Nummer 2: februari 2012 - Frits Schiller



02_2012_Schiller

Aan het toen nog chique Rembrandtplein was Schiller vanaf eind 19de eeuw tot de Tweede Wereldoorlog hét trefpunt van artistiek Amsterdam.
Herman Heijermans woonde er, net als Breitner. Het levensluchtige middelpunt van de eigenaar zelf: Frits Schiller.

Al zo’n 100 jaar staat aan de stille kant van het Rembrandtplein het befaamde Schiller Hotel. Ernaast sinds 1921 de gelijknamige bar. Schiller was destijds een bruisend middelpunt van artistiek Amsterdam. En hotelier Frits Schiller hoorde er helemaal bij. Zijn colbertje verwisselde hij zó voor zijn schildersjas. “Dan weet ik niet eens meer dat ik een hotel heb!”

Van Frits Schiller (1886-1971) werd gezegd: nourri dans le serail, opgevoed in het vak. Het was zijn vader Georg Schiller (1854-1907) die voordat hij eind 19e eeuw neerstreek op het Rembrandtplein, in een kleine kelder op het Damrak (nu de plek van Hotel De Roode Leeuw) een bierzaak had. Vader Georg was een Beier. Hij schonk in zijn ‘kuil van Schiller’ goedkoop een goed glas bier en verstrekte er dankzij de vermaarde kookkunst van zijn vrouw, smakelijke maaltijden en “Hamburgsche buffetten”. Zijn klanten waren behalve zeelui en beurslieden, ook leden van de Wagner-Vereeniging. Tijdens uitvoeringen trof men er zangers, musici, decorschilders, studenten, journalisten en ook leden van het Duits consulaat.
Een krantenartikel uit 1917: “Georg Schiller zelf was de oorzaak, dat zo velen en zo’n aantal vogels van diverse pluimage in den kelder kwamen. Zijn vriendelijk gezicht, zijn welvarend en omvangrijk uiterlijk, zijn goedmoedigheid, zijn jovialiteit en voorkomendheid lokten. Men scheidde ’s middags nooit uit den kelder voor Schiller zijn guitaar genomen had en, daarop spelende, de schoonste Duitse liederen voortreffelijk zong.” Ook zat hij met de stamgasten om een reusachtig grote, ronde kletstafel en werd er over Schiller (naamgenoot, geen familie), Goethe, Shakespeare, Ibsen en andere beroemde schrijvers gesproken. Bier en cultuur gingen hand en hand.
In 1892 vestigde hij zich tevens op het Rembrandtplein. Het gemêleerde publiek uit de kelder verhuisde mee naar de caférijke buurt met talrijke amusementsgelegenheden, zoals theaters en dansants. In 1906 namen zoons Frits en Hein met zus Elsa het bedrijf van hun vader over. In de hotellobby toont een gipsen bronskleurige portretbuste nog altijd zijn volle gezicht.

