Architect Alexander Bodon 1906 - 1993 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Mei 29, 2012    
5429   0   0   0   0   0

‘Functioneel kan open, warm en vriendelijk zijn’

Het lot was hem gunstig gezind. In de turbulente tijd na de Eerste Wereldoorlog kwam hij als jong ventje vanuit Hongarije in Nederland terecht. Hier voelde hij zich thuis en vond hij zijn bestemming in de architectuur. De RAI werd zijn levenswerk.

Als Alexander Bodon iets moois ontworpen had, excuseerde hij zich daarvoor. Dat was niet zijn bedoeling geweest. Mooi en lelijk, dat waren begrippen die in zijn visie helemaal niet thuishoorden in de architectuur. Die moest functioneel zijn, niet minder en zeker niet meer. Je hoeft maar te kijken naar het pand Weesperstaete bij metrostation Weesperplein, dat Bodon in 1971 bouwde voor een projectontwikkelaar, om te zien wat hij bedoelde. Er is geen enkele handreiking gedaan naar het esthetische genot (in de architectuurkritiek heet zoiets ‘helder geordend’). Het valt de Amsterdamse bevolking nauwelijks kwalijk te nemen dat het gebouw bekend is komen te staan als de Doodskist.
Weesperstaete – waar jaren achtereen de psychologiefaculteit van de Universiteit van Amsterdam huisde en nu een gemeentelijke dienst – is zelfs nog wat grimmiger uitgevallen dan Bodon aanvankelijk bedoelde. De van buitenaf praktisch ondoorzichtige gevel zou worden uitgevoerd in bronskleurig glas. Dat pakte echter duurder uit dan verwacht, zodat de keuze uiteindelijk viel op donkergrijs, zeg maar zwart. En dan te bedenken dat Bodon het gebouw aanvankelijk nog twee verdiepingen hoger wilde maken. Overigens kreeg het in 2005 een nieuwe, iets minder grimmige gevel, met doorzichtige ramen die open kunnen.

Het Rode Kruis
Bodon was Hongaar van origine. Van Oostenrijks-Hongaarse adel zelfs: hij heette eigenlijk Alexander von Bodon, maar gebruikte het von nooit. Hij werd op 6 september 1906 in Wenen geboren, verhuisde in zijn vroege kindertijd naar Boedapest en kreeg een tweetalige opvoeding. Zijn vader was binnenhuisarchitect en meubelontwerper en hing de jugendstilbeweging aan. Als piepjonge tiener zag Bodon van dichtbij de chaos in zijn land om zich heen grijpen. Eerst viel na de Eerste Wereldoorlog de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie uiteen en vervolgens maakte Hongarije enorme en vaak gewelddadige veranderingen door: van communistisch tot fascistisch in een paar maanden tijd.
Het Rode Kruis ontfermde zich over de kinderen in Boedapest. Voor hen werd een verblijf van een half jaar bij Nederlandse pleeggezinnen georganiseerd. Vader Karl von Bodon zat in het bestuur van het Hongaarse Rode Kruis en wist het zo te regelen dat Alexander op zo’n reis meekon, hoewel hij er eigenlijk iets te oud voor was. Mogelijk wilde hij op deze manier een tijdje verlost zijn van zijn puberende zoon. Het boterde nooit tussen vader en zoon.
Zo kwam Sandor, zoals hij toen nog werd genoemd, in Nederland terecht. Hij werd ondergebracht bij een kinderloos echtpaar in Voorburg, van wie de man stenograaf bij de Tweede Kamer was. Hij bleef er anderhalf jaar, een jaar langer dan eigenlijk de bedoeling was. Het paar ondernam zelfs vergeefse pogingen hem te adopteren. Waarschijnlijk is het niet overdreven te zeggen dat dit verblijf Bodon volkomen veranderde. Hij keerde weliswaar terug naar Boedapest om zich te bekwamen in meubelontwerpen en interieurarchitectuur, maar wist niet hoe snel hij weer naar Nederland af kon reizen.

