Nummer 6: juni 2015

 Onze eerste tv-avond
Mijn vader had het zo lang mogelijk tegengehouden, maar toen mijn moeder 40 werd op 16 september 1961 gebeurde het dan toch: de aanschaf van een tv-toestel. Mijn broer en ik keken al wel regelmatig bij buurkinderen. Vaste prik waren op woensdagmiddag Dappere Dodo en De Verrekijker. KRO-omroepster tante Hannie sloot af met zwaaiende handen, wij zwaaiden allemaal terug. Het was de tijd van één zender, uiteraard zwart-wit.
De avond vóór mijn moeders verjaardag werd de enorme doos, die al eerder die week bezorgd was, door twee mannen van de winkel geopend, waarna ze het apparaat met vereende krachten op de naaimachine in de hoek van de kamer zetten. Op het dak kwam vervolgens de antenne. Terwijl de ene monteur het tv-beeld in de gaten hield, draaide zijn collega op het dak net zo lang aan de antenne tot hij in de goede stand stond.
Eindelijk was het dan zover om acht uur die vrijdagavond: de eerste tv-uitzending bij ons thuis, te beginnen met het NTS-journaal. Het weerbericht werd gebracht door een mannenhand met een stuk lippenstift. De omroepster kondigde nu Brandpunt aan met de bekende openingstune: negen roffels gevolgd door vier claxonachtige stoten, waarbij het beeld steeds verder inzoomde. Het derde en laatste programma was een aflevering van De Bezetting, gepresenteerd door dr. Loe de Jong. Kort na tien uur wenste de omroepster ons welterusten en verscheen het testbeeld.
THEO DURENKAMP

Werken voor uitzendbureaus
Op 19 juni 1961 werd ik ondanks een deplorabel slecht gebit als gevolg van de Hongerwinter goedgekeurd voor militaire dienst, lichting 1963/1. Om de korte periode tot aan de dienstplicht te overbruggen, ben ik voor uitzendbureaus gaan werken. Die waren nieuw en hadden volop afwisselend werk, van magazijnbediende tot kantoorklerk.
In militaire dienst kreeg ik te maken met discriminatie op grond van geloof. Samen met andere niet-gelovige jongens werd ik voor heiden uitgemaakt en bejegend. Toen ik een keer veertien dagen streng arrest kreeg wegens onwettige afwezigheid was er maar één boek te leen: de Bijbel.
Na de militaire dienst ging ik opnieuw voor uitzendbureaus werken, want daar verdiende je veel meer geld dan in een vaste baan. Groot risico was wel dat je nergens voor verzekerd was. Eventuele medische kosten kon je voor f 18,- per maand verzekeren bij het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam.
Af en toe werd je gevraagd om in vaste dienst te komen bij het bedrijf waar je werkte. Dat is verschillende keren gebeurd. Maar vervolgens werd er dan druk op je uitgeoefend om boekhouddiploma's te gaan halen. Daar had ik geen zin in. Na enkele jaren solliciteerde ik uiteindelijk naar een vaste baan bij BUMA/STEMRA, waar ik tot aan mijn pensioen heb gewerkt.
MAARTEN BUITENHUIS

 

Welvaart en de pil
Vlak na de geboorte van onze tweede (een zoon) in 1961 hoorde ik dat de NVSH begon met een onderzoek voor anticonceptie. Mijn vrouw heeft zich gelijk aangemeld en is toen proefpersoon voor 'de pil' geweest. Een uitkomst. Nooit meer elke maand in de zenuwen zitten! We waren na mijn dienstijd getrouwd en woonden vanwege de woningnood zoals iedereen bij een kennis op kamers. Maar nu kwamen we bij de woningbouwvereniging aan de beurt voor een huurflat in de nieuwbouwwijk Buitenveldert. In mei 1963 trokken wij erin.
Het ging snel: toen we net getrouwd waren, kochten we voor twee maandsalarissen onze eerste tv, een 36 cm zwart/wit beeldbuis en met slechts 1 zender erop. In 1959 volgde de eerste wasmachine: een uitkomst, want in die tijd waren er nog geen papieren luiers. Bij Albert Heijn kochten we onze eerste koelkast, voordelig met spaarpuntjes. In 1972 schaften we onze eerste auto aan, een lelijk eendje waarmee we naar Spanje op vakantie gingen. Het was geen grote weelde, maar de welvaart was gekomen.
TON KRAAN