Tijdelijk doof
In de jaren van het belle époque floreerden de zaken en nog voor de Eerste Wereldoorlog werd besloten de inmiddels uitgebreide en doorgebroken rij panden door nieuwbouw te vervangen. Het grote “cosmopolitische” gebouw, ontworpen door de architecten M.J.E. Lippits en N.H.W. Scholten, werd bierhuis, restaurant en hotel ineen. “Het trok kooplieden, advocaten, doctoren, artiesten, mensen uit de politiek, journalisten. We hebben er nooit iets bijzonders voor gedaan, ze voelden zich hier blijkbaar thuis. ’t Is altijd een centrum op het Plein geweest”, zei Frits Schiller er zelf over. Toen hij in 1911 trouwde met de actrice Corry Italiaander (1886-1971) hoorde hij eens te meer bij artistiek Amsterdam.
Vanwege de mobilisatie voor de Eerste Wereldoorlog moest Frits Schiller midden in de uitbreiding (van het hotel) in dienst. Maar hij werd afgekeurd wegens doofheid. “Later nooit meer last van gehad!”
Terwijl het hotel in de steigers stond, studeerde hij af aan de Rijksacademie aan de Stadhouderskade. Enkele jaren eerder was hij het toelatingsexamen nog bijna misgelopen. “Ze vragen me wel eens, wat ik nou eigenlijk ben, schilder of restaurateur? Ja, dat is zo’n beetje gelijk op gegaan. Ik heb het restaurantvak geleerd in Londen, Parijs en Brussel. Toen werd ik commis-saucier* bij de ouwe heer Krasnapolsky. Maar ik had me al opgegeven voor het toelatingsexamen voor de academie. Terwijl ik in de keuken stond te bakken en te braden, kreeg ik een telefoontje, waarom ik niet op dat examen kwam. Ik was ’t totaal vergeten! Maar ik liep zó weg van de biefstukken en de lapjes, en holde naar de Academie, waar de professoren Antoon Der Kinderen en Carel Dake Jr. examen afnamen. Van de vijfenveertig kandidaten slaagden er zestien, waaronder ik.”

Keeltjes en lipjes
Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Nederland neutraal. Beneden aan de tafeltjes dronken leden van het Duitse en Franse consulaat met internationale journalisten broederlijk en eendrachtelijk biertjes of moezelwijn. Boven in het hotel woonde de vermaarde toneelschrijver Herman Heijermans met zijn (eerste) vrouw en dochter. Ze zouden vier jaar bij Schiller zitten, hun meubels waren opgeslagen. Dochter Hermine: “Frits Schiller was zó waanzinnig verzot op de échte kunstbroeders, dat hij mijn vader zeer grote kredieten gaf. Toen in de oorlog is mijn moeder gaan hamsteren. Die heeft onder andere meel gekocht, en ging broden bakken, op die kamers, op het petroleumstel. Ik zal het nooit vergeten, dan kwam Frits Schiller aankloppen en dan zei ze: ‘Sssst!’, want dan stond het brood te rijzen, en als hij met de deur zou slaan zou het brood inzakken. Dan kwam hij binnen, met z’n hand met gespreide vingers voor z’n ogen.”
Destijds logeerde er geregeld het cabaretgezelschap The Timbertown Follies. Hun verblijf had met de oorlog te maken. Zij waren Engelse geïnterneerden, opvarenden van een Brits marineschip, “voor de duur van de vijandelijkheden” in het neutrale Nederland ondergebracht werden in Groningen (in houten barakken, het zogenoemde Engelse Kamp). Het in witte pierrotpakken geklede gezelschap gaf drukbezochte cabaretvoorstellingen in diverse steden waarbij de opbrengst altijd was bestemd voor goede doelen.
Ook de schilder George Breitner woonde gedurende enkele jaren in het hotel. Frits Schiller: “John Rädecker, Hildo Krop, Piet van der Hem, Wim Schuhmacher, Zadkine, de meest uiteenlopende naturen kwamen hier in hun gesjochte en betere dagen. Breitner had het goed. Hij was dol op homard à l’Américaine. Heijermans konden we altijd uit zijn schouwburg lokken als er keeltjes en lipjes** waren.”

