Willem Drees en de vroege jaren van het Amsterdamse korfbal Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     Juli 10, 2011    
4778   0   0   0   0   0

Dossiers

Thema

De enige officieel erkende sport die bij ons weten in Amsterdam is 'uitgevonden' is het korfbal. Onderwijzer Nico Broekhuyzen bedacht het in 1902. Nou ja, bedacht? Het was eigenlijk een variant op 'ringboll', een soort spel voor de gymnastiekles waarmee Broekhuysen in Zweden had kennisgemaakt. Niet de minsten speelden korfbal. Zoals de latere socialistische staatsman Willem Drees (1886-1986).

[Ilustratie: Het DEOS-team in juli 1910. Met bal (en snor) Willem Drees (24). Links naast hem zijn verloofde]

[Fragment uit: Peter-Paul de Baar, 'De alleramsterdamste sport. Korfbal, spel voor het hele gezin', in: Ons Amsterdam juli/augustus 1992:].

Door zijn oorsprong in de kring van vooruitstre¬vende onderwijzers had (en hield) korfbal een grote aantrekkingskracht op wereldverbeteraars als de jonge Willem Drees (1886-1986), de latere minis¬ter-president.
Na zijn eindexamen in 1903 aan de Openbare Handelsschool op het Raamplein, was hij met tegenzin employé van de Twentsche Bank geworden. Zijn ware liefde lag bij het socialisme en de stenografie. Die hypermoderne kunst van het 'kortschrift' leerde hij van niemand minder dan A.W. Groote (1859-1944), de 'uitvinder' van de Nederlandse versie. Een andere steno-fan van het eerste uur was korfbal-grondlegger Nico Broekhuysen. onderwijzer bij de Nieuw Schoolvereeniging in de Jan Luijkenstraat, nu beter bekend als de Cornelis Vrijschool. Ongetwijfeld via hem heeft Drees het korfbal ontdekt.

In 1905 richtte Drees de korfbalclub DOS op: Door Oefening Sterker. "Dat was," vertelde Drees in een interview1, "op aanraden van een dokter, die vond dat ik wat gezondheid moest zoeken in lichaams¬beweging. En ik ben nogal geneigd om zelf wat op te richten en zo is die vereniging ontstaan. Een heel curieuze club, met voornamelijk familie en kennis¬sen. Mijn zuster was er lid van, mijn latere vrouw eveneens."
Omdat hij eigenlijk nog bar weinig van zijn nieuwe sport wist, schreef Drees eind 1902 een brief aan Broekhuysen met het verzoek om inlichttingen. Zoon Jan Drees bezit nog altijd de brief - in steno - die Broekhuysen terugschreef. Opvallend is dat hij zich daarin, anders dan in latere geschriften, niet betitelt als uitvinder maar als "importeur van het korfbalspel".
Helaas voor Drees raakte hij, door de democratie die hijzelf propageerde, al snel de feitelijke macht in de club kwijt. En zo kon het gebeuren dat de bevoegde DOS-functionaris in 1909 Drees' verloofde Catharina Hent opstelde in het eerste elftal en Willem in het tweede. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. En omdat protest niet hielp, scheidden Drees en zijn getrouwen zich resoluut van DOS af en richtten weer een nieuwe club op. Gezien de

ontstaansgeschiedenis was de naam daarvan, DEOS, wel wat gewaagd, want die betekende: Door Eendrachtige Oefening Sterker. Kennelijk was ook hier de eendracht niet sterk genoeg, want al na een paar jaar viel DEOS uiteen.

Speeltuinclubs verdringen schoolclubs
Niet alle korfballers behoorden overigens tot het progressieve deel van Nederland. De nog steeds prominente club Allen Weerbaar bijvoorbeeld, opgericht in 1909, kwam voort uit de Vereeniging Volksweerbaarheid, die zich ten doel stelde de mili¬taire weerbaarheid van ons volk te verhogen. Maar kennelijk verloor Allen Weerbaar al snel haar rechtse imago, want volgens Jan Drees gingen bij de opheffing van zijn vaders club DEOS de meeste spelers juist naar die club over.
Ook het protestants-christelijke volksdeel ontdekte de korfbalsport. Vooral het 'gemeenschaps¬ideaal' - het tegengestelde van de elders heer¬sende 'sportverdwazing' - sprak de protestanten aan. Voor de katholieken bleek het gemengde karakter een onoverkomelijk bezwaar.
Voor de Eerste Wereldoorlog werd gespeeld op het terrein aan de Eerste Constantijn Huygens-straat, naast het oude Pesthuis. Om onduidelijke redenen heette dat het 'Aapjesland'. De velden lagen ongeveer op de plek waar nu het Jan Swammerdam-lnstituut staat [stond-red. 2011], tegenover de Bosboom-Toussaintstraat en de Derde Helmersstraat. De gemeente had dat terrein in 1903 ter beschikking gesteld van de ABLO. Maar in 1914 werd het gevorderd voor de opvang van Belgische vluchtelingen. Als compensatie kreeg de ABLO in 1915 een nieuw terrein aan de Plantage Parklaan, waar voorheen de Parkschouwburg had gestaan. Heel wat korfbalclubs hebben hier gespeeld. Het bestaat nog steeds, al is het nu het domein van korfbalclub Swift, in 1918 opgericht als onderafdeling van de Oosterspeeltuin in de Czaar Peterstraat.
Swift was bepaald niet de enige korfbalclub die voortkwam uit een speeltuinvereniging. Van 1917 (toen Westerkwartier werd opgericht vanuit de speeltuinvereniging op het Van Beuningenplein) tot eind jaren twintig is er sprake van een ware hausse. Na de in 1900 door U.J. Klaren opgerichte Oosterspeeltuin sprak men al snel van een Speeltuinbeweging. Eerder bestonden er wel speeltuinen, maar die waren opgezet door filantropische rijkelui. Nu namen bewoners van arbeidersbuurten zelf het heft in handen.

Aanvankelijk waren de speeltuinen alleen voor jonge kinderen bedoeld, maar dat veranderde doordat jongens en meisjes wat langer dan voorheen mochten 'doorleren' en door de arbeidstijdverkorting. Ook kinderen boven de twaalf moesten voortaan 'van de straat worden gehouden' en dat lukte echt niet met schommels en wippen. Korfbal was een uitkomst.
De verhouding tussen de oude schoolclubs als DEV en DTV en de nieuwe speeltuinclubs had in de jaren twintig en dertig wel iets van een beschaafde klassenstrijd. De laatsten vonden de schoolclubs vreselijk elitair en die vonden op hun beurt de speeltuinkorfballers ergerlijke rouwdouwers, die de oude idealen verkwanselden door de tegenstander zoveel mogelijk te hinderen en de basl nietnetjes via-via-via naar voren speelden, maar met harde lange-afstandsschoten zo snel mogelijk probeerde te scoren.

Powered by JReviews