Robbert Dijkgraaf Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Maart 20, 2012    
4657   0   0   0   0   0

Als eerste iets écht begrijpen, dat is geweldig.

Het is een leuk toeval: het grachtenhuis waarin ‘wetenschapspromotor’ Robbert Dijkgraaf sinds 1994 woont, stamt uit het jaar dat de Universiteit van Amsterdam werd opgericht (1632). Van hier voert zijn weg naar “de mooiste werkkamer van Nederland” in het Trippenhuis, met beschilderd plafond en echte pluche stoelen. “Daar zit ik dan na te denken.”

Er is véél leuks aan zijn huis, vindt Dijkgraaf. Bijvoorbeeld dat de geschiedenis zo goed is gedocumenteerd. Zo weet hij dat toen de Herengracht nog een klein slootje was het hoekhuis met zijn gezicht naar de Korsjespoortsteeg stond. Tot de grachtenuitleg. “Toen werd het van het slechtste opeens het beste huis van de steeg, het hoefde alleen nog een kwartslag gedraaid te worden.” Er kwam een nieuw pand en dat stond opeens heel sjiek aan de Herengracht (77).
In de grachtengordel hebben hoekhuizen vaak een ander karakter, zo is Dijkgraaf opgevallen. Er zitten bijvoorbeeld vaak kroegen in en ze maken deel uit van twee werelden. “Als wiskundige denk ik in coördinaten. De grachten zijn de ene coördinaat en de steegjes de andere. Dat zijn compleet verschillende levens en als je in een hoekhuis woont, heb je beide.” Zo zag hij in de tijd dat de Korsjespoortsteeg nog een ‘warme’ steeg was, mensen schrikken als ze vanaf de statige gracht opeens tussen de rode lichtjes liepen. Maar omgekeerd was de schok soms nog groter, schatert Dijkgraaf. “Dan stonden ze vanuit die donkere steeg opeens aan de gracht en dan zag je ze rondkijken: Waar zijn de rode lampjes gebleven? Het was een enorme teleurstelling dat ze opeens op die prachtige gracht stonden.”
Zo’n hoekhuis heeft ook nadelen, zo bracht een ‘natuurkundig experiment’ aan het licht: als je aan de voorkant op de uitkijk staat, zie je niet noodzakelijkerwijs dat er iemand uit de steeg aankomt. Althans, een van Dijkgraafs zoontjes zag dat niet toen papa een enorme waterballon uit het raam kieperde. “Ik riep nog: ‘Komt er echt niemand aan?’ Nee hoor. Behalve dan een type zware jongen, dat vanuit de steeg opdook. “Ik zie die ballon nóg in slowmotion naar beneden vallen. Het was echt zo’n jongen waar je geen ruzie mee wilt hebben. Gelukkig was hij te verbouwereerd.”

Kritische noot
Overigens waren de prostituees nogal gek met de jonge Dijkgraafjes. Toen Dijkgraafs dochtertje een keer haar knie had bezeerd en er binnen een pleister gehaald moest worden, werd er voortvarend opgetreden “Wij kwamen terug en toen zat ze al achter het raam op een kruk, met een mooie pleister op haar knie.” En wat te denken van dat verjaardagscadeautje voor een van zijn zoontjes: een takelwagen met grote uitschuifbare (!) hefkraan. “Ja”, schatert Dijkgraaf, “dat was voer voor psychologen.” Maar met het Wallenbeleid van Lodewijk Asscher zijn de dames grotendeels verdwenen.
We verruilen de Herengracht voor de Oude Leliestraat en alras krijgen we Multatuli in het vizier. Het standbeeld doet het goed op de Torensluis, maar eigenlijk, vindt Dijkgraaf, had het in ‘zijn’ Korsjespoortsteeg moeten staan. “Daar is hij geboren, drie huizen naast ons huis. Het is leuk als je met die wetenschap Woutertje Pieterse leest. Ons huis heeft bijvoorbeeld een achterhuisje, waar nu iemand alleen woont. Destijds zat er een gezin met vier of vijf kinderen.”
Met straffe pas nemen we het Singel tot aan de Heisteeg, waarachter het Spui opdoemt. “Geen slechte woon-werkroute, hè”, glundert Dijkgraaf. Bij het Maagdenhuis blikken we naar de ramen waarachter hij als universiteitshoogleraar zijn werkkamer heeft. Ooit zag hij een foto van de Nationale Handelsbank, die in de jaren vijftig in het pand huisde, waarop het personeel verveeld over de kleine bureautjes in de grote marmeren hal hangt. “Een soort Debiteuren Crediteuren, zo’n sfeer hangt er nog steeds een beetje.”
De plek noopt ook tot een kritische noot, want Dijkgraaf maakt zich zorgen over onderwijs en onderzoek in Nederland. “Tot voor kort waren we op wetenschappelijk gebied het achtste land. Nu is China ons voorbijgestreefd. We hoorden ook tot de topdrie van kennislanden, maar we zakken. Dat mag wel wat meer aandacht hebben.”
We steken het Rokin over en naderen via de Langebrugsteeg de Oudemanhuispoort, waar je de “wetenschappelijke geschiedenis van de stad proeft.” Hier wil Dijkgraaf even een pijnpuntje aansnijden: de behuizing van de bèta’s. Want híj geeft hier helaas geen college. “Het zijn natuurlijk weer de rechtenstudenten, die hebben altijd het mooiste plekje. Dat is in Leiden ook zo. De gedachte bestaat dat de geesteswetenschappen in de binnenstad moeten zitten, die moeten cultuur om zich heen hebben, met een zwarte coltrui aan diepe gesprekken voeren in de kroeg. Wij kunnen met onze labjassen aan net zo goed in de polder zitten meten.”

