamensium (U.S.A.) wordt hij redacteur van de Almanak en hernieuwt hij de kennismaking met de dichter Jan Slauerhoff (1898-1936), die hij kent van de hbs in Leeuwarden. De soosavonden spelen zich af in De IJsbreker op de Weesperzijde, maar zowel in De vrije vogel en zijn kooien als in De rimpels van Esther Ornstein maakt Anton Wachter ook dolle, met drank overgoten, avonden mee in een niet nader omschreven café aan het Rokin. Het lijkt een kruising tussen de door de U.S.A. gefrequenteerde Pilsener Club (of Engelse Reet) in de Begijnensteeg en de Nieuwe Karssenboom in de Amstelstraat.

Het eerste studiejaar in de zalen rond het Binnengasthuis wordt beschreven in De beker van de min, met typeringen van de hoogleraren: “Ondoorgrondelijk cynische tiran” (professor Bolt, anatomie), “door en door intellectueel, leek het toch soms of hij liever zou gaan vissen” (Bouhuys, psychiatrie), “gaat als een slager tekeer in een weerloos vrouwenlichaam” (Van Hoyen, verloskunde).

Naast zijn artsenopleiding, de bezoeken aan typische studentencafés en zijn liefde voor de literatuur, stort Vestdijk zich in Amsterdam op twee andere grote passies: de vrouwen en de muziek. Na het horen van het Concertgebouworkest dat onder leiding van Willem Mengelberg Mahler speelt, schrijft Vestdijk in een brief aan zijn moeder: “Dit is DE muziek voor mij en strikt genomen bestaat er NIETS ANDERS.” Hij is zo enthousiast over de muziek, dat zijn nieuwe hospita zelfs een piano voor hem koopt. Juffrouw Drent, die een klein pension drijft in de Jacob van Lennepstraat 19, geniet van het pianospel en vraagt Simon, als hij in 1921 na twee jaar verhuist, regelmatig terug te komen voor een recital.

Dat er ook nog iets anders bestaat dan de muziek van Mahler, bewijst Vestdijk op vrijersvoeten. Eerst is er een kortstondige verloving met een jeugdvriendin uit Harlingen, To Brouwer, al snel volgen de verpleegsters, die – heel klassiek – simpel te verleiden zijn door de studenten. ‘Anton Wachter’ spreekt op het Spui af met de zwaar-Gronings pratende Hilda Heringa en stelt zich voor “hoe hij met dit vrouwtje op een gracht of in een steeg de schandelijkste dingen zou kunnen uithalen”. Zij is echter niet steeds gecharmeerd van Vestdijks uitspraken en zij laat hem tot zijn stomme verbazing al vrij snel stikken. Met zuster Marie Klaassen beleeft hij – na zijn voorstel haar neurologisch te onderzoeken - “een geanimeerd huwelijksleven” in donkere hoekjes van het ziekenhuis en Hanneke van Gelder (een “zwartig zustertje, een van tien in een dozijn”) krijgt hij twee keer per week op de divan in zijn studentenkamer. Ook begint Wachter/Vestdijk een relatie met de twee dochters van zijn nieuwe huisbaas, kleermaker Van Eldik op het adres Overtoom 218, waar hij vanaf oktober 1921 komt te wonen. Marie en Belia, in het boek Clasina en Fietje genoemd, zijn niet mooi, een flink stuk ouder dan de student en ‘delen’ hem zonder problemen. Na betrapt te zijn op zijn kamer, wijkt Anton voortaan met één van de twee uit naar de bosjes van het nabijgelegen Vondelpark. In De rimpels van Esther Ornstein schrijft hij: “toen hij eenmaal met Fietje op hun allereerste bankje had plaatsgenomen, hield hij de ogen niet alleen voor de agenten wijd geopend. Men beminde, en men had een hele wereld voor zich tegelijkertijd: een sector van het park, een grasveld, een lichte mist in de verte, waarin een lantaren bloeide als een lelie. Kale takken legden korte verklaringen af aan laagdrijvende wolken, rossig van de stad.”

