Architect Jop van Epen, 1880-1960 Opmerkelijk

Geschreven door Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.     November 23, 2010    
4877   0   0   0   0   0

Architectuur zonder wanklank

Jop van Epen moet een bijzonder aardige man geweest zijn. Dat is gewoon te zien aan de prachtige buurten die hij in Oud-Zuid ontwierp. Terecht heet de bekendste Harmoniehof: architectuur zonder wanklank. Amsterdamse School op zijn best. Zijn hele loopbaan streefde hij ernaar bewoners zo gelukkig mogelijk te maken. De kwaliteit van zijn volkswoningbouw spreekt uit het feit dat vrijwel alles er nog staat – zij het vaak gerenoveerd en ten dele veranderd.

Misschien is het de wat minder uitbundige stijl waardoor architect Jop van Epen niet zo bekend is geworden als zijn generatiegenoten Michel de Klerk en Piet Kramer. Gelukkig riep de schrijver Hans Münstermann hem enkele jaren geleden terug uit de vergetelheid. Hij liet Van Epen rondwandelen in zijn roman De bekoring. “De oude architect” beziet met veel inlevingsvermogen en compassie het doen en laten van de bewoners van zijn huizen en mijmert heel wat af over architectuur. Het boek leverde Münstermann in 2006 de AKO Literatuurprijs op, maar is op zijn beurt ook alweer uit de herinnering aan het wegzakken.
Of van Epen in werkelijkheid dagelijks door zijn Amsterdamse-Schoolstraten drentelde, is zeer de vraag. Hij bouwde veel in Amsterdam, maar woonde in Baarn en Hilversum. De stad was niet zijn favoriete woonomgeving: “De vrije natuur heeft betere invloed op het innerlijke van de mens.” Zijn architectuur, hoe steeds ook, heeft daarom een ietwat dorps karakter: veel variatie op een menselijke schaal, vertrouwd aandoende, breed uitkragende daken. “De aardbol is nog groot genoeg”, zei hij eens, “laten wij toch strijden voor lage bebouwing.”
Hij beschouwde zich als idealist, maar wel een van de praktische soort. “Anders had ik nooit tweeduizend woningen kunnen bouwen”, merkte hij aan het eind van zijn leven op. Van Epen was onomwonden socialist, misschien zelfs communist. Over Pieter Jelles Troelstra sprak hij als “de grote man, die ik niet anders kan voorstellen als de man die het licht gaf bij de diepverdrukte arbeider.” In 1922 was Van Epen een van de oprichters van de Kunstenaarspartij, een afsplitsing van de Communistische Partij Holland. De splintergroepering, die het individu niet ondergeschikt aan de massa achtte, kreeg bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1922 geen enkele zetel. Er is niets meer van vernomen.

Geest van het volk
Johannes Christiaan van Epen werd op 14 maart 1880 geboren in een socialistisch nest in Amsterdam. Zijn vader was houthandelaar. De Van Epens waren bevriend met linkse intellectuelen, zoals de dichteres Henriëtte Roland Holst en de architect Willem Kromhout (van het American Hotel aan het Leidseplein). Na de mulo kwam Jop bij zijn vader in de zaak, waar hij het nodige over bouwmaterialen en constructiemethoden moet hebben opgestoken. Op zijn 17e ging hij in de leer bij de vooral van kerken bekende architect A.C. Boerma. Nog geen twintig jaar oud werd hij opzichter bij een van diens projecten, café De Bisschop op de Dam.
Zijn eerste zelfstandige ontwerp is uit 1898. Hij deed – net als zijn vader overigens – mee aan een prijsvraag voor een erepoort voor de kroning van Wilhelmina en won. Op het Bickerseiland werd zijn ontwerp opgetrokken. Daarna werkte hij enige tijd bij enkele andere architecten, om kort na de eeuwwisseling naar Parijs te vertrekken, waar zijn inmiddels gescheiden moeder woonde. Hij werkte daar een paar jaar bij een Nederlandse architect en een Frans bureau, was onregelmatig correspondent van het Bouwkundig Weekblad en scoorde een vierde plaats bij een Parijse prijsvraag voor een goede en goedkope woning.
Zijn hele carrière bleef Van Epen deelnemen aan zulke prijsvragen met een ideële inslag. Zo ontwierp hij in 1926 een tuinstad voor arbeiders in de Haarlemmermeer. In dezelfde periode schetste hij een visionaire, met daktuinen begroeide wolkenkrabber buiten de stad, verwant aan de bizarre ontwerpen van Hendrik Wijdeveld. Van Epen bepleitte een “Architecture” (met een hoofdletter) waarin ongebondenheid en oorspronkelijkheid centraal stonden en toonde zich een tegenstander van de neostijlen. Uit een bouwwerk moest de geest van het volk spreken. Hij bewoog zich ook op andere terreinen: als schilder, tekenaar, dichter en schrijver. In 1915 exposeerde hij samen met onder andere Piet Mondriaan in het Stedelijk.

