Nummer 4: April 2012


04_2012_V__D

De naar Amsterdam geëmigreerde Duitser Anton Dreesmann ontwikkelde in 1878 een winkelconcept waarmee hij zijn concurrenten aftroefde: vaste lage prijzen, contact betalen. Het liep storm. Vriend en zwager Willem Vroom liet zich overtuigen. Samen gingen ze 125 jaar geleden verder als Vroom & Dreesmann.

Anton Dreesmann en Willem Vroom begonnen aan iets groots toen zij op 1 mei 1887 in de Weesperstraat hun gezamenlijke “zaak in manufacturen en aanverwante artikelen” vestigden. Want van het een kwam het ander. Al snel volgde de rest van Nederland en uit al die winkels groeide ’s lands grootste warenhuisorganisatie. Het alleréérste moderne warenhuis openden zij 100 jaar geleden in de Kalverstraat.

De bakermat van het Vroom & Dreesmann-concern ligt in de Amsterdamse Jordaan. Daar opende Anton Dreesmann (1854-1934) op 28 september 1878 met financiële hulp van een oom een kleine manufacturenzaak in de Tweede Rozendwarsstraat 24 (hoek Rozenstraat). Ruim zeven jaar eerder was hij in januari 1871 vanuit het Duitse Haselünne naar Amsterdam gereisd om hier een nieuwe toekomst op te bouwen. Baan en onderdak waren al geregeld via een eerder geëmigreerde neef. Toen zijn werkgever hem geen compagnon wilde laten worden, besloot hij voor zichzelf te beginnen.
Anton Dreesmann pakte de zaken meteen anders aan dan zijn patroon en collega-ondernemers. Hij brak met de gebruikelijke, kostbare detailhandelsgewoontes, zoals zichtzendingen, loven en bieden, het geven van kortingen en kredieten. Zijn handelsvisie was gericht op “lage, doch vaste prijzen, uitsluitend à contant zonder enige korting.” Dreesmann wilde met lage prijzen en goede dienstverlening een vaste klantenkring opbouwen. Het systeem was: lage prijzen–hoge omzet. Hij hoopte een grote bedrijfswinst te maken door vooral véél te verkopen. Dreesmann was één van de eerste Amsterdamse ondernemers die het systeem van lage prijzen à contant hanteerde en kreeg zo al snel een voorsprong op zijn concurrenten. Veel klanten die hem kenden uit zijn vorige baan volgden hem naar zijn nieuwe winkel.
De zaken gingen goed. Al snel kon hij het zich financieel veroorloven om naar een echtgenote uit te zien. Op 6 augustus 1879 trouwde hij met Helena Tombrock uit een welgestelde katholieke familie in Harlingen. Nog vóór het huwelijk kocht hij aan de overkant in de Rozenstraat op nummer 145 (hoek Tweede Lauriersdwarsstraat) met hulp van dezelfde oom een tweede winkelpand. Zijn aanstaande schoonvader leende hem f 6000,- voor de inrichting en verbouwing. De dag na de trouwerij stonden Anton en Helena om 13.00 uur samen achter de toonbank in ‘Magazijn Prins Hendrik’, de naam van hun nieuwe winkel.