Het meisje dat op de hbs tot een obsessie voor de jonge Simon was geworden (door hem vereeuwigd in de roman Terug tot Ina Damman), had dan zijn liefde niet beantwoord, eenmaal in Amsterdam zou hij vele vrouwen veroveren.

In Amsterdam de beest uithangen

Vlak voor zijn doctoraalexamen, in de herfst van 1925, ontmoet Vestdijk in het Concertgebouw de veertien jaar oudere Hélène Burgers die hem laat kennismaken met de astrologie. Zij trekt zijn horoscoop en ontdekt Simons depressieve aanleg. In haar huis op de Willemsparkweg neemt hij het besluit nog wel zijn co-assistentschappen te lopen en het artsenexamen te doen, maar zich daarna volledig aan de literatuur en de muziek te gaan wijden. Na tien jaar studie is het in 1927 zover.

Om wat te verdienen wordt Vestdijk waarnemer in dokterspraktijken, onder meer bij de arts Van Hega op de Meeuwenlaan. Hij maakt een zeereis als scheepsarts en ontdekt dat hij, in tegenstelling tot vriend-collega Slauerhoff, niet geschikt is voor dat werk. Tot 1932 woont de aankomende schrijver nog in Amsterdam op kamertjes op de Prinsengracht, in de Kerkstraat (op nummer 35) en de Tweede Helmersstraat. Op het laatste adres blijkt zijn hospita ook kamers per uur te verhuren, wat Vestdijk een levenslange afkeer van “gescharrel in rendez-voushotelletjes” bezorgt. Zijn eerste roman, Kind tusschen vier vrouwen, schrijft hij in 1933, en omvat zo’n duizend pagina’s over zijn jeugdjaren. Geen uitgever durft het vanwege de enorme omvang te publiceren en Vestdijk bewerkt het boek tot vier romans (de eerste Anton Wachter-delen) waarvan het eerste verschijnt in 1934 (dat is eigenlijk deel 3 – Terug tot Ina Damman).

Pas na de oorlog, die hij gedeeltelijk doorbrengt als gijzelaar in Sint Michelsgestel en hem nog een maand in het Scheveningse ‘Oranjehotel’ doet belanden, komt Vestdijk weer geregeld in Amsterdam. Hij ontvangt in 1946 van de gemeente Amsterdam ook de prozaprijs voor zijn (inmiddels verfilmde) oorlogsroman Pastorale 1943. Hij leeft dan in Doorn samen met de weduwe Ans Koster, die door hem liefdeloos wordt aangeduid als ‘huishoudster’. Het direct weer fel opbloeiende culturele leven in de stad ondergaat Vestdijk als een verademing. In Bevrijdingsfeest (1949) is de hoofdpersoon een oud-verzetsstrijder uit de provincie die regelmatig vrouw en kinderen verlaat om in Amsterdam de beest uit te hangen. Net als Vestdijk zelf komt deze romanfiguur in zaken rond het Leidseplein als de nu nog bestaande Eylders, Reijnders, De Kring en de verdwenen Koepel, een sociëteit in de Marnixstraat. Café Het Nutteloos Verzet in de Reguliersdwarsstraat, in de zomer van 1945 beter bekend als Tonia, wordt nogal rancuneus neergezet als Tante Gien: “Op de barkrukjes zaten zes meisjes te praten, terwijl het zaaltje half gevuld was met wat niet anders dan artiesten konden zijn met hun begeleidsters: een paar zware baardmannen, zeer rood van lippen en glanzend van ogen; tevreden doch flegmatieke Rodolphes die aan hun pijpen lurkten; een groepje vermoeide cabaretiers; schilders, onder wie Evert een beroemdheid herkende van zijn portret; en waarschijnlijk waren er nog wel andere kunsten vertegenwoordigd.” (…) “dit alles deed eerder aan een familiereünie denken dan aan een grotestadskroeg van zekere allure.”

