Oosterpark, 1 juli 2002 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juli 23, 2012    
2948   0   0   0   0   0

Nakomelingen van de zwarte slaven waren tien jaar geleden niet welkom bij de onthulling van het Slavernijmonument in het Oosterpark. Die middag werden zij pas na afloop van de officiële plichtplegingen toegelaten bij het eerbetoon aan hun voorouders. Intussen dreigt nu, tien jaar later, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) te verdwijnen door bezuinigingen.


“Wij willen naar binnen! Wij willen naar binnen!” De emoties liepen hoog op bij de onthulling van het Nationaal Monument Slavernijverleden op 1 juli 2002 in het Oosterpark. Een verslaggeefster van het dagblad Trouw stond erbij: “Achter de vele bomen en bosjes staan honderden zwarte mensen te trekken en te duwen. Een muur van agenten duwt de menigte terug. Even later zetten de radicaalsten de anderen aan. ‘De ketenen zijn los! Wij willen naar binnen.’” Het gebeurde even na drieën ’s middags. Aan de andere kant van de hekken, die voor de gelegenheid waren neergezet, hield minister Roger van Boxtel van Integratie en Grotestedenbeleid zijn toespraak. Koningin Beatrix, premier Wim Kok en een delegatie uit Suriname zaten samen met andere officiële genodigden te luisteren.
Buiten het afgezette gebied klonk gejoel, er werden hekken opzij geduwd en de politie kwam in actie. “Het is toch ook te gek dat ze niet bij hun eigen monument mogen zijn”, noteerde de verslaggever van NRC uit de mond van een politieman te paard. “Wat de organisatie had aangekondigd als een ‘volksfeest’, werd een keurige ceremonie voor vips en pers. Terwijl initiatiefneemster Barryl Biekman en minister Roger van Boxtel als gastheer spraken over bevrijding en emancipatie, renden agenten en beveiligingsmensen langs de hekken om nazaten van de slaven in bedwang te houden.” Zo ging het NRC-verslag verder en ook andere commentaren na afloop waren veelzeggend. Burgemeester Job Cohen: “Het was een heel belangrijke dag, een mijlpaal. Ik vind het vreselijk dat die dag in het tegendeel is verkeerd.”
Op de kop af deze maand tien jaar geleden speelde dit zich af in het Oosterpark. Het initiatief tot de oprichting van het slavernijmonument was in 1998 genomen door het Landelijk Platform Slavernijverleden, een bundeling van organisaties van Afrikanen, Antillianen en Surinamers in Nederland. Het kabinet had het voorstel overgenomen en de opdracht om het monument te maken was verleend aan de Surinaamse kunstenaar Erwin de Vries. De onthulling door de koningin was een erkenning van het Nederlandse slavernijverleden en een eerbetoon aan de vrijheidsstrijd van de voormalige slaven.

Groot aandeel Amsterdam
Het monument kreeg een plaats in Amsterdam. Dat lag niet alleen voor de hand omdat in de stad veel nakomelingen van zwarte slaven wonen. Exacte cijfers zijn er niet, maar verondersteld mag worden dat in Amsterdam eeuwenlang dik aan de slavernij is verdiend. Recent onderzoek van de wetenschappers Matthias van Rossum en Karwan Fatah-Black wijst uit dat tussen 1595 en 1829 circa 609.000 slaven door Nederlanders zijn vervoerd en dat moet voor een belangrijk deel met Amsterdamse schepen gebeurd zijn (Tijdschrift voor Economische en Sociale geschiedenis, 2012, nr. 1). De transatlantische slavenhandel heeft Nederland in de 17de en 18de eeuw tussen de 63 en 78 miljoen opgeleverd in toenmalige guldens. Dat is de ‘brutomarge’, het bedrag inclusief de extra opbrengsten voor scheepsbouw, scheepvaart en andere economisch activiteiten. Hoe lucratief de slavenhandel was, illustreert de reis van het slavenschip Leusden in 1727: de winst bedroeg ongeveer de helft van de kosten. Amsterdam had als het belangrijkste handelscentrum van het land in deze winsten een groot aandeel.
In Amsterdam bevond zich vele jaren het hoofdkwartier van de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie (WIC), eerst in het West-Indisch Huis aan de Herenmarkt, later in het West-Indisch pakhuis aan het ’s Gravenhekje. Vandaar uit werd de handel in slaven georganiseerd. Amsterdam drukte een belangrijk stempel op de WIC en maakte van 1684 tot 1791 zelfs deel uit van de Sociëteit van Suriname, de eigenaar van de gelijknamige kolonie, waar slaven op plantages onder mensonterende omstandigheden moesten werken. Zeker tot 1730 zijn met Amsterdamse schepen slaven over de Atlantische Oceaan getransporteerd en Amsterdams geld werd veelvuldig geïnvesteerd in Surinaamse slavenplantages. Bijna alle producten die daar werden verbouwd, vonden hun weg naar de Amsterdamse markt. Vooral enorme hoeveelheden met slavenarbeid gewonnen en verwerkte suiker werden jaren lang naar de stad vervoerd. Omstreeks het midden van de 18de eeuw telde Amsterdam zo’n 90 suikerraffinaderijen.

Poort van de vrijheid
Het Nationaal Monument Slavernijverleden in het Oosterpark was bij de onthulling enigszins omstreden. Als sinds 1993 wordt de afschaffing van de slavernij in de Nederlandse koloniën in de West jaarlijks herdacht op het Surinameplein en de organisatoren van die herdenking vonden het monument teveel een initiatief van de regering. De afgelopen tien jaar is de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen in Amsterdam dan ook altijd op twee plaatsen herdacht. Op 30 juni op het Surinameplein – sinds 2003 ook bij een monument: de Levensboom van Henry Renfurm – en op 1 juli in het Oosterpark.
De schepping van Erwin de Vries in het Oosterpark kreeg er in datzelfde jaar 2003 een ‘dynamisch deel’ bij met de opening van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis. Het NiNsee vond onderdak in nieuwbouw van de voormalige Muiderkerk in de Linnaeusstraat, schuin tegenover het Oosterpark. Daar wordt onderzoek gedaan naar het Nederlandse slavernijverleden en kan het publiek een vaste museale opstelling en exposities bezoeken. Het NiNsee dreigt met ingang van 1 januari volgend jaar te worden wegbezuinigd. Dat is bepaald navrant, want in 2013 wordt herdacht dat 150 jaar geleden, op 1 juli 1863, de slavernij in Suriname en op de Antillen werd afgeschaft.
Het slavernijmonument in het Oosterpark zelf is in ieder geval nagelvast en lijkt veel Amsterdammers een plaats van herdenking en bezinning te bieden waaraan ze behoefte hebben. Ook de nazaten van zwarte slaven die bij de onthulling op 1 juli 2002 op een afstand werden gehouden, maakten het beeld volgens Trouw al snel tot het hunne: “Om half vijf, als de koningin weg is, gevolgd door de politici en de muziekband, gaan de hekken open. Honderden Surinamers drommen zich naar voren, eerst rennend, daarna met opgeheven hoofd de politie passerend. Ze lopen in één lijn naar het inmiddels onthulde standbeeld: tien lange slaven, die naar de poort van de vrijheid lopen. Aan de andere kant van die boog een grote bronzen vrouw die met haar borst naar de hemel reikt. Haar armen ontketend in de lucht. De Surinamers raken zachtjes het beeld aan. Een zwarte dame pakt de microfoon van het podium. Ze begint droevig te zingen. Het regent zachtjes in het Oosterpark.”

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman



Powered by JReviews