Vrienden, zwagers, partners
Anton Dreesmann ontmoette regelmatig collega-ondernemers in café Neubauer in de Kalverstraat. Hij kon het vooral goed vinden met de uit Veendam afkomstige Willem Vroom (1850-1925) – ook katholiek – uit een geslacht van welgestelde landbouwers. Na een gedegen opleiding, onder meer op een particulier internaat, met veertien jaar ervaring in de manufacturenzaak van zijn vader én veel vakkennis, was Willem Vroom naar Amsterdam vertrokken om op 7 mei 1881 met geleend geld een zaak in manufacturen te beginnen op Leliegracht 36 (hoek Keizersgracht). Hij volgde wél de detailhandelsgewoontes uit die tijd en mede door de hoge prijzen liep de zaak maar matig.
De vrienden werden zwagers toen Anton Willem voorstelde aan de zussen van zijn vrouw en deze op 10 januari 1883 trouwde met de 20-jarige Francisca Tombrock. Vier jaar later zouden de zwagers ook zakenpartners worden. Willems zaak aan de Leliegracht liep te slecht om een gezin van te onderhouden. Anton voelde zich medeverantwoordelijk voor zijn zwager en vond voor hem een nieuwe zaak op de Wittenburgergracht (nummer 9). Willem begon meteen met een grote uitverkoop van de inventaris, op aanraden van Anton voor vaste prijzen en tegen contante betaling. Deze uitverkoop à contant werd een groot succes: Willem was om.
Ze kochten samen met neef H.J. Vroom steeds meer goederen rechtstreeks in op beurzen en bij fabrikanten in het buitenland. Zo schakelden ze de tussenliggende distributieschakels uit en verkregen ze een prijsvoordeel dat kon worden doorgegeven aan de klanten. Dit is een van de factoren achter het latere succes van Vroom & Dreesmann. Een andere is het reservoir aan toekomstige directeuren binnen de kinderrijke katholieke families van Anton en Willem. Er waren voldoende broers en neven om steeds weer nieuwe winkels te beginnen. Vrijwel alle familieleden zijn in de loop van de jaren aan een baan geholpen in het V&D-bedrijf na een gedegen opleiding waarbij Anton en Willem van dichtbij konden zien wat voor vlees ze in de kuip hadden.

Één vennootschap
Vroom & Dreesmann begon in de Weesperstraat. Het pand op nummer 70 was bedoeld voor een neef, maar die kon niet wachten en was inmiddels een zaak begonnen in de Koningsstraat. Anton zag er mogelijkheden in, Willem niet meteen. In zijn memoires beschreef Anton Dreesmann het begin van het gezamenlijke bedrijf als volgt:
“Toen zeide ik (A.C.R. Dreesmann) hem spontaan: ‘Het is zoo bijzonder mooi gelegen, willen we het samen nemen?’ Mijn zwager antwoordde na even nadenken: ‘Ja, dat is goed’ en zoo werd in mei 1887 de eerste zaak van Vroom & Dreesmann geopend.”
Op 15 april 1887 ondertekenden ze een gezamenlijke acte van vennootschap “tot het drijven eener zaak in manufacturen en aanverwante artikelen”, die op 30 april formeel is geregistreerd. De zaak werd “aangegaan voor de tijd van zeven jaren, aanvangende op 1 mei 1887” en “zal worden gedreven in het perceel Weesperstraat 70 onder de firma Vroom & Dreesmann.”
Willem Vroom was ouder dan Anton en daarom ging de zaak Vroom & Dreesmann heten, bijgenaamd ‘De Zon’. Anton stelde het bedrijfskapitaal van f 4000,- beschikbaar tegen een rente van 4% per jaar. Bedrijfsleider werd Antons jongere broer Nicolaas Dreesmann. De winkel in de Weesperstraat werd weliswaar voor gezamenlijke rekening gedreven, maar verder bleven de twee hun eigen zaken voorlopig onafhankelijk van elkaar exploiteren. Pas per 1 januari 1890 werden alle vijf Amsterdamse winkels in één vennootschap ondergebracht en was de samenwerking compleet.
Er was een duidelijke afstemming van taken: de omzetgegevens en financiën waren het werk van Willem Vroom, terwijl Anton Dreesmann voornamelijk de inkoop en de verkoop voor zijn rekening nam. Deze werkverdeling, hun specifieke kennis van de manufacturenbranche én het feit dat beide zwagers elkaar zo goed aanvulden, zou de gezamenlijke firma tot grote bloei brengen. De handel ging prima en in 1891 bedroegen de totale kasontvangsten van de Amsterdamse winkels ƒ 258.344,-. Het succes van Vroom & Dreesmann kwam snel. Anton en Willem, die hun zaken met geleend geld waren begonnen, konden op stand gaan wonen. Anton verhuisde in 1894 met zijn gezin naar Prinsengracht 379, kort daarna betrok Willem nummer 1013.

