Hier gebeurde het... Het IJ, begin mei 1573 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 23, 2010    
1608   0   0   0   0   0

Goed plan faalde door zuinigheid

De Spaanse vloot mocht er niet door. Dat was de opzet van de Geuzen van het Noorderkwartier die begin mei 1573 ter hoogte Schellingwoude minstens zestien scheepswrakken lieten zinken in het IJ. We hebben het over de beginjaren van de Nederlandse Opstand tegen Spanje, vlak na de inname van Den Briel. Amsterdam was in Spaanse handen. De Geuzen blokkeerden de uitgang van het IJ met hun schepen op de Zuiderzee.

De opstandelingen hadden al eerder – in oktober 1572 – een versperring tegen de Spanjaarden aangebracht in het IJ, maar die was door de vijand gewoon weer opgeruimd. Daarom deden ze in mei van het volgende jaar een nieuwe poging op dezelfde plaats, iets ten westen van Schellingwoude. De Hoornse kroniekschrijver Theodorus Velius noteert de overwegingen: “De mening was die van Amsterdam hierdoor volkomen van de zee af te snijden en als zij niet uit konden varen, zou onze vloot niet zo groot hoeven te zijn en daarmee zou men veel onkosten, moeiten en bezwaren voorkomen en behoeden.”
De meeste scheepswrakken werden geleverd door Hoorn, de rest kwam uit Medemblik, Enkhuizen, Edam en Monnikendam. Het was voor de goede zaak, maar de eigenaars kregen er evengoed een bedragje voor. Hoe de schepen tot zinken werden gebracht, vertelt Velius ook: “Zij werden eensdeels gevuld met zand, eensdeels met grote klompen steen, die men voor dat doel uit kloosters en torens in Waterland liet breken.” Bronnenonderzoek van H.M. de Frémery in het Jaarboek Amstelodamum van 1925 heeft uitgewezen dat het vooral ging om zerken en steenklompen die afkomstig waren uit de kerk van Schellingwoude.
Het was één van de manoeuvres in een oorlog die al een jaar woedde in het natte land boven Amsterdam. In mei 1572 had Enkhuizen in navolging van Den Briel de kant van de Geuzen en Willem van Oranje gekozen. Sindsdien wisten de opstandelingen een flink deel van het Noorderkwartier in hun invloedssfeer te brengen, maar Amsterdam bleef in Spaanse handen. Haarlem werd tot de zomer van 1573 door Spaanse troepen belegerd. De Geuzen berokkenden de Amsterdamse economie door hun blokkade veel schade. De handel lag stil en het tekort aan levensmiddelen groeide, in een stad die volgepropt zat met oorlogsvluchtelingen.

Geen beletsel voor Spanjaarden
Begin september 1573 brak het uur van de waarheid aan. De Spaanse landvoogd Alva verbleef persoonlijk in Amsterdam en zag toe op de samenstelling van een vloot om de Geuzen te verdrijven uit de Zuiderzee. Het waren minstens twintig en volgens sommige berichtgevers zelfs wel dertig schepen, zwaar bewapend en ruim voorzien van ervaren bemanning. De Spaanse bevelhebber Boussu – beter bekend als Bossu – ging op 12 september zelf aan boord en nam de leiding op zich. De vloot zette volgens Velius triomfantelijk koers naar de wrakken in het IJ. Daar aangekomen moesten de schepen stilhouden, precies zoals de opstandelingen al hadden gehoopt. Het water stond die dag zo laag dat de wrakken een onoverkomelijke barrière vormden.
Tot schrik van de Geuzen trok de wind de volgende dag echter aan en werd er daardoor meer water in het IJ geblazen. De Spanjaarden “kwamen er doorheen, zonder enig hinder en beletsel, eerst met dertien grote schepen, daarna met de rest van hun vloot, tegen de verwachting van ons volk, dat niet vermoedde dat de stroom de gezonken schepen zo verdreven had”, aldus Velius, die het zelf ook liever anders had gezien.
Volgens hem was het plan goed geweest. “Maar de zaak werd door onervarenheid niet terdege toegeleid, want de schepen werden of niet gelijktijdig neergezonken of de ballast was in sommige te licht, zodat ze door de stroom van hun plaats dreven.” Het was niet vakkundig aangepakt. De geschiedschrijver Pieter Bor tekende in zijn grote werk Oorsprongk, begin en vervolg der Nederlantscher oorlogen uit 1617 nog aan dat “de magistraten van het Noorderkwartier (…) weinig kosten aan de zinkingen en hadden willen hangen.” Men had het op een koopje willen doen en dat was niet genoeg geweest.
Terwijl de Spaanse vloot die dag gewoon over de wrakken in het IJ heen zeilde, stonden de Geuzen op de wal ter hoogte van de Schellingwouder Schans en keken ernaar. Wat nu? Was het verstandig om de vijand zo snel mogelijk tegemoet te varen en de confrontatie aan te gaan? Of was het beter af te wachten en slag te leveren in open zee? Ze kozen voor het laatste.

Optakelen kostte veel geld
Intussen begonnen de Spaanse schepen de Schans te beschieten en gewapend zeevolk aan land te zetten. Tegelijkertijd rukten landtroepen vanuit Amsterdam langs de kust richting Waterland. Ze veroverden de Schans van Schellingwoude en trokken de rest van de maand verder om de dijken in Waterland te bezetten.
Even dreigde het voor de opstandelingen helemaal verkeerd af te lopen. Een slecht voorteken was dat een aantal wrakken begin oktober spontaan naar boven kwam drijven. Dat weten we het uit het dagboek van de naar Amsterdam gevluchte kloosterling Wouter Jacobsz, die daar niet rouwig om was: “Hoewel ze die schepen verzwaard en afgezonken hadden, toch hebben ze nochtans die van Amsterdam daarmee niet kunnen krenken. Die schepen zijn naar boven komen alsof ze los waren gemaakt en ze zijn weggedreven (…). Des Heren werken zijn wonderlijk, wij behoren die werken tot Zijn glorie overal te verkondigen.”
Uiteindelijk kwam het voor de Geuzen toch nog goed. Toen op 11 oktober 1573 tussen Hoorn en Enkhuizen het grote zeegevecht plaatsvond dat de geschiedenis is ingegaan als de Slag op de Zuiderzee, leed Bossu een smadelijke nederlaag. Het Spaanse slagschip dat de veelbetekenende naam De Inquisitie droeg, liep aan de grond bij Wijdenes. Bossu zelf moest zich overgeven, werd gevangen genomen en in triomf afgevoerd naar Hoorn.
Dit betekende wel dat Amsterdam nog een paar zware jaren tegemoet ging. De opstandelingen handhaafden met schepen bij het Marsdiep en het Vlie hun blokkade, totdat de stad in mei 1578 overging naar de Prins. Met wat er nog restte van die wrakken op de bodem van het IJ had de stadsregering ook daarna nog wel even te stellen. Ze waren zo hinderlijk voor de scheepvaart dat al in oktober 1578 begonnen werd met het ruimen. Dat ging ook nog het volgende jaar door en pas voorjaar 1580 wees inspectie uit dat het probleem was opgelost.
De Amsterdamse archivaris E. Lievense-Pelser stelde in het Jaarboek Amstelodam van 1979 vast wat het optakelen had gekost: in 1578 waren dat 60 ponden Vlaams en in het jaar erop nog eens 520 ponden Vlaams. Omdat een pond Vlaams toen zes gulden waard was, ging de stad met die wrakken nog voor 3480 gulden de boot in.

Tekst: Marius van Melle & Niels Wisman
Januari 2010

Powered by JReviews