Hippies jatten melk

Mijn ouders hadden in de Pieter Langendijkstraat een melkzaak, op een steenworp afstand van het Vondelpark. Met de hippies in het park was het zomers altijd raak: ze stalen in de nachtelijke uren de melk- en melkproducten. Die lui wisten precies wanneer de melkrijder de bestelde spullen kwam afleveren en dan sloegen ze hun slag. Als je 's morgens buiten kwam was soms de helft al verdwenen.
Vooral in de nacht van vrijdag op zaterdag was het raak, want dan werd de dubbele portie bezorgd vanwege het weekend. Waakzaamheid was dus geboden: thuis achter de winkeldeur op wacht zitten; twee uur op en twee uur af, mijn broer en ik. Door de brievenbus loeren wie er aan de spullen zat en dan erop af. Het was altijd bingo.
Tijdens de achtervolging gooiden de dieven hun gestolen spullen over de straat. Één keer is het mij gelukt er een te grijpen aan zijn lange haar. De buit bestond uit een pak karnemelk, dat al opengetrokken was. Ik heb de inhoud over het hoofd van de dief uitgegoten. Een paar flinke trappen onder zijn achterwerk en weg was hij.
JOS WITTEMAN

 

Stadsverslaggever op de eerste rij
Amsterdam vormde in de jaren zestig echt het centrum van de wereld in onze beleving als stadsredactie van het toenmalige dagblad De Tijd (in 1974 opgeheven). Ik was een beginnende journalist en had een droomstart. Ik stond ik als het ware op de eerste rij bij al die spannende gebeurtenissen in Amsterdam. Van de opkomst van provo tot de Maagdenhuisbezetting: ik schreef erover. Amsterdam had altijd voorrang in de krant, zelfs bij onze kwaliteitskrant, die door de katholieke intelligentsia werd gelezen en daarom in de volksmond bekend stond als een 'pastoorskrant'.
Je stond er middenin. Maar niet altijd tot genoegen. Ik herinner me dat we de zaterdagse happenings op het Spui aardig zat begonnen te worden. Met een zesdaagse werkweek was dat nou juist de enige avond dat je even lekker door kon halen. Moest je weer naar het Lieverdje om te zien hoe de politie zich keer op keer liet provoceren, hoe de autoriteiten in paniek raakten en zich geen raad wisten met de ludieke acties.
Zelf zag ik dat gedoe niet als een omwenteling, meer als veel geschreeuw en weinig wol. Ik was een van de eersten die Roel van Duijn interviewde voor een jongerenblad (Oink). Er kwam weinig zinnigs uit. Een softie die vond dat alles op de schop moest. En dat we allemaal van ons eigen volkstuintje moesten gaan leven. Niet realistisch. Zo slecht hadden onze voorouders het toch niet gedaan?
Maar het was een spannende en boeiende tijd. En de wereld is natuurlijk ook echt veranderd. Of dat aan de opstandige jeugd te danken is? Meer aan de nieuwe technologieën en de welvaartsstijging, denk ik. En alle idealen ten spijt is de samenleving wereld er ook niet echt beter op geworden.
LOEK HIESELAAR