Snelle expansie
Na Amsterdam volgde de rest van Nederland. Jaarlijks werden nieuwe vestigingen geopend. Rotterdam (1892) en Den Haag (1893) waren de eerste. Tussen 1895-1912 groeide het aantal winkels sterk: Nijmegen, Arnhem, Haarlem, Utrecht, Tilburg, Den Bosch, Breda, Leeuwarden, Maastricht, Eindhoven, Sneek en van hieruit weer nieuwe filialen in de nabije omgeving. Het uitdijende netwerk stelde de zwagers in staat nog scherper in te kopen en grote kortingen te bedingen, ook al doordat ze de goederen snel betaalden. Tegelijkertijd werden steeds nieuwe producten aan het assortiment toegevoegd. Dit prijsvoordeel én de steeds grotere keuze gaven de winkels van V&D een voorsprong op de concurrenten. De firma kwam in een positieve spiraal die door elk nieuwe filiaal werd versterkt. De expansie verliep vrijwel ongehinderd en rond 1920 had bijna elke grote Nederlandse stad één of meerdere V&D-filialen. Amsterdam, waar het allemaal begon, was koploper met zes.
De winkels groeiden uit hun jasje door het steeds grotere assortiment. Dat ging stap voor stap. De zaken hadden in het begin een volks karakter en de klantenkring bestond vooral uit arbeiders die in de buurt woonden. De inrichting was met opzet sober om de drempel laag te houden. Vroom & Dreesmann weerspiegelde in die eerste jaren het leven van de klanten – een leven zonder luxe. Dankzij de geleidelijke verbetering van de inkomens verbeterde het levenspeil van de arbeiders en nam de vraag naar nieuwe verbruiksgoederen toe. Het assortiment hield gelijke tred met deze ontwikkeling. In 1890 werden bijvoorbeeld ook al kerstboomgoed, paraplu’s en parasols verkocht. Vanaf 1896 overschreden de winkels definitief de grenzen van de manufacturenbranche, toen matrassen, wiegen, ‘waschstellen’ en andere woninginrichtingsartikelen een belangrijke plaats kregen. De verbreding tot een echt warenhuisassortiment verliep soms ook toevallig: zo werd een gelegenheidsaankoop van aardewerk het begin van de latere huishoudafdeling en resulteerde de verkoop van een partij postpapier uiteindelijk in een heuse afdeling kantoorartikelen.

Het eerste warenhuis
Eerst kon nog worden uitgebreid door omliggende panden te kopen en via een verbouwing bij de winkel te trekken, maar ideaal was het niet. Nieuwbouw moest de oplossing brengen. Architect F.M.J. Caron ontwierp voor Vroom & Dreesmann het allereerste warenhuis van Nederland in de Kalverstraat in Amsterdam. De bestaande winkel in de Reguliersbreestraat kon niet kon uitbreiden, omdat de vraagprijzen van de omliggende panden te hoog waren. Op initiatief van Willem Vroom werd de 17de-eeuwse schuilkerk ’t Boompje gekocht. De centrale ligging aan de drukke winkelstraat en het enorme oppervlak gaven de doorslag. In 1909 begon de sloop. Na een bouwtijd van ruim één jaar opende op 4 oktober 1912 Vroom & Dreesmann haar moderne warenhuis in de Kalverstraat. In een bewaard gebleven begroting werden de bouwkosten geschat op ƒ 262.000,-. Wie denkt dat de Bijenkorf op het Damrak het eerste warenhuis was, vergist zich: de bouwplannen lagen er al wel in 1912, maar werden pas in 1914 gerealiseerd.
Het was een grote winkel met alle kenmerken van een modern warenhuis: een voor die tijd uitgebreid assortiment, een groot vloeroppervlak, meerdere verdiepingen, een lichthal, liften en andere technische snufjes. De luxe personenlift van Stigler tussen de kelder en de vierde verdieping was een ware attractie voor het winkelende publiek. Hij overbrugde de 21 meter in 42 seconden met zes stopplaatsen, had een draagvermogen van 550 kilogram (zeven personen) en was uitgevoerd “in mahoniehout met cypres paneelen, met rondom ruiten van spiegelglas, een bekleede bank, vernikkeld beslag, electrisch licht, linoleum, een vloerkleed en schuifdeuren. Alles netjes en degelijk bewerkt.” De lift kostte ƒ 3.961,50.
Wat was er nog meer? Een eigen telefooncentrale, een elektrisch uurwerk zodat de klanten konden zien hoe laat het was, een lichthal (een in het dak opengelaten ruimte met een glazen koepel, waardoor er veel daglicht in de winkel was), elektrisch licht in plaats van de tot dan toe vaak gebruikte gasverlichting en bronzen etalagekasten van de Amsterdamse firma Carl Meyer met ‘levensechte’ etalagepoppen uit Berlijn. De etalages hadden bovendien een eigen overdekt trottoir met tegelvloer. Een deel van de inventaris kwam van Reguliersbreestraat, maar nieuw waren 40 toonbanken, zes speciale toonbankvitrines, handschoenenladenkasten, overhemdenkasten, kassa’s en één parfumeriekast.

