Het Amsterdam van Herman Heijermans Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 30, 2012    
3926   0   0   0   0   0

Dossiers

Voor Op Hoop van Zegen, zijn beroemdste werk, deed Herman Heijermans (1864-1924) inspiratie op in Katwijk, toen hij de grote stad weer eens ontvlucht was. Maar in ander toneelwerk, zijn Falkland-cursiefjes en vooral zijn romans Diamantstad en Kamertjeszonde maakt hij geen geheim van zijn band met Amsterdam.

Bijna 30 jaar later stond zijn aankomst in Amsterdam nog helder op zijn netvlies. Dat was op 1 juli 1892 – in zijn herinnering een “neevlige wolkendag”. Maar die impressie is mogelijk beïnvloed door de “ijzingwekkende stormen-des-levens” waardoor Heijermans uit zijn geboortestad Rotterdam verjaagd was: zijn faillissement als handelaar in lompen en oude metalen, en zijn daarom verbroken verloving met de dochter van een rijke orthodox-joodse branchegenoot. Zijn schulden zou Heijermans nooit meer kwijtraken. Met 62 cent op zak begon hij in de hoofdstad een nieuw leven. Hier wilde hij zich wijden aan geestelijke arbeid, net als zijn veeleisende vader, de Rotterdamse journalist Herman Heijermans senior. In Rotterdam had hij al zijn eerste krantenstukjes geschreven en nu wachtte, als de voortekenen niet bedrogen, de literaire roem. Het deftige tijdschrift De Gids zou immers in augustus een novelle van hem plaatsen. Een echte schrijver had in de geestloze handelsstad Rotterdam niets meer te zoeken; die hoorde thuis in de hoofdstad. En daar was hij dan!

“Dienzelfden avond,” mijmerde Heijermans in 1910 (hij woonde toen in Berlijn) “zat ‘k als ’n lichtzinnig schavuit in ‘Mast’, op ’t plein met den nog niet verzakten Rembrandt.” Mast was een befaamd café op Rembrandtplein 11-15, dat kort daarna Mille Colonnes ging heten, naar de gietijzeren zuilen midden in de zaal, eindeloos weerspiegeld door de grote spiegelwanden. Omdat Heijermans als “aankomend auteur” rustig de krant wilde lezen, ging hij niet op het drukke terras zitten, maar in een hoekje bij de biljartzaal. Helaas wist nog niemand dat hij beroemd ging worden, dus voelde hij zich er erg verloren. Maar gelukkig schoof een vage kennis uit Rotterdam aan, en die zei ineens: “Weet je naast wie we zitten?” Hij wist het niet. “Toen, met ’n snijdige, geheimzinnige fluistering, sprak-ie: ‘Die met z’n verweerde kop, dat is Kloos – die zwarte naast ‘m is Witsen – en die blonde, is Boeken..’” Een siddering ging door Heijermans heen. De dichter willem Kloos met zijn boezemvriend Hein Boeken en schilder/fotograaf Willem Witsen waren voor hem goden! En die dronken hier gewoon ’n grogje! Na sluitingstijd volgde hij Kloos tersluiks “een heele poos over straat”. Ja, in Amsterdam, dáár gebeurde het.

“Later vielen veel van die goden weer van hun voetstuk,” zegt Hans Goedkoop (33), die onlangs een adembenemende biografie over Heijermans publiceerde. “Want mensen als Kloos, Van Deyssel en andere Tachtigers, de literaire baanbrekers van die tijd, konden wel mooi schrijven, maar van het opkomend socialisme wilden ze niets weten. En dichters als Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst waren wel socialist, maar schreven bepaald niet voor de gewone man. In zijn ogen reageerden ze bovendien érg kinderachtig toen hij naast hun blad De Nieuwe tijd zijn eigen literaire tijdschrift De Jonge Gids begon. Hoe dan ook, die eerste verpletterende indruk bleef hem altijd bij, al zal hij hem wel wat verfraaid hebben. Hij zag Kloos vást niet meteen die allereerste avond! Maar dat doet er ook weinig toe.”

 

Kamertjeszonde

Via de zolder van Singel 471 kwam Heijermans najaar 1892 terecht bij een ‘kostjuffrouw’ op Ceintuurbaan 374. Drie maanden later trok zijn broer Louis bij hem in. Die was medisch student en werd later directeur van de Amsterdamse GGD. In september 1883 verhuisden ze samen naar Ceintuurbaan 185 en een jaar later naar Burmanstraat 29, aan de overkant van de Amstel. Al kort na zijn verhuizing naar de hoofdstad kreeg Heijermans een baan bij een gloednieuwe krant, De Telegraaf. Het was een politieke ongebonden massakrant, tikje vrijbuiterig, maar niet te radicaal.