Le Corbusier
Die gelegenheid kwam in 1926, toen hij een stage kreeg bij Jan Wils in Voorburg, de architect van het Olympisch Stadion. Wils (1891-1972) was lid van De Stijl en pleitbezorger van Frank Lloyd Wright in Nederland – vrienden noemden hem gekscherende ‘Frank Lloyd Wils’. De kennismaking met De Stijl, Van Doesburg, Mondriaan, Berlage overweldigde hem. “Het was of ik een nieuwe beschaving had ontdekt”, zou hij later zeggen.
Terug van zijn Nederlandse stage wachtte hem in Boedapest een teleurstelling. Zijn afstudeerproject over De Stijl ging zijn kunstnijverheidsopleiding te ver en hij moest het aanpassen. Zijn eerste banen waren bij enkele neobarokke architecten in Boedapest. Maar in 1929 vertrok hij met diploma op zak definitief naar Nederland – het plan om bij Le Corbusier in Frankrijk aan te kloppen, vond zijn vader te avontuurlijk. Al snel kreeg hij werk als chef-tekenaar bij de Haagse architect Jan Buijs, die ook wel “de architect van de SDAP” werd genoemd (hij bouwde onder meer de in 1973 gesloopte ‘Rode Burcht’ van de Arbeiderspers aan het Amsterdamse Hekelveld). Later werd hij ontwerper van stalen meubelen bij de befaamde firma Ahrend, die overigens geen enkel ontwerp in de collectie opnam.

De Nieuwe Kunstschool
Via Ahrend kwam Bodon aan zijn eerste belangrijke opdracht: de verbouwing en inrichting van boekhandel Schröder en Dupont aan de Keizersgracht in 1932. Het werd in elk opzicht een hypermoderne zaak. Niet langer zouden boeken van achter de toonbank worden verkocht, nee, de klanten konden zelf in de boekenkasten neuzen. IJle staalconstructies, veel glas en primaire Mondriaankleuren bepaalden de toon. Voor het publiek en een groot deel van de architectuurcritici ging het allemaal veel te ver. Kranten spraken over “ellendig vandalisme” en “schennis van de oude stad”. Maar de architectengroep De 8, bakermat van het Nieuwe Bouwen, vond het geweldig en nam Bodon enthousiast op in de gelederen. Tegenwoordig huist kunsthandel Borzo in het door Wiel Arets met respect voor Bodon opgeknapte pand.
Bodon werd ook docent interieurarchitectuur en later directeur van de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam, die in 1933 was opgericht naar voorbeeld van het Bauhaus (dat in Dessau had moeten sluiten op bevel van de Nazi’s). De vermaarde vormgever Benno Premsela was een van zijn leerlingen.
Vanaf 1934 tot aan de oorlog was Bodon chef de bureau bij het Amsterdamse architectenbureau Merkelbach en Karsten, voorlopers van het Nieuwe Bouwen. Hij was eind twintig en in de beginfase van een carrière die enigszins werd bemoeilijkt omdat zich als niet-Nederlander niet kon vestigen als zelfstandig architect. Zoals praktisch iedereen van enige betekenis in zijn architectengeneratie deed hij in 1936 mee aan de roemruchte prijsvraag voor een Amsterdams stadhuis. Hij deed dat met zijn vriend Willy La Croix, die hij als toekomstige compagnon zag maar in de Tweede Wereldoorlog zou omkomen. Hun ontwerp werd terzijde geschoven door de jury van behoudende architectuurbobo’s, maar de naar Amsterdam gehaalde ‘anti-jury’ van niemand minder dan Le Corbusier vond het bij de beste drie horen. Een fijne opsteker voor de indieners.