Eigen bezorgdienst
Het warenhuis had onder meer een confectie- en een hoedenafdeling en een afdeling kinderkleding. Op de tweede etage werden tapijten, vloerkleden en matrassen verkocht, op de derde meubels en op de vierde zat de behangerij. Daar was ook een privékantoor van Dreesmann. Het pand had ook nog een chefswoning, een dienstbodekamer, een keuken en een eetkamer voor het personeel. De huisknecht en machinist, de heer Bruns, kreeg een eigen werkplek in de kelder bij de verwarmingsinstallatie. Als één van de eerste V&D-vestigingen beschikte de winkel in de Kalverstraat ook over een speciale ruimte voor de bezorgdienst oftewel de expeditie met een karrenbergplaats aan kant van de Sint Jorissteeg (die in 1935 opging in het warenhuis). Want als extra service bood Vroom & Dreesmann de mogelijkheid om artikelen thuis te laten bezorgen. Aanvankelijk gebeurde dat per handkar en later paard-en-wagen, terwijl kort na de Eerste Wereldoorlog de eerste V&D-bestelauto’s in het straatbeeld verschenen.
Enkele maanden voor de opening vierde de firma het 25-jarig bestaan met een groot feest op 5 mei 1912 in het Amsterdamse Concertgebouw. De samenwerking tussen de twee vrienden en zwagers Anton Dreesmann en Willem Vroom was uitgegroeid tot een bedrijf dat bestond uit vijftien aparte N.V.’s. De nettowinst bedroeg dat jaar het precieze bedrag van ƒ 811.394,42, waarvan ƒ 666.400,- aan dividenden werd uitgekeerd, goeddeels aan de twee oprichters én grootaandeelhouders. Ze werden in 1919 door hun zonen als commissarissen van de verschillende N.V.’s opgevolgd. Daarmee ging de leiding van de onderneming over op de tweede generatie.
Ook nadat Anton Dreesmann en Willem Vroom zich uit het actieve zakenleven hadden teruggetrokken, steunden zij financieel veel organisaties op charitatief en sociaal gebied. Beiden waren zeer actief in de Rooms-Katholieke Kerk. Willem Vroom overleed op 14 januari 1925 in de ouderdom van 74 jaar. Hij ligt begraven op de rooms-katholieke begraafplaats in Buitenveldert. Bijna tien jaar later, in de ochtend van 15 november 1934, stierf de 80-jarige Anton Dreesmann. Circa 1300 mensen begeleidden hem naar zijn laatste rustplaats, het familiegraf op de oude rooms-katholieke begraafplaats in Bussum.
Anno 2012 mag de NV Manufacturenhandel Vroom & Dreesmann zich Nederlands grootste warenhuisorganisatie noemen, met 62 vestigingen, een totale winkelvloeroppervlakte van 638.000 m², ruim 10.000 werknemers en zo’n 1.800.000 bezoekers in een gemiddelde week. De manufacturenhandel van 125 jaar geleden is letterlijk én figuurlijk voorgoed geschiedenis.

Tekst: Philippe Hondelink
Ph. Hondelink is economisch-sociaal historicus en afgestudeerd op de (ontstaans)geschiedenis van Vroom & Dreesmann.