Oerinoep
Als trefpunt voor allerhande artiesten was Schiller ook de aangewezen plek voor de vergaderingen van Oerinoep, een gezelligheidsvereniging voor artiesten. De even luimige als studentikoze naam was de afkorting van Onze Eenige Roeping Is Naar Onderlinge Eendracht Pogen. Ze werd in 1910 opgericht door komiek Johan Buziau en toneelspeler Cor Ruys. Het jaarlijks door Oerinoep georganiseerde grote Artiestenfestival werd gegeven op Goede Vrijdag, omdat alle publieke vermakelijkheden dan gesloten waren en de meeste leden dus niet hoefden te werken. Sommigen lazen daarom de zinspreuk als: “Onze Enige Rustavond Is Natuurlijk Onze Enige Pretavond”.
Oerinoepleden waren “toneelspelers, musici, zangers, schilders, beeldhouwers en letterkundigen, maar ook dansers, variétéartiesten, ‘specialiteiten’, costumiers en toneelkappers.” Op de feestavonden wisselden “berijmde redevoeringen, parodieën, kluchten, travesties en tableaus vivants” elkaar af, boordevol grappen voor ingewijden en nummers waar de meligheid duimendik bovenop lag. Met bal na afloop! De feestavonden in Theater Bellevue aan de Leidsekade vormden een jaarlijks hoogtepunt in het hoofdstedelijk uitgaansleven. ‘Tout Amsterdam’ was aanwezig. Zoals de Oerinoepmars het wilde: “Met de heele troep naar de Oerinoep!” Maar pret maken was niet het enige. Doel was tenslotte ook hulpbehoevende kunstenaars te steunen.***

Wijntjes en sherry’s
Een nazaat van Frits Schiller herinnert zich zijn oudoom nog goed. Paul Schiller (1951): “Hij was een grote, lange man. Hij had grijs, golvend haar achterover en een grote neus en was altijd gekleed in driedelig pak met das. Hij had een kraakstem. Zat de zaak vol met kletsende mensen, dan hoorde je hem erboven uit. Hij was aanwezig, heel sympathiek en nooit chagrijnig. ’t Was een leven van leuke wijntjes en sherry’s drinken, hij rookte en at heerlijk en is 85 geworden. Oom Frits trok gasten aan, daar deed hij niets voor. Hij was als een magneet. Hij kon schateren van het lachen, dan stonden de ramen te trillen.”
Volgens Frits Schiller was er elke dag wel wát: “Zo zaten twee armlastige stamgasten iedere avond aan de leestafel en aten dan twee frikadellen. Als bijvoeding dronken zij het flesje slaolie leeg. Op een keer kreeg een tafeltje verderop een meneer een grote pannenkoek op z’n bord. Een van de twee kunstbroeders pakte die er af, deed net of hij er z’n neus in snoot en stak de pannenkoek in z’n zak. De eigenaar was te verbouwereerd om iets te zeggen. Aan de leestafel aten ze de pannenkoek vervolgens kalmpjes op . . .”
Achter de schermen runde ondertussen broer Heinrich (1888-1967) de keuken en hield zus Elsa (1884-1960), samen met haar schoonzus Katharina Schiller-Seiler, het toezicht op het vrouwelijke personeel, de keuken en de linnenkamers. Paul Schiller: “Ze werkten heel hard. Was er een kamermeisje ziek, dan ging tante Elsa zelf de kamers doen, als directrice de wc-potten schoonmaken. Zo zaten de Schillers in elkaar.”