 Kicken op het Spui
Ik was 24 jaar, een zeevarende met verlof, geboren en getogen op de Prinsengracht en wilde wel eens zo'n happening op het Spui meemaken. Aan boord hadden we via persberichten over provo gehoord.
Mijn meisje werkte in het kappersvak en ging op tijd naar bed omdat ze weer vroeg uit de veren moest. Een uitgelezen kans om naar het Spui te gaan. Tegen twaalven was het er al vrij druk. Het was spannend en de sfeer was eensgezind. Voor de politiebusjes in de Spuistraat stonden agenten met schild en wapenstok. Er was ook politie te paard. Ontzagwekkender nog was de motorpolitie met zijspan, gewapend met een zweep.
De menigte daagde de politie uit, de politie ging over tot een charge. Iedereen zette het op een lopen. Kicken was dat! Het gaf mij een geweldig gevoel zo'n massa te zien rennen uit lijfsbehoud. Ik stond er midden in. Er waren ook ouderen, van wie er één viel. De man kwam moeilijk overeind omdat hij werd overlopen en tot overmaat van ramp kreeg hij nog een paar flinke tikken van de politie. Mensen die wegscholen in portieken werden daar door de motorpolitie met de zweep weggeslagen. Zelf kwam ik er goed vanaf. Ik voelde mij op dat moment één met de provo's, ook al had ik niet veel met ze op.
Na nog een keer uitdagen, charge en wegrennen, vond ik het welletjes en toog opgewonden naar huis. Of ik nog iets had meegemaakt vroeg mijn vriendin de volgende dag. "Wat gelezen voor het slapen", antwoordde ik.
ED VAN DIJK

 

'Wanneer maak je van mij nou 's een foto?'
Hun namen ben ik vergeten. Als amateurfotograaf maakte ik op een dag halverwege de jaren zestig een tocht door de stad met de tienerdochter van de eigenaresse van 'provocafé' Luba en haar vriendin en legde het tweetal op verschillende plekken met mijn camera vast. Luba op de hoek van de Looiersgracht en Lijnbaansgracht is de plek waar provo is opgericht. Ik kwam daar wel eens. We zijn toen naar de Dam geweest, de Munt en op allerlei plaatsen langs de grachten.
Ik werkte als zetter op de drukkerij, eerst bij de Telegraaf op de Nieuwezijds Voorburgwal en later bij de Volkskrant op de Wibautstraat. Als ik nachtdiensten draaide, zwierf ik graag overdag met mijn fototoestel door de stad. Ik was gefascineerd door de alternatieve jongerencultuur die ik op straat tot bloei zie komen. Dat was natuurlijk een hele belevenis, die provocultuur. Ik kwam veel op de Dam en later in het Vondelpark, ook in die ruimte onder de Vondelparkbrug waar ze bij elkaar kwamen.
Als ik eraan kwam, riepen die jongens en meisjes op de Dam: "Wanneer maak je van mij nou 's een foto?" Ik heb ook een hele serie gemaakt van de Socialistische Jeugd, onder andere van een demonstratie die uit de hand liep. Daarvan zijn nog een paar foto's in de krant gekomen. Om foto's te kunnen maken legde ik contact met de jongeren en soms ook met hun ouders. Ik heb zelfs foto's genomen van de bruiloft van een jongen en een meisje die elkaar op de Dam ontmoet hadden. Dat feest was in een café op de Brouwersgracht. Later ben ik nog bij ze thuis geweest.
HANS VAN DE BONGARDT

 One man, one vote.
Voor mij zijn die jaren onverbrekelijk verbonden met de bezetting in 1969 van het Instituut voor Wetenschap der Andragogie van de (toen nog) Gemeente Universiteit. Ik was daar wetenschappelijk medewerker en 29 jaar. Net te oud voor de babyboomgeneratie. Misschien had ik mij daardoor nooit verbonden met de pro(vo)testen eerder. Ik vond het wel prachtig, maar de autoriteiten werden wel héél hard aangepakt.
Op die gedenkwaardige dag in mei 1969 werd ik door studenten tegengehouden bij de deur van het instituut. Ik mocht alleen naar binnen als ik het gezag van de algemene vergadering van studenten als hoogste autoriteit erkende. Dat was ik niet van plan, maar wilde gewoon aan het werk en zei dus maar 'ja'.