Geen woningbouw
Bodon had in 1939 de Nederlandse nationaliteit gekregen en kon na de oorlog een eigen architectenbureau opzetten aan de Heiligeweg. Aanvankelijk kreeg hij vooral interieuropdrachten, maar ook een aantal volkshuisvestingprojecten. In Amsterdam bijvoorbeeld in de Watergraafsmeer (rijtjeshuizen in de Fizeaubuurt, 1948) en enkele niet uitgevoerde ontwerpen elders in de stad. Typische wederopbouwarchitectuur, waaraan goed te zien is dat bouwend Nederland met handen en voeten gebonden was aan de Richtlijnen voor een sobere bouw die de overheid had opgesteld. De galerijflats met winkels aan het Confuciusplein in Slotermeer (ca. 1956-1958) worden beschouwd als nog enigszins geslaagd.
Bodon hield de woningbouw verder voor gezien. Het was allemaal “armoe troef”, zei hij tegen het eind van zijn leven in NRC Handelsblad. “Auto’s, vliegtuigen, ze worden allemaal steeds beter en mooier, maar in de woningbouw zit een verstikkende atmosfeer, er zit totaal geen ontwikkeling in.”
Zijn volgende stap was in 1954 het Rotterdamse architectenbureau DSBV (Drexhage, Sterkenburg, Bodon, Venstra). Ietwat provocerend presenteerde DSBV zich als ‘ingenieurs en architecten’, om te illustreren dat constructie en techniek op de eerste plaats kwamen. In de hoogtijdagen waren er bijna 200 medewerkers. Bodons oude bureau, waar tot dan toe hooguit vier mensen werkten, werd het flink grotere Amsterdamse filiaal. Van daaruit bouwde Bodon samen met zijn latere opvolger Jan Hendrik Ploeger bijvoorbeeld het Apollo Hotel in 1962, het “Amsterdamse antwoord op Hilton” (het Hilton Hotel van Huig Maaskant werd in hetzelfde jaar opgeleverd). In 1968 volgde het zestien verdiepingen tellende Esso Motor Hotel aan de Boelelaan, nu Holiday Inn. Twintig jaar later en inmiddels op hoge leeftijd, bewees Bodon dat hij ook op iets kleinere schaal uit de voeten kon, getuige het restaurant van John Halvemaan uit 1988, een kwart cirkel aan een vijver in Buitenveldert.

De RAI
Maar Bodon is toch vooral de architect van de RAI. Met de RAI vond hij eind jaren vijftig zijn draai. Dat hem met zo’n betrekkelijk bescheiden loopbaan een dergelijk groot project werd toevertrouwd, had alles te maken met de ruime ervaring die hij had opgedaan met het inrichten van tentoonstellingen en beurzen en winkelinterieurs voor bedrijven als Metz & Co en C&A. Al met al had hij zeker 40 projecten in die sfeer op zijn naam. De Jaarbeurs in Utrecht en ook tentoonstellingsgebouwen in andere Europese steden kende hij als zijn broekzak. Hij wist vooral wat er aan mankeerde en hoe gevoelig de verkeerssituatie eromheen was.
[binnenkader geintegreerd in de kolom: rastertje en kaderletter, misschien vet?]
De Rijwiel- en Automobiel Industrie Vereniging had vanaf 1922 een tentoonstellingsgebouw aan de Ferdinand Bolstraat. In de jaren vijftig ontstond behoefte aan een nieuw, veel groter multifunctioneel evenementencomplex, mede gedragen door de gemeente. In 1958 werd de aftrap gegeven voor het project en drie jaar later al werd het eerste deel opgeleverd: de Europahal en aanpalende gebouwen. De opening van dit ook naar internationale maatstaven enorme complex was een grootse gebeurtenis: de dagbladen wijdden er speciale bijlagen aan. De Europahal met zijn parabolische spanten van 67,50 meter, lengte van 195 meter en hoogte van 16,50 meter was een mooie markering van het moment dat Nederland fier een punt zette achter de wederopbouwtijd.
[einde kader]
De RAI werd zijn levenswerk. Tot ver na zijn pensioengerechtigde leeftijd kwam hij vrijwel dagelijks op het DSBV-bouwbureau in het RAI-complex. Hij bouwde een uitbreiding in 1963, het congrescentrum in 1965 (zijn tweede echtgenote Titia en goede vriend Hein Salomonson tekenden voor het interieur), de Amstelhal in 1969 en nog drie hallen aan de zuidkant in 1982. Bodon was toen al 75 en geridderd. Hij was onverbloemd trots op zijn RAI: “Ik denk dat ik ermee bewezen heb dat functionele architectuur open, warm en vriendelijk kan zijn.” Op zijn 80ste verleende hij nog hand- en spandiensten aan de zoveelste uitbreiding, Hal 11. Een paar maanden vóór de oplevering overleed hij, op 22 januari 1993.

Tekst: Sjaak Priester

Powered by JReviews