Invloeden op het Amsterdams 3: Duits en Bargoens Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     December 07, 2010    
6100   0   0   0   0   0

Duitsers waren eeuwenlang grootste groep immigranten

Over de invloed van het Zuidnederlands en het Jiddisch op het Amsterdams en indirect het ‘ABN’ zijn dikke boeken en duizenden artikelen geschreven. De invloed van het Duits krijgt daarentegen verbazend weinig aandacht. Ook onderbelicht is de geweldige omvang van de eeuwenlange immigratiestroom vanuit het gebied dat nu Duitsland heet. De Duitse woorden drongen deels door via het Bargoens, de 'dieventaal'.

Over de invloed van de Zuid-Nederlanders en de joden op de Amsterdamse economie en cultuur (waaronder de taal) is onnoemlijk veel geschreven, al heeft dat in het geval van de eersten er nog steeds niet toe geleid dat hun taalkundige invloed op specifiek het plat-Amsterdams precies kan worden aangewezen. De grote aandacht van historici voor beide migrantengroepen is overigens zeer verklaarbaar en gerechtvaardigd, want in beide gevallen gaat het om een geweldige invasie van ‘vreemdelingen’ in een betrekkelijk korte periode aan het eind van de 16de en het begin van de 17de eeuw.
De meesten vluchtten hierheen als gevolg van politieke omstandigheden: de interne machtsstrijd in Spanje en Frankrijk, de Tachtigjarige Oorlog in de Nederlanden en de Dertigjarige Oorlog in het versnipperde Duitse Rijk, waarin de vervolging van protestanten en joden een belangrijke rol speelde. Het religieuze motief wordt overigens weleens overdreven. Minstens zo belangrijk was de slechte economische omstandigheden in het door oorlogsgeweld en andere onrust geteisterde herkomstgebied.
De nogal plotselinge stroom van zuiderlingen en joden (ingezet met de val van Antwerpen in 1585) veroorzaakte een cultuurschok in Amsterdam, die lang doorklonk in de geschiedschrijving. Aan het eind van de 17de eeuw volgde nog een opvallend golfje, al was dat veel kleiner: de komst van de hugenoten (Franse calvinisten), naar het noorden gevlucht nadat koning Lodewijk XIV in 1685 een eind maakte aan de geloofsvrijheid in zijn land. Op het plat-Amsterdams lijken zij overigens weinig invloed gehad te hebben: daar waren ze in doorsnee te chic en intellectueel voor.