 'Marksisme'
De universiteit dreigde met ontslag als we met de studenten contact zouden zoeken. Toch ben ik later naar de algemene vergadering gegaan. Die was permanent bijeen en nam allerlei besluiten over hoe het bestuur van de subfaculteit (er waren nog geen vakgroepen), het onderwijs en het onderzoek moesten worden ingericht. Alles moest vooral op 'marksistiese' grondslag, al wisten de meeste studenten niet precies wat dat inhield. Wij (de wetenschappelijke en administratieve stafleden) mochten wel meepraten, maar waren ver in de minderheid en hadden in het 'one men, one vote' systeem van de studenten weinig in te brengen.
Ik vond ook wel dat het universiteitsbestuur verouderd was en dat de studenten veel meer invloed moesten hebben, maar wat in die vergadering gebeurde was me toch te gortig: nauwelijks enige inspraak meer van het wetenschappelijk personeel! Dáár was ik niet voor opgeleid en aangesteld. Maar ik vond het doodeng om in die menigte het woord te voeren en tegen de stroom in te gaan. Ik heb toch gedaan en bleek een typische compromisfiguur. Uiteindelijk werd ik voorzitter van de gedemocratiseerde subfaculteit en kwam ik als niet-hoogleraar terecht in het eerbiedwaardige College van Decanen en in de Academische Raad. Curieus!
ERIK VAN PRAAG

 Coming out
Het is 1965, ik ben 34 jaar, getrouwd, twee kinderen, goede baan bij de gemeente Amsterdam, godvrezend katholiek en gezagsgetrouw. Als gewezen swingnozem koester ik nog wel enkele rebelse gedachten, maar die hebben zich verstopt in mijn achterhoofd. In een kerkelijk discussiegroepje praten we over de pil, de paus, het geloof en de zin van het leven – dat is het wel.
En dan gebeurt er opeens van alles: provo, dansen om het Lieverdje, kritische studenten, demonstraties, Damslapers en hippies. In de Kalverstraat verkopen twee jongens luidkeels een actieblad en ze worden niet eens gearresteerd. De hele erfenis van braafheid en truttigheid uit de jaren vijftig wordt op de hak genomen. Ik vind het prachtig. Luisteren naar de Franse studentenleider Daniël Cohn-Bendit in achterzaaltjes van de universiteit, even binnenlopen bij de bezetters van het Maagdenhuis. Maar wel op tijd weg, want de volgende morgen moet ik weer vroeg op. Op zondagmiddag met vrouw en kinderen naar het Vondelpark , hippies kijken. Er is een gelukboom, waar je al je overbodige spullen kwijt kan voor wie ze nodig heeft. Er is een ondernemende hipper die flessen 'echt Amsterdams grachtenwater' verkoopt.

 Woede
Romanschrijver en oud-Spanjestrijder Jef Last probeert het revolutionaire vuur weer aan te wakkeren en dichter Simon Vinkenoog vertelt al blowend hoe je je geest helemaal vrij kan maken door een eenvoudig snufje lsd. Ik verdiep mij in De eendimensionale mens van de filosoof Herbert Marcuse en ben het helemaal met hem eens. Zachtjes begin ik bij het Lieverdje mee te mompelen: "Weg met de consumptieverslaafde plastic mens – uche uche uche opa moet zo kuchen." Met rebels plezier lees ik het 'schijt-aan-alles-boek' Ik Jan Cremer, ga oosterse thee drinken in Fantasio, luister naar Johnny de Selfkicker en juich happenings toe in Paradiso.
Zondags gaan we met het hele gezin nog steeds naar de mis, maar de kerkgang verschuift naar de studentenecclesia van de dissidente pater Jan van Kilsdonk en dichter-activist-theoloog Huub Oosterhuis. De omslag komt door Vietnam. De eerste demonstraties bekijk ik vanaf de stoep. "Blijf daar niet zo lullig staan, kom er bij en sluit je aan", roepen demonstranten. Ik aarzel nog. Sluit mij later wel aan: het voelt als een bevrijding. Mijn woede over kerkelijke en wereldlijke leiders die bombardementen goedkeuren, kan ik nu openlijk uitschreeuwen.
Binnen het ambtenarencorps word ik een vreemde eend, maar iedereen blijft aardig. Via de Vietnamacties ontmoet ik mensen die actie voeren tegen het kolonialisme van Portugal, tegen de apartheid en tegen de onderdrukking van de armen in de derde wereld. Ik doe mee met de rietsuikeractie (eerste actie voor eerlijke handel, red.) en open met vrienden in 1969 een wereldwinkel op het Rokin. Er zijn er dan tien in Nederland, twee jaar later 200. Aangemoedigd door mijn vrouw neem ik ontslag bij de gemeente Amsterdam en ga werken als actiecoördinator voor de landelijke organisatie van wereldwinkels. Mijn leven is definitief veranderd.
HANS BEERENDS