Vestdijk liep in de eerste jaren na de oorlog ook altijd even aan bij de redactie van Het Parool, waar hij tot 1948 literaire kronieken aan leverde (het jaar daarop werd hij vaste medewerker van het Algemeen Handelsblad) en bezocht zijn uitgevers Geert Lubberhuizen (De Bezige Bij) en Van Dam van Isselt (Nijgh & Van Ditmar).

Het vaste logeeradres van de steeds beter verkopende schrijver is bij de familie Van Schaik op de Leidsekade. Jeanne van Schaik-Willing schrijft ook en is het middelpunt van een grote kring letterkundigen, schilders en muzikanten. Zij stelt Vestdijk voor aan Henriëtte van Eyk, auteur van De kleine parade. Met haar begint hij een verhouding die tien jaar zal duren. Dit tot grote woede van Ans Koster die vanuit Doorn driftig brieven vol venijn aan vriend en vijand van Vestdijk stuurt.

Avonturen op de Zeedijk

Met Henriëtte van Eyk – met wie hij Avontuur met Titia schrijft, een ‘roman in brieven’ die in 1949 verschijnt - struint Simon Vestdijk door Donker Amsterdam om stof op te doen voor zijn bekendste boek, De dokter en het lichte meisje (1951). Ze wandelen over de Walletjes en bezoeken kroegen op de Zeedijk. “Er ontstond een gevecht in zo’n zeemanscafé,” aldus Henriëtte in haar herinneringen. “Plotseling werd met glazen en stoelen gegooid. Voor de veiligheid duwde Simon me onder de tafel.” In een ander etablissement ondergaat zij de minachtende blik van een animeermeisje als ze wel een consumptie van een Engelse matroos accepteert, “maar verder ho maar.”

In deze beststeller, waarin een havendokter verliefd wordt op een prostituee (vanwege de pikante inhoud wordt er zelfs in de Tweede Kamer over gesproken), figureert Amsterdams oudste jazzclub Casablanca op de Zeedijk als ‘negerdanstent Ebenova’. Vestdijk beschrijft de muziek vol passie, maar – kind van zijn tijd - doet nogal laatdunkend over de meisjes die met de zwarte bezoekers dansen. In het boek combineert hij zijn ervaringen uit 1933 als waarnemer van een Rotterdamse havenarts met het rauwe amusement eind jaren veertig van de Amsterdamse rosse buurt, met als gevolg een wat wazig en zelfs onbegrijpelijk omschreven stad: “… en weldra hadden we het centrum verruild voor de dubbelzinnige grachtenwijk, waartoe het verkeer niet doordringt en het rijk van het midden enige kansen benut. Een gekalmeerd China stijgt op van de grachtratten naar de klokgevels, bevuilt zich daar op een onzegbare manier, en daalt weer neer, zegenend, regenend, uiterst corrupt van de klokgevels naar de grachtratten. (…) En ziet, daar is ook het gasthuis, waar artsexamens worden uitgevochten op de niet genoeg gestreelde ruggen van onschuldige verpleegsters.”

De levenslange overtuiging van de provinciaal dat Amsterdam synoniem is voor zondige zaken als drugs en seks komt de laatste keer terug in Vestdijks Juffrouw Lot. In die roman, die verschijnt in 1964 (een jaar voordat hij in het huwelijk treedt met Adriana Catharina van der Hoeven, met wie hij twee kinderen krijgt), wordt er volop overspel gepleegd, onder meer in “een straat in de Concertgebouwbuurt”, waar toevallig ook Henriëtte van Eyk woonde. De hoofdpersonen hebben dorstige dialogen in een café op het Damrak en, opmerkelijk voor 1964, er wordt volop marihuana gerookt.

H. Vermaak is journalist.

 

 

Powered by JReviews