Duitse migranten
Geleidelijke processen vallen de tijdgenoot doorgaans veel minder op. En dat zal wel de reden zijn waarom er in de geschiedschrijving van Amsterdam zo weinig aandacht is gegeven aan het feit dat de allergrootste groep immigranten in Amsterdam van de 16de tot en met de 19de eeuw onmiskenbaar bestond uit Duitsers. Hoe belangrijk de Duitse gemeenschap in Amsterdam al vroeg in de 17de eeuw was, blijkt wel uit het feit dat het calvinistische stadsbestuur in 1631 de bouw toestond van een grote Lutherse Kerk aan het Spui, in 1671 gevolgd door de Ronde Lutherse Kerk (nu Renaissance Hotel) aan het Singel. Daar kerkten vooral Duitse immigranten en tot ver in de 17de eeuw werd er in het Duits gepreekt; de tweede generatie had daar echter geen behoefte meer aan.
Een eenzame pionier in het onderzoek naar de Duitse migranten was dr. Simon Hart (1911-1981), die na de Mulo in 1929 als voluntair ging werken bij het bij het Amsterdamse Gemeentearchief en er 47 jaar later vertrok als gemeentearchivaris. Als eerste ging hij nuchter tellen: vanaf de jaren vijftig maakte hij, samen met studenten, een kaartsysteem van alle buitenlandse herkomstplaatsten van niet-Amsterdamse huwelijkspartners in de Amsterdamse ondertrouwregisters tot 1811. Van zijn lang verontachtzaamde onderzoeksresultaten maken moderne migratie-historici nu dankbaar gebruik. Natuurlijk moeten deze cijfers met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd, want ze gaan alleen over huwenden, terwijl ook heel wat immigranten nooit trouwden of nog ongetrouwd terugkeerden naar hun herkomstgebied of naar een ander land doorreisden. Toch geven ze een stevige indicatie.
En wat blijkt? Ten eerste kwamen over deze hele periode bezien de meeste immigranten niet uit het buitenland, maar uit de rest van de Nederlandse Republiek. Alleen in het begin van de 17de eeuw waren de meeste nieuwkomers echte buitenlanders. Rond 1600 vormden de Zuid-Nederlanders de grootste groep buitenlanders in Amsterdam, maar na 1625 namen de Duitsers de koppositie over en stonden die niet meer af. Omstreeks dat jaar kwam zelfs 62% van de in Amsterdam huwende buitenlanders uit het Duitse Rijk; na 1650 werd dat ongeveer 50% en eeuwenlang bleef dat zo. Het aantal Scandinaviërs mocht er overigens ook wezen, na 1650, maar over hun taalkundige invloed is nog veel minder geschreven dan over die van de Duitsers.
Anders dan de Zuid-Nederlander, ‘Portugese’ (sefardische) joden en Franse hugenoten, die merendeels tot de maatschappelijke bovenlaag behoorden, waren de Duitse immigranten niet onder een hoedje te vangen. Ze beoefenden zowel prestigieuze beroepen en eerzame ambachten (zoals arts, drukker, smid of hoedenmaker), als de rotbaantjes waar de autochtone Amsterdammers niet veel zin in hadden, zoals werker op een moddermolen, metselaar of VOC-soldaat. In sommige beroepen waren ze wel zeer sterk vertegenwoordigd. In de 17de eeuw bestond bijvoorbeeld 49% van de Amsterdamse opperlieden uit Duitsers. Voor wie het bouwvak niet goed kent: dat klinkt hoger dan het is. Een opperman is een bouwvakker die de hele dag over ladders heen en weer loopt om stenen aan te dragen voor de metselaars: typisch een ongeschoold beroep.
Nog dominanter (55%) waren de Duitsers in het droogscheerdersvak, een onderdeel van de lakenbereiding. In 1657 klaagden Hollandse lakenbereiders dat in Amsterdam de doorgaans Duitse droogscheerders bij de verdeling van klussen altijd landgenoten voortrokken. De vaste plek waar bazen de mannen uitkozen voor dit werk was overigens de Oudebrug (Damrak), die in de wandeling dan ook Moffenbrug heette. Ook in het kleermakers- en bakkersvak waren de Duitsers zeer sterk vertegenwoordigd. In de 19de eeuw hadden ze dat laatste beroep zelfs zo ongeveer gemonopoliseerd. Bakkersgezellen werden steevast uit Duitsland gehaald; daar kwam geen Hollander meer tussen.
Aanvankelijk kwamen de meeste Duitsers uit het Noord-Westen van het huidige Duitsland, vooral Nord-Friesland. Later werd Munsterland (in Noordrijn-Westfalen, ten oosten van onze Achterhoek) een even belangrijk Duits herkomstgebied. Heel wat Westfalers waren westwaarts getrokken als ‘hannekemaaiers’, losse arbeiders die in de hooitijd naar de Nederlanden trokken om gras te maaien. Soms belandden ze in de grote stad en werden daar net zo makkelijk bouwvakker of matroos. Marskramers wilden vooral in de 19de eeuw nogal eens blijven hangen als kleermaker. Sommigen werden eind 19de eeuw zelfs confectiefabrikant of grootwinkelier: denk aan namen als Brenninkmeijer, Gerzon, Lampe, Dreesmann, Peek en Cloppenburg. Na 1870 waren dat vooral katholieken en joden, want in het Duitse Rijk van Bismarck werden die gediscrimineerd.
Een opmerkelijke groep waren ook de Westwalders: omdat er in hun eigen streek bij Koblenz te weinig te verdienen viel, trokken die eeuwenlang jaarlijks naar Holland als ‘omlopers in Keulse potten’. Meestal kwamen ze in maart en vertrokken in oktober, maar steeds meer Westwalders bleven in Amsterdam hangen, samenklittend op het Roeterseiland. Onder hen waren opvallend veel vrouwen: ‘pottentrienen’ werden ze genoemd. Een nog veel grotere categorie ‘Moffinnen’ vormden de Duitse dienstbodes die in de 19de eeuw zeer in trek kwamen bij deftige Amsterdamse families vanwege hun ijver en ‘Sauberkeit’.