 Dagboekfragmenten van Els van Wageningen

 Maart 1966: dansen met Sugar Ray
Café Casablanca op de Zeedijk is weer wat nieuw leven ingeblazen. Nadat tenorsaxofonist Kid Dynamite er niet meer speelde, viel er nauwelijks nog wat te beleven. Nu staat er een Surinaamse diskjockey die het geweldig hip doet. Er wordt goeie beat gespeeld en als extra attractie gaf danseres Helen le Clercq samen met twee meisjes een demonstratie van de nieuwste Amerikaanse beatdansen. Wij waren er laat op de avond. Ik heb gedanst met Sugar Ray, een Amerikaanse bokser. Een hele vriendelijke man, die wat dansen betrof inspirerend op mij werkte. H. kijkt graag en ik dans het liefste, dus zo was alles goed geregeld.

 1 juni 1966: demonstreren bij de gevangenis
Op het Amstelveld hadden zich 's avonds de provo's verzameld in het Mime Theater van Will Spoor. Er speelde een beatband en de 60-jarige Saartje danste helemaal in trans. Zij schreeuwde door de microfoon: "Lieve mensen, weg met het West-Europees fascisme. In Portugees Angola worden handen afgesneden. Overal is onrecht. Leve het provotariaat!" De hele stoet zette zich vervolgens in beweging richting de gevangenis aan de Amstelveenseweg, om daar Hans Tuynman, die drie maanden vast zat wegens het verspreiden van pamfletten, een brief te overhandigen. Maar zover kwam het natuurlijk niet.
Samen met twee dispuutgenoten reden Herman en ik in onze 2CV ook die kant op. Het was daar een complete chaos. Verkeersopstoppingen rond het circuit, honderden kijkers, provo's, overvalwagens en politie. Gejoel, gefluit en getoeter. Aanvankelijk stond de politie machteloos. Wij bleven rond het circuit rijden en namen nog een provo op in ons midden, die felle aanwijzingen gaf voor het klemzetten van trams en autobussen. We gingen uitgebreid stoppen en onder de motorkap kijken, zogenaamd omdat er iets haperde.
De politie probeerde de menigte uiteen te drijven. Het was een opwindend spel. Maar al spoedig gaf men ons te verstaan, dat als we nog één keer rond het circuit kwamen met auto en al zouden worden meegenomen. Ons autonummer werd genoteerd. Wij zagen ook provo Nico Frijda met zijn vrouw Nelly en pater Van Kilsdonk, de laatste in een lichtblauw windjack met bruingeruite pet. Irene Donner en een verslaggever van de NTS werden gearresteerd. Er werden nauwelijks klappen uitgedeeld. De politie hield zichzelf aardig onder controle. Het bleek trouwens toch dat de meeste provo's doodsbang waren en bij de eerste tik al wegholden.