Op 1 januari 1893 verscheen het eerste nummer, met onder de rubriek ‘Iin en om den schouwburg’ de initialen H.H.Jr. Maar de recensent schreef zelf ook toneel. Op 25 april 1893 ging in Rotterdam zijn huwelijksdrama Dora Kremer in première. Het kreeg een slechte pers, wat Heijermans weet aan kinnisinne van zijn collega-critici. Nee, dán een ontroerend drama als Ahasverus, door de jonggestorven vluchteling Ivan Jelakowitch: een eenakter over de jodenvervolging in Rusland. Na de eerste voorstelling op 18 mei 1893 in Salon des Variétés in de Amstelstraat, noemde het Algemeen Handelsblad het “een der beste en aangrijpendste drama’s die we hier in lange tijd zagen opvoeren”. Heijermans’ wraak was zoet toen hij kon onthullen dat dit was geschreven door de auteur van Dora Kremer…

 

De avonturen van Pieps en Poel

Op zaterdag 15 december 1894 begon Herman Heijermans in zijn krant een wekelijks feuilleton. Het moest een soort dagboek worden, want: “Ik ben tot de conclusie gekomen dat het leven vermakelijk, de menschen grappig en wat je triestigheid noemt, een ziekte is, die door de waarneming val al dat vermakelijkgrappige, van tijd tot tijd gecureerd kan worden.”

Zijn ‘Amsterdamsch Schetsboek’ ondertekende hij met S. Falkland Jr.: zijn vader schreef al jaren als S. Falkland feuilletons in de Rotterdamse pers. Het eerst jaar deed Falkland Jr. Vooral badinerend verslag van zijn eigen huiselijk leven. Hij vertelde over de ‘beertjes’ (schuldeisers) die zijn broer en hij moesten afpoeieren, hun kledingperikelen, hun cafébezoeken, de moeilijkheid van het koken in twee aftandse pannetjes en de avonturen van de katten Pieps en Poel. Maar ook deed hij verslag van zijn ontdekkingstochten in werelden waarvan de gemiddelde Telegraaf-lezer geen weet had. Hij bezocht de nachtopvolging van Toevlucht voor Onbehuisden en werd vaste klant van de Volksgaarkeuken in de Utrechtsedwarsstraat, “toevluchtsoord voor fatsoenlijk-onbebeursden”: studenten en sjouwers, kantoorklerken en werklieden. Wie je tegen zessen uit die donkere straat zag komen, had gegarandeerd voor een kwartje of vijfendertig cent gedineerd! Vroeger dineerde hij, al dan niet op de pof, ’t liefst bij Mast, Suisse of Riche, tussen de kunstenaars en nette burgers. Maar sinds kort was hij socialist en nu begon hij zich te distantiëren: “Ik geloof niet in het artist-zijn dat nu in de lucht zit als natte sneeuw.” Hij zong in zijn Schetsboek de lof van de gewone man: “Teruggekomen bij het tolhek, heb ik me over den Amstel laten zetten. Nacht aan nacht – al een half jaar lang – zet dezelfde man mij over. De ‘stoompont’ over [= tegenover] het Raadhuis vaart niet ná twaalf uur. Dan komt de jolleman en blijft tot ’s morgens zes. We kennen elkander best. (…) Als alle menschen zulke trouwe oogen, zulke eerlijke gezichten hadden, zulke vrindelijk-ruwe typen, zou er nog sprake knnen zijn van een gezond Hollandsch volk Maar onze lichamen en gezichten zijn aan het moderniseeren, zooals onze kleeren en straten en huizen en gedachten. De ‘beschaving’ zal eindigen met een stel volken, alleen verschillend door woordklanken. In Amsterdam houd ik van de oude wijken en een kern-leuke jolleman is me meer waard dan de heele flaneerende Kalverstraat.”

In 1899 verwerkte hij zijn kamerbewonerservaring in het toneelstuk Het zevende gebod. Medicijnenstudent Peter Dobbe, zoon van een Zeeuwse hereboer, ‘hokt’ met een ongeschoold Jordaanmeisje bij een kostjuffrouw in de Pijp. Desgevraagd legt hij uit: “De Pijp – da’s de Pijp – da’s waar de studenten wonen en de…’n Stuk van de stad, Jozef.” De puntjes staan ongetwijfeld voor ‘hoeren’: de Pijp was destijd de rosse buurt bij uitstek.