Woningen met toilet
Van Epens loopbaan als zelfstandig architect begon in 1905. Hij vestigde zich in Baarn en bouwde daar verscheidene villa’s en vakantieoorden. Één landhuis was voor hemzelf en Elisabeth Ferwerda, met wie hij in 1907 trouwde. Zij kregen drie zoons; de jongste, Alexander, zou ook architect worden. In 1917 verhuisde het gezin naar Hilversum, waar Van Epen zijn verdere leven zou blijven. Na de scheiding in 1924 trad hij in het huwelijk met Hermanna Rap.
Zijn debuut in de Amsterdamse woningbouw dateert van 1910. Tot dan toe had hij weleens voor een prijsvraag nooit uitgevoerde “arbeiderswoningen in een provinciestad” getekend. Maar nu kreeg hij opdracht van de pas opgerichte Amsterdamsche Coöperatieve Onderwijzers-Bouwvereeniging (ACOB) voor drie blokken van elk zestien woningen aan de Eerste Helmersstraat. Mét toilet – wat in die tijd nog niet helemaal vanzelfsprekend was. Een douche kreeg hij er bij de opdrachtgevers niet door. Hij besteedde veel aandacht aan de gevel en de entree, onder meer door decoratief metselwerk, en ontwierp ook bijpassend meubilair. Het Bouwkundig Weekblad was zeer te spreken over de “ernstige schoonheid” die Van Epen had weten te bereiken.
De eerste opdracht van de ACOB werd meteen gevolgd door een tweede van vergelijkbare omvang: 48 woningen bij het Pretoriusplein (nu het Steve Bikoplein) in 1913-1915. Van Epen werkte meermaals samen met Berlage: bij een complex van de Algemeene Woningbouw Vereeniging aan de Tolstraat waarvan het ontwerp vooral aan hem wordt toegeschreven, en elders bij woningen in de Transvaalstraat en aan de Ringkade (na 1913 de Transvaalkade), in de Schaepmanstraat (Staatsliedenbuurt) en rond het Spreeuwenpark in Noord. Daar bemoeide Van Epen zich zelfs met de beplanting en ontwierp een doorlopende heg langs de voortuinen van de benedenwoningen. Een aanwinst vond de Gemeentelijke Woningdienst: “Heel de zomer bloeiden hier volop rozen zonder dat dit aanleiding gaf tot baldadigheid.” Kennelijk had ook deze tijd zijn hangjongeren.

Erkers met steunberen
Na de Eerste Wereldoorlog kwam zijn loopbaan in de volkshuisvesting pas goed op gang. Hij trok enkele assistenten aan. Behalve ACOB en AWV was nu ook Rochdale klant. Veel woningen van hem staan op het terrein tussen de Cornelis Krusemanstraat en de Pieter Lastmankade. Daarvoor ontwierp Van Epen vijftien typen etagewoningen en zes typen laagbouwwoningen. De zorgvuldige gevelafwerking bleef: een andere kleur baksteen voor de benedenverdieping, siermetselwerk, geglazuurde stenen, ongebruikelijk gevormde en in meerdere kleuren geschilderde vensterkozijnen, met een lantaarn afgewerkte entreepartijen. Hij maakte ook gebruik van niet-functionele steunberen, zoals hij eerder voor zijn Gooise villa’s had gedaan.
Als zijn belangrijkste werk wordt tegenwoordig de Harmoniehof (en omgeving) gezien. Aanvankelijk was Van Epen aanvankelijk alleen adviseur bij dit ook toen al veelgeprezen project. De Coöperatieve Woningbouwvereeniging Samenwerking had voor de ruim vijfhonderd middenstandswoningen Meindert Lippits als hoofdarchitect aangesteld. Maar drie van de vier tussen 1919 en 1924 gebouwde woonblokken zijn van Jop van Epen; de erkers met steunberen, de vorm van de vensters en de kleuren maken dat duidelijk.
In dezelfde periode bouwde Van Epen een soortgelijk project voor de AWV aan de Amsteldijk, Jozef Israëlskade en Diamantstraat (op de hoek woonde Gerard Reve). Iets later volgde de Topaasstraat, die aan een kant wordt afgesloten met een poortgebouw en daardoor het karakter van een hofje kreeg. Ook in andere plaatsen staan woningcomplexen: het belangrijkste in Middelburg, aan wat nu het Van Epenpark heet.
Tussen 1929 en 1936 bouwde Van Epen voor de ACOB laagbouw aan het Archimedesplantsoen, daarbij voor het eerst geassisteerd door zijn zoon Alexander. Hij verwierf in 1930 een octrooi op isolerende ‘wegneembare wanden’, waarvan hij twee jaar later weer afstand deed. Waarschijnlijk omdat het meer kostte dan opbracht.
In de Tweede Wereldoorlog kwam de bouw praktisch geheel tot stilstand en sloot Van Epen zich aan bij een studiegroep die zich richtte op de naoorlogse woningbouw. Standaardisatie was een thema. Ook werkte hij aan plannen voor wat zijn laatste woningbouwproject in Amsterdam zou worden: 52 woningen aan de Kamperfoelieweg in Noord. Van Epen overleed op 28 december 1960.

Tekst: Sjaak Priester

Januari 2010

Powered by JReviews