Nieuw publiek
In de Tweede Wereldoorlog werd het hotel gevorderd door de Duitsers. Er kwamen Luftnachrichten Helferinnen en leden van de Wehrmacht te wonen. Het hotel moest ontruimd en het meubilair werd in allerijl bij de Amstel Brouwerij opgeslagen. Frits Schiller bleef met vrouw en zoon wonen in het aparte deel boven de Schiller Bar, die geopend bleef. De doorgang tussen hotel en de naastgelegen bar werd afgesloten. De Duitsers vergoedden wel de logieskosten. Zo had het hotel een volledige bezetting – na de crisisjaren waarin er vaak slechts enkele gasten logeerden.
Na de bevrijding betrokken Canadezen en leden van de Binnenlandse Strijdkrachten het uitgewoonde hotel. Vijf jaar later volgde een ingrijpende modernisering, waarbij ook de doorgang naar de bar werd hersteld. Hotel Schiller was weer open. Maar de tijden van het interbellum met Schiller als middelpunt van artistiek Amsterdam waren voorgoed voorbij. “Het Plein heeft geleden. De verdelging van de Joden doet zich voelen”, zei Frits Schiller zelf. Als 70-jarige blikte hij weemoedig terug: “Glanspunten van het oude Rembrandtplein zijn ordinair geworden. De chic is aangetast. Het Rembrandttheater werd bioscoop, en is nu een gat, alsof er een kies werd uitgetrokken. Het Flora van Buziau en van Louis Davids brandde af. De Salon des Variétés, het Grand Théatre…weg… Oude, gerenommeerde zaken stierven met hun klanten. Het nieuwe publiek bevolkt de cafetaria’s en lebbert ijsjes…”
Toch bleef Schiller ook na de oorlog een bijzondere zaak met artistieke clientèle. Zo trof in 1955 journalist/cineast Jan Vrijman er bij toeval Karel Appel. Overgekomen uit Parijs logeerde hij doorgaans bij Schiller. Appel praatte zonder opscheppen of gewichtigdoenerij over zijn werk en internationale succes. De ontmoeting leidde vervolgens tot Vrijmans Vrij Nederland-artikel met de overbekend geworden uitspraak: “Ik rotzooi maar zo’n beetje an.” Tot aan het eind van zijn leven had Frits Schiller op zijn zolderatelier een portretfoto van Karel Appel aan de muur.

Potretten en stadsgezichten
In de hotellobby, het restaurant en ook in het naastgelegen Café Schiller (zoals de Schiller Bar tegenwoordig heet) hangen zijn doeken nog altijd zij aan zij. Amsterdamse stadsgezichten en impressies van lieux de plaisance als Parijs en Nice, stillevens en portretten. Ogen de stadsgezichten soms ietwat naïef, de portretten van deze zondagsschilder overtuigen meer. Naast familie- en zelfportretten schilderde hij vooral bekendheden uit de artiestenwereld. Maar ook Amsterdamse straattypes als ‘de Taaie’, de aapjeskoetsier van het Rembrandtplein, en de befaamde ‘Hadt-je-me-maar’, de zwerver en lijsttrekker van de Rapaillepartij. Op de hotelkamers hangen nauwelijks nog schilderijen, na diefstal door souvenirjagers bleek dat niet langer mogelijk.
Sinds 1970 is Schiller geen familiehotel meer. Het werd verkocht aan de N.V. Caransa en Co, ging over naar de Krasnapolsky Group en kwam uiteindelijk in handen van de Spaanse hotelketen NH Hoteles. Toen werd ook de huidige afsluiting tussen hotel en bar (café) definitief. Het hotel is nu bijzonder onder de gewone, maar gewoon onder de bijzondere hotels. Een plek van de artistieke ‘beau monde’ is het bij lange na niet meer.
Ook de naamsbekendheid van Schiller is niet meer wat het geweest is. In welke wereldhaven Paul Schiller (van 1970 tot 2006 zeevarende van professie) zijn familienaam ook noemde, steevast volgde een kreet van herkenning: “Aaah, Schiller! From Amsterdam!” Des te pijnlijker was een voorval enige tijd geleden. Met zijn vrouw in Amsterdam dacht hij weer eens bij Schiller te gaan eten. Naar binnen om een tafeltje te reserveren. Hij noemt zijn naam. De reactie van het personeel: “Schiller? Hoe schrijft men dat?”… “Weg waren we!”
Wat rest is het naastgelegen Café Schiller. Nóg fraaier dan in het hotelgedeelte is hier het unieke art-decointerieur behouden. En bovenal: als vanouds weet artistiek en creatief Amsterdam de zaak te vinden. Mede-eigenaresse Florien Kleine-Snuverink: “Het hotel is voor de toeristen, de bar voor de Amsterdammers.” Een eetcafé met een niet te versmaden keuken, gestreepte fluwelen stoelen en originele Schillers alom. Een kleinood aan het barre Rembrandtplein.

Tekst: Carolus van Doornen
Carolus van Doornen is historicus