Veel elementen uit de vroege ‘Falklandjes’ vindt men terug in Kamertjeszonde, de geruchtmakende roman die Heijermans in 1896 schreef en een jaar later met veel moeite gepubliceerd kreeg. De ikfiguur Alfred Spier, afkomstig uit Rotterdam, is een melancholieke schrijver in de Pijp. Hij dekt zijn tafel met oude kranten, want de wasvrouw geeft wegens wanbetaling zijn tafellaken niet terug. Met vrienden bezoekt hij Mast, Zur Guten Quelle (Rembrandtplein), De Groote Slok (Amstelstraat) en Riche (Rokin). Na sluitingstijd gaan ze met z’n allen naar een viswinkel in de Van Wou. “We zijn vaste klanten. Guus koopt twee dikke gerookte palingen en een potje garnalen in het zuur. Karel twee Engelse bokkingen. Scherp eet voor een stuiver augurken, ik neem een busje sardines. Bij de bakker aan de overzij haalt Dirk een vers pásgebakken brood. Dat zijn zowat de gewone avondinkopen.” Daarna zakken ze bij iemand op de kamer door tot het ochtendgloren.

In theater Frascati aan de Plantage Middenlaan (nu bioscoop Desmet), dat naar de eigenaar kortweg Prot wordt genoemd, maakt hij kennis met de knappe Georgine Caspar, die blijkt te zingen in café-chantants. Ze vertelt hem dat haar man, een diamantslijper, in Amerika zit en niets meer van zich laat horen. Om haar kinderen te laten eten, moet ze wel zingen voor dronken heren en zich af en toe laten trakteren. Spier walgt, maar voelt zich tegelijkertijd onweerstaanbaar aangetrokken. Ze gaan samenwonen bij een Duitse kapper in de Jan Steenstraat. Georgines man in Amerika krijgt er lucht van en het dramatische einde is dat op een dag onaangekondigd een geblindeerd politierijtuig voorrijdt en de dochtertjes worden meegenomen; zij ziet ze nooit meer terug.

Dat verhaal is in hoge mate autobiografisch. Volgens biograaf Goedkoop maakte Heijermans op 15 september 1895 in Prot kennis met de 24-jarige zngeres Marie Weening-Peers. Ze gingen samenwonen bij de Duitse barbier en sigarenboer A.A. Wolkenau, Govert Flinkstraat 390. In mei 1896 werden Maries kinderen weggeghaald. Ze heeft het nooit verwerkt en haar schuldgevoel en wrok legden een doem op haar relatie met Heijermans, met wie ze in 1898 trouwde. Maar hij moest en zou haar ‘verheffen’ en vormen naar zijn ideaalbeeld – al kon zij dan niet meer zichzelf zijn. “Ik schrijf het niet zo expliciet in mijn boek,” zegt Hans Goedkoop, “maar ik denk dat één reden waarom ze die zomer naar Wijk aan Zee verhuisden, was dat hij haar wilde weghalen uit haar oude milieu. Amsterdam was nu niet meer alleen de stad van de grote beloften, maar ook van de gevaarlijke verlokkingen. Hij prees zuiverheid van het leven aan zee; later woonden ze ook een tijd in Katwijk en Scheveningen. Maar hij kwam toch steeds weer terug naar de stad.”

 

 

Verlammende traditie

De sociale ellende, die hij wilde onthullen, was volop te vinden in de oude jodenbuurt rond het Waterlooplein. In zijn blad De Jonge Gids publiceerde hij in 1897 de novelle Sabbath en de eerste hoofdstukken van de roman Diamantstad, die in 1904 in boekvorm uitkwam. Hoofdfiguur is de jonge diamantslijper Eleazar, die op zoek naar werk de boot neemt naar Amerika, van zijn geloof valt en socialist wordt. Als hij na jaren terugkeert, is hij geschokt door de sociale achterlijkheid van zijn oude buurt. Die is de schuld van de juweliers en de sussende rabbijnen, maar vooral van de verlammende traditie. Aan couleur locale geen gebrek: “Vlak bij Casino sprong hij van de tram, stond stil, kijkend naar de oude gevels. Tusschen de dracht der vaal-lijnende huizen spaakte groen in ’n tralieënd raster, zóó had hij het onthouden, niet alles afzonderlijk, niet een énkel huis met opdringende vormen, niet het kleine van menschen die er gewoond hadden, nóg woonden – nee, zóó als hij het wéér zag: massaal zwart-geslagen van straatvuil, huisklomp, in stedebenauwing, omwringend het groene stofperkje: “Zo direct van taal als Kamertjeszonde en de Falklandjes meestal waren, zo bloemrijk was Diamantstad. Het leverde hem voor het eerst een lyrische recensie op van Lodewijk van Deyssel en daarmee zijn literaire doorbraak. Maar hij was er niet blij mee, of liet het niet merken: “Veroorloof mij op te merken, dat het qualificeren van de beschrijving der toestanden, der werkelijke toestanden in een stadsdeel van Amsterdam – van toestanden zoo gruwelijk en schandelijk, dat zij alle daden van en hoop zouden rechtvaardigen – tot ‘uitmuntende literatuur’ een lof is, die mij pijnlijk heeft aangedaan.”