Creatieve wetenschap
Maar als president van de Koninklijke Academie der Wetenschappen (KNAW) heeft Dijkgraaf weinig te klagen, constateren we even later voor het pronkerige stadspaleis van de gebroeders Trip op de Kloveniersburgwal, waarin de academie is gehuisvest. “Buitenlandse wetenschappers denken vaak dat je voor dit soort panden in Oxford of Cambridge moet zijn. Maar wij hebben ook prachtige gebouwen, waar in dit geval al 200 jaar wetenschapsgeschiedenis ligt.”
Dijkgraaf – die ook enkele jaren de Rietveld Academie heeft gedaan – mag als president graag de creativiteit van de wetenschap belichten. Zeker in het huidige politieke klimaat lijken de kunsten kwetsbaarder dan de goedgeorganiseerde wetenschappen, maar ook daar is het oppassen, want alles wordt tegenwoordig gemeten. “Ik word gemeten naar hoeveel artikelen ik schrijf. Terwijl dat eigenlijk geen echte betekenis heeft. Want onderwijs en wetenschap gaan juist over intuïtie en creativiteit. Dat moeten we niet kwijtraken.”
Hij is niet in de wetenschap doorgegaan, Als onderzoeker ben je een soort kunstenaar zegt hij, omdat het er zo goed geregeld is, maar vanwege zijn passie ervoor. “. Je begint ’s ochtends met een leeg vel papier voor je en dan moet je maar iets slims gaan bedenken, net als een schilder met een leeg doek. In beide gevallen is het heel moeilijk iets toe te voegen aan wat eerder is gedaan en dat toch aanspreekt. Maar als dat dan lukt…”
Een keer of vier is het hem overkomen. “Dat korte moment dat je de enige bent die iets écht begrijpt. Dat is geweldig. Je staat als eerste op die bergtop en ziet een heel nieuw landschap. Het leuke in mijn vakgebied is dat iedereen er vervolgens aan gaat werken. Je hebt een ‘Eerste van Beethoven’, en dan een Tweede, maar een ‘Tweede van Dijkgraaf’ bestaat niet, die draagt dan een andere naam. Er is nog een wonderlijke hoeveelheid te weten en te begrijpen van de wereld. Het meest wonderlijke, heeft Einstein eens gezegd, is dat die wereld ook te begrijpen ís. Dat gaat stapje voor stapje, maar daar onderdeel van te kunnen zijn, is iets geweldigs.”


Robbert Dijkgraaf (1960) is wis- en natuurkundige. Hij werkte onder meer aan de Princeton University (VS) en bekleedt sinds 1992 de leerstoel mathematische fysica aan de UvA. Zijn onderzoeksterrein beslaat de snaartheorie, de kwantumzwaartekracht en het grensgebied van wiskunde en deeltjesfysica, waarvoor hij in 2003 de Spinozapremie ontving. Sinds 1 mei 2008 is hij president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Op 1 juli 2012 wordt hij directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.

Tekst: Marcella van der Weg

Februari 2012

Powered by JReviews