Taal ‘van onderop’
Ook al speelden de Duitsers elkaar in hun beroepsleven graag de bal toe, vergeleken met bijvoorbeeld Vlamingen en Noren integreerden ze verrassend snel. In de 17de eeuw trouwden ze al opmerkelijk vaak met autochtone Amsterdamsen. Gezien hun grote aantal en die snelle inburgering ligt het zeer voor de hand dat het Duits sinds zeker de 16de eeuw behoorlijke invloed heeft gehad op het Nederlands en op het Amsterdams – nog afgezien van het feit dat beide talen een gemeenschappelijke oorsprong hebben.
Toch is daarover vrijwel niets te vinden in de boekjes die Jo Daan (1948), Henriëtte Schatz (1987) en Jan Berns (1993, 2002) van het Meertens-Instituut over het Amsterdamse dialect schreven. Berns’ ogen zijn inmiddels echter geopend door de Amerikaans-Nederlandse onderzoekster Jennifer Boyce Hendriks, die in 1998 het proefschrift Immigration and linguistic change schreef. Zij zet zich af tegen het hardnekkige idee dat de invloed van het Duits op het Nederlands (en taalverandering in het algemeen) vooral ‘van bovenaf’ plaatsvond, met name via Duitse reformatorische geschriften en de - Duitse beïnvloedde - Statenbijbel uit 1637. Op grond van informele familiecorrespondentie van Duitse immigranten in Holland laat ze zien dat bepaalde Duitse taalelementen al veel eerder in het gewone Hollands terechtkwamen, kennelijk via mondeling contact. Maar haar belangrijkste voorbeeld (het gebruik van zich in plaats van het oude hem of haer, dan hemzelf en haerzelf) zien we nou juist niet terug in het plat-Amsterdams: daarin is z’n eige de favoriete vorm. Toch geeft Hendriks ook een voorbeeld van Duitse invloed op het plat-Amsterdams, te weten de uitspraak de v als f: bijvoorbeeld feertig. En ook de z als s: ‘Ik heb de son in de see sien sakke.’ Jan Berns vermoedt bovendien dat de Amsterdamse uitspraak van ‘aa’ als ‘oa’ (‘Laup noar de moan’) hier niet door Zuid-Nederlanders maar door Duitsers is geïntroduceerd.
Het ligt voor de hand dat er ook veel Duitse woorden rechtstreeks in het Amsterdams terechtkwamen, maar het is niet eenvoudig daarvan goede voorbeelden te vinden. In haar heerlijke Leenwoordenboek (1996) noemt Nicoline van der Sijs wel oorspronkelijk Duitse woorden die voor het eerst in de 17de en 18de eeuw in Nederlandse teksten terechtkwamen, maar typisch Amsterdams zijn die zeker niet: armzalig, arts, bullebak, eigenzinnig, gaarkeuken, geheim, hitsig, kachel, oproer, rakker, spitsvondig, talrijk. Dat kan overigens aan Van der Sijs’ selectie liggen, omdat ze in haar voorwoord aangeeft in dit boek dialecten buiten beschouwing te willen laten.

De plat-Amsterdamse woorden die wel in diverse boekjes worden genoemd, zijn volgens de schrijvers steevast afkomstig uit het Jiddisch (zie ons januarinummer) en/of het Bargoens. Het Bargoens is de steeds veranderende geheimtaal van ‘marginalen’ die er belang bij hebben dat niet al te duidelijk is waarover ze het hebben: grote en kleine criminelen en mensen met discutabele handeltjes. Een complete taal is het niet: meer een voor buitenstaanders onbegrijpelijk vocabulaire, met woorden geleend uit andere talen of met een andere betekenis dan gewoonlijk. Veel Bargoense woorden ‘lekten uit’ naar de volkstaal en soms zelfs in het ABN en werden dan onbruikbaar als geheimtaal. Niet verwonderlijk hebben veel Bargoense woorden met handel of met politie en justitie te maken: poen, moos, heitje, piek, gappen, jatten, smeris, kip, juut, rus, stille, gajes, bajes, lik, nor. Het merendeel is geleend uit het Jiddisch, maar er zitten ook woorden bij die rechtstreeks uit het Duits zijn geleend, of uit de Duitse 'dieventaal' (het Rotwelsch) of via het Rotwelsch uit het Hoog- of Nederduits. Dat geldt bijvoorbeeld voor lik (in het Rotwelsch Leck, van het Duitse Loch dat gat, krocht of kerker betekent. Een ander voorbeeld is lapzwans: van het Duitse läppisch (slap) en Schwanz (staart, penis).
Maar bereikten die woorden de Kattenburgers of Jordanezen echt pas via de Jodenhoek of het ‘dievengilde’? Of hoorden de Amsterdammers ze toch rechtstreeks van een Duitse collega-sjouwer of bij de bakker? Daarover is het laatste woord vast nog niet gesproken.

Tekst: Peter-Paul de Baar
Februari 2009

Powered by JReviews