 2 juni 1966: doodzieke provo in de apotheek
In de loop van de middag sloften twee langharige en lijkbleke provo's onze apotheek binnen, waarvan er een doodziek bleek te zijn. Hij dacht zelfs dat hij doodging, want hij had hartkloppingen en duizelingen. Ze wilden niet vertellen wat er gebeurd was. Ze vroegen alleen maar om wat valeriaandruppels en pepermunt. Maar dat hielp helaas niet. Even rustig laten zitten dacht ik en ging naar boven. Plotseling stonden ze voor mijn neus. De zieke provo maakte hallucinerende gebaren en ik vroeg hem opnieuw even rustig te gaan zitten. Terwijl ik een boterham voor hen maakte, vroeg ik zo terloops wat er in hemelsnaam aan de hand was. "Nou, begon hij, dat wou ik in de apotheek niet zeggen, maar ik heb vanmorgen wat benzedrine genomen." Hoeveel dan, vroeg ik bezorgd. "Dat weet ik niet, misschien drie puntjes van een luciferhoutje." Dat verklaarde veel! Ik belde huisarts Jan Groothuyse. "Geef hem maar wat chloralhydraat, luidde zijn advies en laat hem dan maar zijn roes uitslapen." [...]
Onrustig keek de een de kamer rond. "Goh zeg, fijne platen hebben jullie, is daar ook iets van Eric Dolphy bij?" Ja, knikte ik. "Kan je niet een stukje van die plaat draaien voor ons", vroeg hij? Natuurlijk, zei ik hoopvol, als je denkt dat jullie daarvan opknappen. De ander mompelde dat de drank van dokter Groothuyse hem goed begon te doen. Hij werd wat suf en kreeg het koud, z'n pols werd beter. Hij begon te vertellen dat hij het de afgelopen tijd ook zo druk had gehad. Nachtenlang had hij rondgelopen om van alles te doen voor een zetel voor Provo bij de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen. "Je denkt op zo'n moment dat het nodig is. Vanmorgen kreeg ik dat spul van een of andere vent. Ik slik nooit wat. En ze gaven me overal sterke koffie, weet je wel. Maar daar werd ik helemaal beroerd van."
De tijd verstreek. De stank in de kamer werd inmiddels ondragelijk. En Eric Dolphy speelde maar door. Maar ja, ik wilde ze ook wel weer eens kwijt. Tenslotte begrepen ze dat ik weer aan het werk moest en tot mijn opluchting maakten ze aanstalten om te vertrekken. Op de trap zeiden ze nog dat ze heel dankbaar waren voor de muziek die ik voor ze had gedraaid. Want stel je voor dat het orgelmuziek was geweest, dan hadden zij zeker het gevoel gehad dat ze dood zouden gaan.

 1 sept. 1967: draaiorgels spelen Willem Breukers liedjes
Ben tussen de middag naar de Dam geweest. Saxofonist en basklarinettist Willem Breuker heeft muziek gecomponeerd voor draaiorgels. Er stonden drie orgels van Perlee op het plein. Een geweldige vertoning. Willem helemaal ingetogen, wat nerveus. Hij zag er wel goed uit, had ook een nieuwe bril ontdekte ik later. Ik heb vader Breuker de hand geschut. Veel commentaren van het publiek. "Je reinste lsd – muziek, de orgels zijn zeker kapot." "Kom maar mee Marietje, er komen toch geen kinderliedjes meer." Etc. Willem zei tegen mij: "Als ik weet dat er mensen zijn die zeggen: 'We vinden die muziek afschuwelijk, maar we gaan tóch luisteren..., als ik dus een gevecht heb met ze, dan pas vind ik het goed.'" Overal waar hij speelde, werden de mensen compleet gek. Eerst staarden ze nog verbijsterd naar de bϋhne van Willem. "Zal ie ze wel allemaal op een rijtje hebben?" Om vervolgens in een ontstellend protest uit te barsten. Gooien met bierglazen en stoelen was geen uitzondering. Willem is een rustige zelfverzekerde jongen, die stug doorgaat zijn eigen muziek te maken, zonder concessies te doen. Hij zegt: "De meeste mensen weten totaal niet waar je mee aan de gang bent. Men noemt gauw iets slecht, wat men niet begrijpt. Mijn tegenstanders beweren dat ik geen noot muziek ken, dat ik niets van harmonie afweet, dat ik... nou ja, gewoon een analfabeet ben."