Dezelfde thematiek als in Diamantstad vinden we in Ghetto, dat op kerstavond 1898 voor het eerst werd opgevoerd in de Hollandsche Schouwburg. Als de joodse jongeman Rafael wil trouwen met een christenmeisje, krijgt hij het aan de stok met zijn vader (een sjacherende lompenkoopman) en een hypocriete rabbijn. Zij drijven het meisje de dood in. De typering van veel figuren in dit en ander werk van Heijermans komt in de ogen van lezers van ná de holocaust bepaald antisemitisch over: de akelige clichés worden uit de kast gehaald. Volgens Heijermans echter was zijn aanval gericht op de getto-mentaliteit in het algemeen, die zeker niet alleen in joodse kring voorkwam. Indirect rekende hij zeker ook af met het milieu van zijn voormalige Rotterdamse verloofde.

 

Burenruzie werd eenakter

Hoewel Heijermans nog tot 1911 Falklandjes schreef (vanaf 1896 in het Algemeen Handelsblad), was hij sinds Ghetto vooral beroemd als toneelschrijver, ook internationaal. Hij schreef bijna 50 stukken. In zijn toneelwerk speelt Amsterdam lang niet zo’n grote rol als in zijn ‘columns’ en romans. Maar met enige voorkennis zijn er wel Amsterdamse ervaringen in te herkennen. Neem nu zijn eenakter Buren uit 1903. Drie jaar eerder woonde hij op Ringkade 6 (nu de Transvaalkade), en werkte aan Op Hoop van Zegen. Maar zijn concentratie werd hevig verstoord door de zangoefeningen van de bovenbuurvrouw. Als tegenactie huurde hij in de Jordaan een groot draaiorgel. Toen zelfs dat niet hielp, probeerde hij haar uit te roken. Zij op haar beurt gaf een recital voor een massa vrienden, die de kalk van Heijermans’ plafond dansten. Die spande een proces aan, dat ten slotte geschikt werd. In eenakter vinden we het allemaal terug, inclusief draaiorgel en uitroking! Mogelijk leverde de muzikale bovenbuurvrouw ook inspiratie voor Heijermans’ later toneelfiguur Eva Bonheur, al is dat toch vooral een karikatuur van een Berlijnse vriendin bij wie Heijermans in het krijt stond. Om méé te komen in de theaterwereld, leefde hij ver boven zijn stand, wat weer tot grote spanningen met Marie leidde.

Het stuk Bloeimaand (1904) leverde een lokaal relletje op. Het ging over dienstmeisje Marre, met een grootmoeder in een mensonterend treurig ‘besjeshuis’. De naam werd niet genoemd. Maar het stuk was opgedragen aan Jacoba Peers-de Ronde, Maries oma, en al snel lekte uit dat die drie weken voor de première was overleden in het hervormde Oude Vrouwen- en Mannenhuis aan de Amstel! Was het daar echt zo erg? Nee hoor, rapporteerden verslaggevers van de NRC en het Nieuw van den Dag: de (gewaarschuwde) directrice had hun in de keuken echte roomboter laten proeven!

Ten slotte noem ik Uitkomst (1907). “Het spel geschiedt in Amsterdam,” leert de inleiding, en wel in “het pothuis van kruier”. Diens doodzieke zoon Jantje heeft ’s nachts een koortsdroom waarin een zwaan uit het Vondelpark hem op zijn rug meeneemt (“Nou ga’k vaart zette – nog harder as de elektrieke tram!”), om sterren te plukken, waarmee Jantjes moeder de bakker weer kan betalen. Maar het eindigt als nachtmerrie: terwijl Jantje droomt dat de bakker en de slager zijn zwaan vermoorden, schreeuwt hijzelf zijn laatste adem uit. De première was geen succes: het publiek raakte in de war door de plotselinge overgang van werkelijkheid naar droom, en joelde omdat de snavel van de zwaan niet synchroon klepperde met de stem van de actrice in het vogelpak.

Net als Jantje was ook Heijermans nog steeds niet geslaagd in zijn jacht op het geluk toen de dood hem inhaalde. Op 22 november 1924 stierf hij in Zandvoort (waar hij sinds een jaar woonde) aan kanker. Vier dagen later stonden tienduizenden langs de Amstel, toen hij vanuit het huis van zijn broer op de Stadhouderskade naar begraafplaats Zorgvlied werd gebracht. Voorgoed terug in Amsterdam.

TEKST:Peter-Paul de Baar. Met veel dank aan Hans Goedkoop

Powered by JReviews